
 {"id":67201,"date":"2011-06-25T00:00:00","date_gmt":"2011-06-24T22:00:00","guid":{"rendered":"http:\/\/beta.vn.nl\/we-konden-niet-kapotter\/"},"modified":"2011-06-25T00:00:00","modified_gmt":"2011-06-24T22:00:00","slug":"we-konden-niet-kapotter","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/www.vn.nl\/we-konden-niet-kapotter\/","title":{"rendered":"\u2018We konden niet kapotter\u2019"},"content":{"rendered":"<p>Interview A.F.Th. van der Heijden<\/p>\n<p>Op zondag 23 mei 2010 gaat in het huis van schrijver A.F.Th. van der Heijden rond negen uur &#8217;s morgens de bel. Voor de deur staan twee agenten. Of Van der Heijden en zijn vrouw Mirjam Rotenstreich onmiddellijk willen meekomen. Hun zoon Tonio is die nacht in het centrum van Amsterdam aangereden door een automobilist. Hij ligt al uren op de operatietafel, zijn toestand is kritiek. In het politiebusje, op weg naar het AMC, vonkt er tussen de wanhoop af en toe nog even hoop op, tegen beter weten in. Want &#8216;kritiek&#8217; is in elk geval niet hetzelfde als &#8216;dood&#8217;. Maar wanneer zijn ouders in het ziekenhuis arriveren, staat al vast dat Tonio niet meer te redden is. Rond vijf uur &#8217;s middags, zo&#8217;n twaalf uur na het ongeluk, wordt de beademing uitgeschakeld. Tonio van der Heijden overlijdt, drie weken voor zijn twee\u00ebntwintigste verjaardag.<\/p>\n<p>In juni 2010 overweegt Van der Heijden voor het eerst om &#8216;een requiemachtig werk&#8217; te schrijven over zijn zoon. Eigenlijk zit er niks anders op. De roman waar hij al aan werkte, ligt stil en zal voorlopig niet meer worden opgepakt. &#8216;Het was schrijven voor of over Tonio, of in het geheel niet schrijven.&#8217;<\/p>\n<p>Op 23 mei van dit jaar, exact een jaar na het ongeluk, verscheen Tonio. Een requiemroman. Een beklemmend, hartverscheurend verslag van hoe rouw er van binnen uitziet. Van der Heijden ontvangt nog steeds niet of nauwelijks bezoek, en al helemaal geen interviewers. Maar hij beantwoordde voor VN wel schriftelijke vragen.<\/p>\n<p>Is het boek te lezen als een feitelijk verslag van de werkelijkheid?<\/p>\n<p>&#8216;In hoofdstuk VI (&#8220;Voedzame honger&#8221;) van het tweede boek bevindt zich een omslagpunt naar een wat vrijere interpretatie van de feiten. Ik volg daar Tonio op zijn laatste fietstocht door de stad, waarbij ik hem afwisselend vertrouwelijk en vermanend toespreek. Ik weet bij benadering welke route hij gevolgd heeft tussen het Sarphatipark, waar hij afscheid van zijn vrienden nam, en de kruising Hobbemastraat\/Stadhouderskade, waar de aanrijding plaatsvond. Hij moest naar zijn huis in De Baarsjes, maar om de een of andere reden sloeg hij rijdend door de Van Baerlestraat opeens rechtsaf richting binnenstad. Ik weet niet of hij via het Museumplein, dan wel via Paulus Potter-, Jan Luijken- of P.C. Hooftstraat is gereden. In mijn visie kiest hij voor de Jan Luijkenstraat, omdat hij dan langs de Cornelis Vrijschool komt, waar hij acht jaar op heeft gezeten. Een kleine, laatnachtelijke sentimental journey dus &#8211; maar dat is mijn interpretatie van de feiten, net als zijn plotselinge beslissing om op het Leidseplein nog iets te gaan eten. Zo probeer ik de witte plekken van mijn reconstructie ingekleurd te krijgen, nog afgezien van mijn pogingen om de fietsende Tonio de andere kant op te lokken, richting zijn ouderlijk huis. Voor het overige, ook in de afsluitende &#8220;Epiloog&#8221;, heb ik me in mijn requiem zo nauwgezet mogelijk aan de feiten gehouden. Maar dan nog&#8230; wat is een feitelijk verslag? Mijn requiemboek heeft een structuur die aan de opbouw van een roman doet denken. Of ik een beschreven gebeurtenis bij nader inzien in het slothoofdstuk opneem in plaats van in het openingshoofdstuk verandert al iets aan de feitelijkheid ervan. Ik heb het boek niet voor niets &#8220;Een requiemroman&#8221; genoemd. Je kunt erover discussi\u00ebren welke plaats het daarmee inneemt in de hi\u00ebrarchie van de literaire genres, maar er is op zijn minst mee aangegeven dat Tonio niet de nuchtere feitelijkheid van een politierapport te bieden heeft.