
 {"id":316606,"date":"2016-02-28T08:29:47","date_gmt":"2016-02-28T07:29:47","guid":{"rendered":"https:\/\/www.vn.nl\/?p=316606"},"modified":"2018-02-02T11:04:55","modified_gmt":"2018-02-02T10:04:55","slug":"menno-wigman-dwarse-dichter","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/www.vn.nl\/menno-wigman-dwarse-dichter\/","title":{"rendered":"Het geheim van Menno Wigman, de meest dwarse dichter van Nederland"},"content":{"rendered":"<div class=\"lead\"><span class=\"03_Intro_Kapitaal\">&#8216;Sierlijk snijden in eigen vlees.&#8217;\u00a0Menno Wigman verpakt zijn genadeloze kijk op ons bloedeigen fin de si\u00e8cle in tijdloze taal.\u00a0De dichter viert zijn\u00a0<\/span>vijftigste verjaardag\u00a0met de vijfsterrenbundel <em>Slordig met geluk.\u00a0<\/em>Wat\u00a0gaat schuil achter zijn succes?<\/div>\n<p class=\"p_1\">Menno Wigman (1966) had zijn geloofsbrieven al klaar liggen ver voordat hij debuteerde. Hij vertaalde in zijn jonge jaren klassieke, zwart-romantische dichters als Baudelaire en Nerval en de zware Duitsers Rilke en Thomas Bernhard, bezorgde en introduceerde de postume bundel <span class=\"Cursief\">Liefdesstratenplan<\/span> van de meer om zijn zelfmoord dan om zijn gedichten bekend geworden jonge po\u00e8te maudit Nico Slothouwer, en speelde in diverse punkbandjes. Geloofsbrieven met een zwart randje. Toen kwam in 1997 zijn debuut, vol klassiek ogende gedichten, getiteld <span class=\"Cursief\">\u2019s Zomers stinken alle steden<\/span>.<\/p>\n<p class=\"p_1\"><a data-ga-category=\"embedded-article\" data-ga-action=\"clicked\" data-ga-label=\"\" href=\"https:\/\/www.vn.nl\/misschien-ben-ik-gek-maar-ik-ben-niemand-tot-last\/\" class=\"article-embed article-embed--left\"><span class=\"article-embed__image\" style=\"background-image:url(https:\/\/www.vn.nl\/wp-content\/uploads\/fly-images\/382165\/Menno-Wigman-520x520-cc.jpg);\"><\/span><span class=\"article-embed__content\"><span class=\"article-embed__read-more\">Lees ook<\/span><span class=\"article-embed__title\">\u2018Misschien ben ik gek, maar ik ben niemand tot last\u2019<\/span><span class=\"article-embed__date\">2 februari 2018<\/span><\/span><\/a><\/p>\n<p class=\"tekst\">Maar wat betekende dat? Was inmiddels, na de roerige Maximalen halverwege de jaren tachtig en met de doorbraak van vrijheidsminnende, onconventionele dichters als Tonnus Oosterhoff en K. Michel niet juist een geheel nieuw geluid aangebroken, dat geassocieerd kon worden met het postmodernistische <span class=\"Cursief\">anything goes<\/span>? Schudden niet overal dichters van de meest uiteenlopende snit het verleden en de traditie van zich af? En dan komt daar opeens een jonge dichter aanzetten met ouderwets gedegen werk: sonnetachtige verzen vol strakke structuren, binnenrijm, heuse versvoeten, verwijzingen naar oude dichters en denkers. Weliswaar hadden we al Gerrit Komrij en Jean Pierre Rawie leren kennen, beoefenaars van het gedisciplineerde, traditionele gedicht, maar hun werk was toch anders besnaard, het vermeed de hedendaagse wereld of maakte er vol ironie en sarcasme gehakt van, maar deze Wigman leek er, ondanks zijn schijnbaar klassiek-romantische geaardheid, juist vol door geraakt te worden. Zijn gedichten waren tegelijk ouderwets en hedendaags. En dan die titel! De gedichten van zijn generatie waren inderdaad verstedelijkt; met de natuur als vat van symbolisme en levenslessen was het al een tijdje gedaan, je kon rustig met een stad in je titel aankomen, dat zeker, maar een stinkende stad? Wat betekende die afkeer? Was ze oprecht? Het antwoord is niet zo makkelijk te geven. Immers de zwart-romantische dichters, met wie Wigman zich zo sterk associeert, meenden het ongetwijfeld, maar ze poseerden ook, hun spleen en Weltschmerz waren zowel echt als onecht, zowel zuiver als gespeeld. Zo lijkt het ook bij Wigman te zijn.<\/p>\n<p class=\"tekst\">Een karakteristiek gedicht uit zijn debuut is \u2018Media vita\u2019; de dichter is dan nog maar net dertig, maar bevindt zich zo te zien reeds in een diepe midlifecrisis: \u2018En midden in het leven, \/ halverwege zijn verdwaasde \/ en gevierendeelde dagen, \/ staart hij naar de vijand in de spiegel die hem op de vleugels van zijn leugens \/ naar een steeds weer nieuwe mond moet dragen.