&#8217;<\/p>\n<p>Heb je essenti\u00eble elementen weggelaten omdat ze te priv\u00e9 waren?<\/p>\n<p>&#8216;Onvermijdelijk. En ik ga ze in dit interview niet alsnog noemen, want dan had ik ze net zo goed wel in het boek kunnen opnemen. Als je ziet hoever ik met mijn ontboezemingen ga in Tonio, kun je niet anders dan concluderen dat de grens van het toelaatbare al was bereikt.<\/p>\n<p>Overigens heb ik bij het monteren van de hoofdstukken een aantal passages eruit gegooid &#8211; niet omdat ze te priv\u00e9, maar omdat ze te polemisch waren. Het ging dan om literaire ruzies waar Tonio zijdelings, als ongemakkelijke toeschouwer, bij betrokken was. Ik vond bij nader inzien dat ik mijn requiem voor hem niet met letterkundig geharrewar mocht bezoedelen.&#8217;<\/p>\n<p>Las Mirjam mee? Had ze inspraak?<\/p>\n<p>&#8216;Toen ik overwoog om een requiemachtig werk aan Tonio te wijden, moedigde Mirjam dat nogal heftig en emotioneel aan. Op het smekende af. Ze gedroeg zich een beetje alsof van zo&#8217;n geschrift misschien enige redding te verwachten was. Nou ja, hoe was de situatie? We konden niet kapotter. Het was schrijven voor of over Tonio, of in het geheel niet schrijven. Als Mirjam had aangegeven dat ze zo&#8217;n requiemboek, en mijn dagelijkse werken eraan, niet aankon, zou ik het waarschijnlijk hebben uitgesteld. Tot over drie, vier jaar of zo. Maar nadat ik er eenmaal over begonnen was, bleef ze erop aandringen. Het zou goed zijn, voor ons allebei. Of ze het te zijner tijd zou kunnen lezen, dat wist ze niet. Ik hoefde me in elk geval niet in te houden. Vrijelijk schrijven over de treurgesprekken die we sinds Pinksteren onophoudelijk voerden&#8230; hoe openhartig ook, geen probleem. Mirjam hield me zelfs voor dat als ik alles over ons leven met Tonio wilde vertellen, ik niet om de mindere tijden heen kon&#8230; de crises, de huiskameroorlogen&#8230; Het had haar zegen. Ze gaf me dus carte blanche, verlangde tijdens het schrijfproces geen inspraak. Ik las haar niet voor. Wel vatte ik aan het slot van de werkdag, wanneer we aan de pijnstiller met ijs zaten, soms een passage voor haar samen. Totdat het haar te veel werd. Nu ligt het boek naast haar bed. Ze durft er al wat vaker in te lezen. Mondjesmaat.&#8217;<\/p>\n<p>Je maakt voor jezelf een nauwkeurige en aangrijpende reconstructie van die laatste dagen, uren en minuten van Tonio&#8217;s bestaan, tot aan beelden van bewakingscamera&#8217;s die het ongeluk vastlegden toe. Heb je nog overwogen om ook het relaas van de bestuurder van de auto daarin op te nemen?<\/p>\n<p>&#8216;De automobilist die Tonio aanreed, is kort na het ongeluk verhoord. Ik heb een van zijn ondervragers gesproken, maar die liet, hangende het proces-verbaal, weinig meer los dan dat de man niet gedronken had. Toen een half etmaal later bleek dat het slachtoffer overleden was, gaf de automobilist, &#8220;helemaal stuk&#8221;, zijn mobiele nummer aan diezelfde ondervrager. Hij mocht het aan ons doorspelen, voor als we behoefte hadden aan telefonisch contact. We kregen er geen naam bijgeleverd. Mirjam en ik vonden dat het initiatief daarmee te zeer bij de ouders van de omgekomen jongen werd gelegd. We besloten de verschijning van de overlijdensadvertenties af te wachten: daarin zou immers voluit ons huisadres worden afgedrukt. Eerlijk gezegd hadden we verwacht dat de automobilist zich via een meelevend kaartje bekend zou maken &#8211; met desnoods alleen zijn voornaam, en zonder afzender, dan hoefde hij niet bang te zijn voor zwaar aangeslagen ouders op zijn stoep. We hebben niets gehoord, tot op de dag van vandaag niet.<\/p>\n<p>Een paar maanden geleden is Mirjam met onze advocaat bij de officier van justitie geweest die de zaak onder zijn hoede had. Uit het definitieve rapport bleek dat de auto in die fatale bocht van de Stadhouderskade 17 \u00e0 18 km te hard gereden had, en dat Tonio verzuimd had voorrang te verlenen. Het alcoholpromillage in Tonio&#8217;s bloed bedroeg het equivalent van zes glazen pils. Hij was dus niet dronken. Ik denk eerder dat hij versuft was door een combinatie van vermoeidheid, slaapgebrek en laatnachtelijke honger.<\/p>\n<p>De officier van justitie reageerde enigszins verbaasd op Mirjams vraag waarom de bestuurder nooit contact met ons had gezocht. Wij hadden immers via de ongevallenpolitie laten weten een dergelijk contact niet op prijs te stellen? Nee, wij hadden aangegeven dat we het initiatief daartoe, en de manier waarop, bij de betrokken automobilist legden. Die is dus verkeerd ingelicht. Alleen een kaartje was al heel mooi geweest.<\/p>\n<p>Denk niet dat ik hem iets verwijt, zelfs niet dat hij 67 km reed op een plek waar 50 was toegestaan: daar verdient hij een boete voor, niet het stigma iemand te hebben doodgereden. Onderzoeken, met onsterfelijke ledenpoppen op een fiets, hebben uitgewezen dat een aanrijding van een fietser met een auto die 30 km rijdt al vrijwel zeker dodelijk uitvalt. De bestuurder was drie\u00ebntwintig, nauwelijks ouder dan het slachtoffer. Ik heb met hem te doen. Het ongeluk kleeft hem zijn leven lang aan. Mirjam en ik zijn blij, als dat het woord is, dat we ons niet door een schuldvraag hebben laten obsederen. Stel je eens voor dat we ons in een proces hadden moeten vastbijten&#8230; de bitterheid bij het uitblijven van een genoegdoening&#8230; Ik moet er niet aan denken.&#8217;<\/p>\n<p>Anna Enquist zei over de periode na de dood van haar dochter Margit: &#8216;Je leeft verder, simpelweg omdat je niet doodgaat. Je blijft gaande, domweg omdat je voeten blijven lopen. Niet omdat er een doel is waar je heen wilt.&#8217; Herken je daar iets in?<\/p>\n<p>&#8216;Tonio zorgt voor een wemeling van verschijningen in alle leeftijdsfasen die hem gegund waren. Van Margit heb ik voornamelijk dat ene, stralende beeld behouden: dat van een mooie, jonge vrouw die bij het vijfentwintigjarig bestaan van De Revisor, zij even oud als dat tijdschrift, haar lied zong. Zij had nog minder dan een jaar te leven. Anna Enquist heeft ons het afgelopen jaar mooie brieven geschreven, met af en toe wat onnadrukkelijke goede raad, maar toch voornamelijk met observaties die ons inmiddels maar al te vertrouwd zijn. Zij weet waar zij het over heeft, om het zo te zeggen. Ja, je leeft verder, simpelweg omdat je niet doodgaat. En d\u00e1t je er niet aan sterft, aan zo&#8217;n klap, verwondert je nog het meest. Je ervaart het bijna als belediging voor de dierbare gestorvene dat je niet vanzelf de vernieling in gaat. Het verbaast me dat we nooit over een gemeenschappelijke zelfmoord hebben gesproken. Ik heb de gedachte wel toegelaten, maar niet hardop. Misschien was ik bang dat Mirjam ermee in zou stemmen, en dat ik haar zo, met mezelf, ook nog zou verliezen.<\/p>\n<p>&#8220;Je blijft gaande, domweg omdat je voeten blijven lopen.&#8221; Die gewaarwording had ik met betrekking tot mijn handen, die mij gaande hielden door maar over de toetsen van mijn oude IBM te blijven lopen. Ik bleef als vanzelf over Tonio schrijven. Het doel van een te voltooien boek kwam later pas in zicht.&#8217;<\/p>\n<p>Kun je zeggen dat zelfs rouw na verloop van tijd went?<\/p>\n<p>&#8216;Rouwen, de daad van rouw, het ritueel, went misschien wel, maar het onderliggende verlies niet. Ik geloof niet in het rouwproces als handeling van uitdrijving. Hoe zou je een gemis, de leegte zelf, moeten exorciseren? Gewenning aan het ergste wat een mens kan overkomen, zou hem tot een monster maken.&#8217;<\/p>\n<p>Tonio is achtergebleven in de tijd. Wordt hij voor je gevoel desondanks nog wel steeds ouder?<\/p>\n<p>&#8216;Tonio stierf drie weken voor zijn twee\u00ebntwintigste verjaardag. &#8220;Morgen is hij jarig,&#8221; zeiden we op 14 juni tegen elkaar. En op 16 juni tegen anderen: &#8220;Gisteren was hij jarig.&#8221; Net zo lang tot doordrong dat hij geen verjaardag meer had, alleen nog een jaarlijkse geboortedag &#8211; en een jaarlijkse sterfdag natuurlijk.<\/p>\n<p>Je vroeg of hij, ondanks zijn achterblijven in de tijd, nog wel ouder voor me wordt. Ja en nee. Nee, want ik zie hem in mijn herinnering als de jongen die hij was, van nul tot bijna twee\u00ebntwintig. (Afwisselend prijs en vervloek ik mijn hebzuchtig goede geheugen. Al naar gelang ik vertederd of neerslachtig kan raken door de overvloed aan beelden uit het verleden dat ik met hem deelde.)<\/p>\n<p>En ja, heel soms vang ik een glimp op van een Tonio ouder dan eenentwintig. Rond de dertig, rond de veertig&#8230; In die glimpen staat hij er niet te best op. Dat komt&#8230; ik projecteer dan mijn geringe zorgen om de Tonio van iets meer dan een jaar geleden op de toekomst, waar ze uitvergroot raken en inktzwart worden. Hij ziet er dan berooid, dakloos, schuw en eenzaam uit. Bepaald niet in goeden doen. Ik doe mijn best om niet in die onbestaanbare toekomst te gluren, maar hoe meer ik het probeer des te dwangmatiger wordt mijn voorstelling. Ik probeer me hem voor de geest te halen als vijfendertigjarige, die zijn oude vader een kleinkind in de schoot legt. Of als veertiger die me langs een expositie van zijn fotografie leidt&#8230; Het lukt me niet.&#8217;<\/p>\n<p>Je beschrijft op meerdere plaatsen in het boek de schaamte die je bevangt. Waar heeft die schaamte in essentie mee te maken?<\/p>\n<p>&#8216;Ik kon mijn verlangen naar een kind nooit los zien van de heilige gelofte, de dure eed om dat kind, als het er eenmaal was, tot het uiterste te beschermen, desnoods met mijn eigen leven. Het kind is er gekomen, ik heb het zo beschermd mogelijk laten opgroeien, en dan, nog maar net onder mijn handen uit, sneuvelt het alsnog in de boze buitenwereld. Ik kan mijn falen wegredeneren zo veel ik wil (Tonio was volwassen, woonde zelfstandig, droeg de verantwoordelijkheid voor zijn eigen veiligheid), maar dat verlost me nog niet van de schaamte om mijn eigen tekortschieten.<\/p>\n<p>Ik heb nooit bij een psychiater op de divan gelegen, maar als zo iemand mij gevraagd had, zoals jij nu doet: &#8220;Waar komt die schaamte vandaan?&#8221; zou ik ongeveer het volgende geantwoord hebben. Ik heb mijn eigen vader te vaak als vader zien falen. En dan heb ik het niet over de omstandigheid dat hij, door een gebrek aan gezag, geen eind wist te maken aan een luidruchtig kussengevecht onder zijn kinderen. Nee, dan doel ik op situaties waarin hij zijn kroost door schandelijke onverantwoordelijkheid in gevaar bracht. Ons gezin van vijf verplaatste zich op uitstapjes per fiets en brommer, twee rijwielen die door de duwende arm van mijn vader aan elkaar gekoppeld werden, zodat vijf personen zich verplaatsten via die ene bromfietsmotor. Als mijn vader gedronken had, en mijn moeder weigerde voortgeduwd te worden, liet hij zien dat hij ook met beide handen los van het stuur kon rijden. Bij zo&#8217;n gelegenheid zijn we met zijn allen tegen de kinderkopjes geslagen. Mijn broertje en ik, bij hem achterop, kwamen er met kapotte knie\u00ebn af, terwijl de stuntman zelf dagenlang met een masker van gestold bloed rondliep. Het was een incident uit een lange reeks. Ik beschermde mijn broertje en zusje zo goed mogelijk, en schaamde me voor de man die de kinderen eigenlijk had moeten beschermen. Hij was ook de man van de theatrale zelfmoordpoging. Op een avond dreef hij ons met gewelddadigheden op de vlucht. Mijn moeder wendde zich tot het politiebureau, dat twee agenten met ons meestuurde. Thuis bleek de elektriciteit uitgeschakeld, zodat de onervarenste van de beide dienders bijna met de open vlam van een aansteker naar binnen was gegaan. Zijn collega rook bijtijds het gas. Alle vier de knoppen van het gasfornuis stonden open. Onze kostwinner en beschermheer lag boven op bed, met zijn kop bij het open raam. Schaamte.<\/p>\n<p>Ik wil maar zeggen, dat kon beter. Als ik dan zelf zo nodig vader moest worden, dan zou ik het net even anders aanpakken. Dat leek twintig jaar lang aardig te lukken. Ondertussen bleef de oude schaamte geduldig op de loer liggen, klaar om bij een eventueel falen van het vaderschap zweepstriemend tevoorschijn te schieten.&#8217;<\/p>\n<p>Je schrijft dat de dood ook de goede herinneringen aan Tonio heeft aangevreten. Doe je die mooie, kostbare herinneringen aan zijn bestaan daarmee niet tekort?<\/p>\n<p>&#8216;Gelukkig zijn niet alle mooie herinneringen aangevreten. Er zijn er ontelbare die ik kan oproepen voor louter mijn eigen vertedering en ontroering, en die alleen iets mankeren voor zover ze me in peilloze weemoed kunnen dompelen om wat onherroepelijk voorbij is. Als die laatste gemoedstoestand de overhand krijgt, lijken inderdaad de mooiste herinneringen te worden aangetast.<\/p>\n<p>Aangevreten noem ik vooral die herinneringen die zich met terugwerkende kracht als &#8220;verklikkers van de dood&#8221; ontpoppen. Herinneringen die achteraf een voorspellende waarde lijken te claimen, die zich niet meer laat wegdenken. Een voorbeeld? Ik weet nu even niet of dit de definitieve versie van het boek gehaald heeft&#8230; ik heb geen zin het na te kijken&#8230; We hebben het over de 11de september 2001. Mirjam en ik zetten op mijn werkkamer een nummer van Optima in elkaar, waarvan ik eenmalig gastredacteur ben. De tijd dringt. We hebben Tonio, die net een jaar op het gym zit, voor het eerst alleen met de tram naar de stad laten gaan. Het zit ons niet lekker. Ouderlijke gemakzucht. Tonio is naar de winkel van Warhammer aan het Rokin, waar hij in de werkplaats achterin soldaatjes en hun wapenrusting mag verven. Als we aan het eind van de middag met Optima klaar zijn en het antwoordapparaat afluisteren, meldt de angstige stem van Mirjams zus dat &#8220;ze allemaal vliegtuigen op New York hebben laten vallen&#8221;. Mirjam is meteen in paniek: misschien zijn de terroristen al tot de Dam doorgedrongen. Zij spoedt zich naar het Rokin, waar zij Tonio vredig penselend achter in de winkel aantreft. Zonder zijn arbeid te onderbreken voorziet hij zijn moeder terloops van details over de aanslagen op het WTC. Met een Warhammer-soldaatje in de hand lacht hij met zachte hoon om Mirjams bezorgdheid.&#8217;<\/p>\n<p>Komt er ooit een moment dat je Tonio weer los zult kunnen zien van zijn lot? Dat je aan hem kunt terugdenken zonder onmiddellijk een pijnscheut te voelen?<\/p>\n<p>&#8216;Remember me, but forget my fate. Zo stond het in de rouwadvertentie van Frans Kellendonk. De tekst werd ook gezongen op de uitvaart van Hugo Claus. Uit het voorgaande blijkt al dat ik niets liever oproep dan de herinneringen aan Tonio, losgezongen van zijn lot. Soms lukt me dat, maar nooit voor lang. Ze kunnen nog zo staan te schitteren, de schaduw achterhaalt ze wel. Nee, ik denk niet dat ik Tonio nog los kan zien van wat hem zo onherroepelijk is overkomen &#8211; tenzij kortstondig, in een onbewaakt moment. In De tandeloze tijd introduceerde ik het begrip leven in de breedte. Hoe een moment uit de meedogenloze opeenvolging van seconden te isoleren, en het &#8220;in de breedte&#8221; te laten uitdijen om het van rijke gedachten en waarnemingen te verzadigen en zo eeuwig te maken. Misschien moet ik studie maken van hoe die onbewaakte ogenblikken, waarin Tonio losgekoppeld is van zijn lot, tot rianter breedte uitgerekt kunnen worden.&#8217;<\/p>\n<p>Is er aan zo&#8217;n gruwelijk jaar toch ook iets positiefs te ontlenen?<\/p>\n<p>&#8216;Dat we het overleefd hebben. Dat het Mirjam en mij dichter tot elkaar heeft gebracht. Dat ik Tonio in Tonio een stem tegen de vergetelheid heb gegeven&#8230; Onmiddellijk na het noemen van deze drie positieve dingen keren ze me al hun schaduwkant toe. Ja, we hebben het overleefd. Maar was het geen groter eerbetoon aan Tonio geweest als we waardig aan zijn dood ten onder waren gegaan? Ja, het heeft Mirjam en mij ongetwijfeld dichter tot elkaar gebracht. Maar waren we niet al op zijn dichtst bij elkaar via de levende Tonio? En ja, ik heb geprobeerd in mijn requiem de monddood gemaakte Tonio nog een stem te geven. Maar had ik er niet beter aan gedaan solidair met hem mee te zwijgen? Samen in innige verstandhouding stommetje te spelen?&#8217;<\/p>\n<p>Ik moest tijdens het lezen onwillekeurig denken aan de film La Stanza del Figlio. De parallel tussen de ouders van de verongelukte zoon in de film die op zoek gaan naar zijn vriendinnetje en jullie situatie lijkt onontkoombaar.<\/p>\n<p>&#8216;Nu je de titel noemt, moet ik toegeven dat ik die film gezien heb, ja. Maar tijdens het schrijven aan Tonio heb ik er geen moment aan gedacht, niet bewust in elk geval. Ik herinner me nu ook de strekking van de film&#8230; de sfeer&#8230; de wanhoop&#8230; Ik zal de dvd aanschaffen, dan ga ik hem nog een keer zien. Ik geef je hier een associatie met de titel. In 1977 was ik in Veneti\u00eb, waar ik met slinkend budget in een wel erg armoedig hotel woonde. Om mezelf een air van welgesteldheid aan te meten, stapte ik regelmatig een duur hotel binnen om naar de kamerprijzen te informeren. Nee, een eenpersoonskamer was voldoende: ik reisde alleen. Ik vroeg altijd of ik de camera mocht zien, maar op zeker moment kreeg ik door dat de hotelmanager vaker stanza zei &#8211; wat ik om de een of andere reden chiquer, of po\u00ebtischer, vond klinken. Posso vedere la stanza?<\/p>\n<p>De kamer werd me getoond, en na een ondoorzichtig excuus stond ik dan even later weer buiten op de kade. Ik kon de stanza in kwestie natuurlijk niet betalen, maar voelde me toch verrijkt: ik had een korte blik in mijn toekomst geworpen, wanneer ik me in zulke hotels zou kunnen ophouden, met uitzicht op het Canal Grande.<\/p>\n<p>In 2004 gingen we voor het eerst met Tonio naar Veneti\u00eb, waar hij zo graag wilde fotograferen. Al op de eerste boottocht, van de parkeergarage naar de San Marco, stond hij met zijn camera om de nek te foeteren dat er zo veel palazzo&#8217;s aan het Canal Grande gerestaureerd werden en door paarse tule aan het oog waren onttrokken. &#8220;Waarom zijn we daar niet voor gewaarschuwd?&#8221; riep hij uit.<\/p>\n<p>Voor de publicatie van een verhaal in een glossy had ik een belachelijk groot bedrag ontvangen, en dat had ik, 1977 indachtig, gebruikt om voor een week het waarschijnlijk duurste appartement van heel Veneti\u00eb te huren. Marmer en vergulde kranen, vlak achter het Piazza San Marco. Tonio ijlde fotograferend voor ons uit door de stad. Hij kwam ogen en lenzen tekort. Niet bij te houden, die jongen. &#8220;Dat licht, dat licht&#8230;&#8221;<\/p>\n<p>Na een paar dagen was het gedaan. &#8220;Gaan jullie maar zonder mij.&#8221; Hij wilde liever in bed blijven, en eindelijk eens The Catcher in the Rye lezen. Ik had de neiging nog altijd een kind in hem te zien, dat heel vanzelfsprekend met zijn ouders mee op vakantie ging, maar hij was zestien en had net zo goed met vrienden in een internationale trein kunnen zitten. Hij wilde alleen zijn, met zichzelf, met zijn bloedeigen lijf.<\/p>\n<p>Toen we in de namiddag terugkwamen, vertelde hij enthousiast over The Catcher in the Rye. Hij had het in een dag uitgelezen, alleen gestoord door twee kamermeisjes, die hem voor een kwartier het bed uit hadden gejaagd. Hij die, net als zijn leeftijdgenoten, zo weinig las en liever keek, was nota bene midden in Veneti\u00eb aan het lezen geslagen. De rest van ons verblijf bleef hij zo veel mogelijk in zijn kamer. Nu je die filmtitel eenmaal genoemd hebt, zal ik die kamer, waarin hij zich voor het eerst echt van zijn ouders leek te hebben losgemaakt, voortaan la stanza del figlio noemen.&#8217;<\/p>\n<p>Is je mensbeeld door de dramatische gebeurtenissen van afgelopen jaar veranderd?<\/p>\n<p>&#8216;Ik ben wantrouwiger geworden jegens de mensen. Merkwaardig genoeg ook met terugwerkende kracht. Als me nu een bepaalde situatie van tien, twintig jaar geleden voor de geest komt, met mensen om me heen, denk ik vaak: wat moesten ze toch van me, anders dan het voorbereiden van kwaadsprekerij? Ze vraten mijn tijd op&#8230; Terwijl ik me heel goed herinner dat ik diezelfde personen toen gastvrij en met vertrouwen tegemoet trad.<\/p>\n<p>Dat zomaar het voor ons liefste en kostbaarste wezen op aarde tot onvindbaarheid weggemaaid kon worden&#8230; natuurlijk tast dat je mensbeeld aan. Het is niet zo dat ik nu ineens mijn medemensen het ergste toewens. Integendeel, ik merk juist dat ik gevoeliger ben geworden voor zelfs het kleinste leed. Een kind dat languit ten val komt met een versgekocht ijsje betekent een groter drama voor me dan vroeger. Nee, het zit hem in iets anders. Als ik de mensen nu bezie, ook mijn dierbaren, is het net of ze dichter bij de dood zijn komen te staan. Zomaar, zonder het zelf te weten, in elk geval zonder het opzichtig te laten merken. Ze lijken minder beschermd tegen de dood dan vroeger. En ik registreer die afname van weerbaarheid met een zekere koele distantie, met enig fatalisme zelfs: we kunnen er elk moment allemaal aangaan.&#8217;<\/p>\n<p>Wat heeft de dood van Tonio betekend voor de relatie tussen jou en Mirjam? Zoiets kan mensen ook uiteen drijven.<\/p>\n<p>&#8216;Als je elkaar de dood van je kind gaat verwijten, zou dat wel eens het begin van het einde kunnen zijn. Mirjam en ik hebben elkaar niets te verwijten. Als ik me, vooral in het begin, nogal eens in uitzichtloos zelfverwijt stortte, was Mirjam de eerste om me dergelijke betrekkingswaan uit het hoofd te praten. Van zelfverwijten bespeur ik bij Mirjam niets, of het moet haar eenmalige verzuchting zijn dat Tonio zich als jongetje zo onzeker op zijn fiets gedroeg als ze samen door het Amsterdamse verkeer reden: &#8220;Dat had beter gekund.&#8221;<\/p>\n<p>Die observatie heb ik zelf weer kunnen afstraffen door een indruk te geven van hoe ik een volwassen Tonio soepel en brutaal, met alleen zijn pinken aan het stuur, door een moeilijke verkeerssituatie zag manoeuvreren. Maar ook zonder harde verwijten over en weer kunnen man en vrouw door de dood van hun kind uit elkaar gedreven worden &#8211; bijvoorbeeld als er na het eerste verdriet een dreunend stilzwijgen tussen de echtelieden neerdaalt. Geen zorgen over de opvoeding meer om luidop te delen. Gezamenlijk mijmeren over de toekomst van het kind is er niet meer bij. Mirjam en ik zijn, vanaf de eerste kennismaking, altijd met elkaar in gesprek gebleven. Ook in oorlogssituaties betrokken we niet zwijgend onze stellingen. Het afgelopen jaar hebben we nog meer met elkaar gepraat dan ooit voorheen. Ik heb niets van een verwijdering bemerkt. Integendeel. Maar juist het nader tot elkaar komen maakt de ontstane leemte zo massief voelbaar. Hoe harder we ons tegen elkaar aan knijpen, des te pijnlijker. Alsof de leemte een soort mal is, volgestort met van schelpgruis vergeven mortel, zoiets. En die drukt dan, hard geworden, steeds scherper in je vlees.&#8217;<\/p>\n<p>Is er voor jullie nog een draaglijk leven mogelijk na Tonio?<\/p>\n<p>&#8216;We zijn tot nu toe niet aan zijn vernietiging te gronde gegaan. Al hebben we, vooral in het begin, ons best gedaan de overlevingsdrang met sterke drank te bestrijden. Waar we inmiddels naar streven, is een aangepast bestaan. Het heeft geen zin erop te rekenen dat het martelende gemis op een dag zal zijn teruggebracht tot een zoetweemoedige herinnering aan onze overleden zoon. Gesteld al dat we de pijn zouden willen missen.<\/p>\n<p>Er is geen keus: als we dan toch met het verlies moeten leren leven, laat het verlies er dan in volle omvang zijn, onafgebroken. Ik heb niet het slechtste beroep om met pijn en verdriet te combineren. Een goudsmid zou misschien trillende vingers ontwikkelen, een scherpschutter tranende ogen. Mirjam staat al maanden elke ochtend om vijf uur op en werkt dan vier uur lang aan een boek waarvan ik weinig meer weet dan dat het met de Paraguayaanse kolonie Nueva Germania van Elisabeth Nietzsche van doen heeft, en niets met Tonio. Vraag me niet hoe, maar we houden het vol. Inmiddels ook zonder pijnstillers on the rocks. Ik snak ernaar om de roman te hervatten die vorige Pinksteren stil is komen te liggen. Ik verlang naar een wereld van fictie, waarin ik zelf mag bepalen hoe het drama zich ontwikkelt, en wat de afloop is.&#8217;<\/p>\n<p>Heb je met het schrijven van dit boek enigszins grip op je verdriet kunnen krijgen? Door het te kanaliseren en te stileren kun je het misschien enigszins buiten jezelf plaatsen.<\/p>\n<p>&#8216;Als ik heel eerlijk ben&#8230; nee, door het schrijven van dit boek heb ik niet meer grip op mijn verdriet gekregen. Tonio geeft bij vlagen een gestileerd portret van dat verdriet, maar het is daardoor niet beter hanteerbaar geworden. Er komt zelfs nog een groot onbehagen bij: de twijfel of ik er goed aan heb gedaan het boek te schrijven en te publiceren. Het is altijd zo geweest: als er een roman af was, had ik natuurlijk mijn gezonde bedenkingen tegen het eindresultaat, maar dan gooide ik het met mezelf op een akkoordje (volgende keer geconcentreerder) en probeerde ik het boek zo goed mogelijk door de wereld te helpen. Nu is dat allemaal onvergelijkbaar anders. Zolang ik, zeg maar gerust op rituele wijze, aan mijn requiem werkte, zat ik met Tonio in mijn armen. Ik drukte hem tegen me aan, praatte op hem in, liet hem de verse woorden lezen en van commentaar voorzien&#8230; Dat alles behoorde tot de eredienst die ik hem bereidde, en waarmee ik mezelf in een verdovende roes bracht. Tot zover niets aan de hand. Ik vierde mijn persoonlijke neurosen bot.<\/p>\n<p>Maar vervolgens moet, al dan niet, de stap naar het fysieke boek gemaakt worden. Ga ik alles wat ik zo ademloos en associatief op papier heb gezet &#8211; de herinneringen, overdenkingen, uitroepen, treurzangen &#8211; daadwerkelijk in een zodanige structuur onderbrengen dat het geheel voor anderen leesbaar is? Ik heb die stap gezet, zoals ik later van het resultaat van de ordening een drukproef heb laten maken, om die vervolgens ingrijpend te corrigeren. Dit hele technische proces temperde mijn aarzelingen, die pas weer begonnen op te spelen toen het boek in productie werd genomen.<\/p>\n<p>Nu het verschenen is, nemen mijn twijfels nu eens de gedaante aan van een hartgrondige walging over het bestaan van het boek, dan weer de vorm van een snijdend schuldgevoel dat ik het geschreven en in druk gegeven heb.<\/p>\n<p>Schuldgevoel tegenover wie? Nou, in de eerste plaats tegenover Tonio. Tegenover Mirjam ook. Zijn familie. Zijn vrienden. Tegenover de hele wereld eigenlijk&#8230; Met welk recht maak ik een boek waarvan bij voorbaat vaststaat dat het Tonio, langs alchemistische of welke weg ook, niet letterlijk terug in het leven kan brengen?<\/p>\n<p>Toen Rimbaud ontdekte dat zijn gedichten de alchemistische kracht misten om de wereld echt te veranderen, gaf hij de po\u00ebzie eraan. Hij trok de woestijn in.<\/p>\n<p>Misschien is het rancune &#8211; jegens mijn eigen boek. Als Tonio niet gestorven was, had ik het nooit hoeven schrijven. Nu ik het geschreven heb, verandert het niets aan Tonio&#8217;s dood. Tonio is lichamelijk uit de wereld verdwenen, en ik zit voorgoed met een fremdk\u00f6rper in mijn oeuvre.&#8217;<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Een jaar na het overlijden van zijn zoon verscheen \u2018Tonio. Een requiemroman\u2019. A.F.Th. van der Heijden: \u2018Laat het verlies er in volle omvang zijn, onafgebroken.\u2019<\/p>\n","protected":false},"author":1023,"featured_media":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"content-type":"","ep_exclude_from_search":false,"footnotes":""},"tags":[1267],"class_list":["post-67201","post","type-post","status-publish","format-standard","hentry","tag-kunst-cultuur"],"acf":[],"author_name":"Coen Verbraak","_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/67201","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/types\/post"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/comments?post=67201"}],"version-history":[{"count":0,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/67201\/revisions"}],"author":[{"embeddable":true,"name":"Coen Verbraak","href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/users\/1023"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/media?parent=67201"}],"wp:term":[{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/tags?post=67201"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}