\u2019<\/p>\n<p class=\"tekst\">De jonge dichter als zijn eigen vijand die ondanks zijn leugens toch almaar voort moet dichten; het is gekozen lot en doem ineen, en dus schrijft Wigman door, tot op de dag van vandaag: over verloren liefdes, vergankelijke momenten, wereldafzijdige eenzaamheid, wanhoop, verveling, gekte, zelfbevrediging en de dood. Niets nieuws onder de zon, vandaar ook misschien dat navrante zomerse effect: stinkende steden, alles door en door rot, maar jij moet verder. \u2018Wat een bestaan\u2019, zucht de jonge dichter, en: \u2018Niemand kan mij nog genezen.\u2019<\/p>\n<h5>Een neus voor verval<\/h5>\n<p class=\"tekst\">Het meest karakteristieke gedicht uit <span class=\"Cursief\">\u2019s Zomers stinken alle steden<\/span> is wel \u2018Jeunesse dor\u00e9e\u2019, waarin die eeuwige eigenschap van jonge hemelbestormers als volgt wordt samengevat: \u2018was alles al gezegd, nog niet door hen.\u2019 Bondiger kan het haast niet. Maar tegelijkertijd verraadt het gedicht en zo\u2019n regel ook iets van de tegenstrijdige impulsen van de nieuw-romantische decadent: het bestaan mag dan onvervuld zijn, de dichter slechts een navolger van grote voorgangers, hij wil toch niet als een stamelende stumper overkomen, integendeel, hij is een estheet met mooie woorden in zijn ransel.<br \/>\nDit alles kan men bij zo\u2019n debuut nog verklaren als koketterie van een aanstormende dichter met een neus voor verval, maar nu, bijna twintig jaar en vier bundels verder, moeten we wel concluderen dat het Wigman menens is en dat hij steeds aangrijpender en technisch verfijnder op de thematiek van zijn eersteling heeft weten voort te borduren. Vol zelfinzicht ook. Als hij in zijn laatste, zojuist verschenen bundel <span class=\"Cursief\">Slordig met geluk<\/span> terugkijkt op het oude gevoel deel uit te maken van een \u2018lost generation\u2019 schrijft hij: \u2018Als zoon van een verziekte generatie sneed \/ ik sierlijk in mijn vlees.\u2019 Sierlijk zal zijn po\u00ebzie blijven, maar hij zal ook steeds harder snijden.<\/p>\n<p class=\"tekst\">In de bundels die volgden op <span class=\"Cursief\">\u2019s Zomers stinken alle steden<\/span> wordt de vorm steeds strakker, de afwisseling van korte en lange zinnen steeds dwingender en de op de loer liggende sentimentaliteit steeds meer door koele grammatica beteugeld. In <span class=\"Cursief\">Slordig met geluk<\/span> ontwaart men zelfs sporen van een van de strengste en daarom schijnbaar allang versmade vormen van de po\u00ebzie, het rondeel, met z\u2019n herhaling van hele zinnen. Wigman is sowieso een vakman van de oude stempel. Vrijwel altijd bestaan zijn regels uit vijfvoetige jamben, een cadans die hij tijdens zijn voordrachten met zijn arm lijkt aan te geven. Daarbij zijn zijn verzen muzikaal in de ouderwetse zin van het woord. Wat te denken van een strofe als deze: \u2018In dit gedicht is niet aan mij gedacht. \/ Wat zou het ook? Die vreemde in de tram, \/ die man daar in die witbeslagen ruit \/ ben ik. Een vlek. Een veeg. Nog niet gewist \/en als de dood te worden uitgelicht.\u2019<\/p>\n<p class=\"tekst\"><q class=\"pull-right\">Wigmans po\u00ebzie voltrekt zicht tussen deze twee polen, het besef\u00a0dat po\u00ebzie zinloos is maar dat de dichter toch niet anders kan.<\/q><\/p>\n<p class=\"tekst\">Gedicht-gedacht-uitgelicht, vlek-veeg, wat-wit-gewist, het is allemaal goed overdacht. Net zo coherent is de beeldspraak, als hij het in een van zijn verzen bijvoorbeeld heeft over doorgeroest verdriet, je uit je hoop zagen en het geheugen dichtspijkeren. Geen losse flodders bij deze vakman.<br \/>\nOok de bundels zelf zijn zorgvuldig gecomponeerd. Zo schrijft Wigman met ingang van zijn tweede bundel steeds een in- en een uitleidend gedicht die als een soort tegenhangers van elkaar dienstdoen. In <span class=\"Cursief\">Zwart als kaviaar<\/span> (2001) begint hij met deze woorden: \u2018ik verbeeld me niets \/\/ wanneer ik met dit hoopje drukwerk vierenzestig \/ lezers kwel of, erger nog, twee bomen vel.\u2019 en hij eindigt met de vraag \u2018hoe diep ik nog de waarheid lieg. \/ Pas in deze woorden sta ik op.\u2019 Tussen deze twee polen, het besef dat po\u00ebzie zinloos is maar dat de dichter toch niet anders kan, voltrekt zich voortaan Wigmans po\u00ebzie. Hij lijkt de vrijbrief te hebben gevonden om zijn obsessies en trauma\u2019s te luchten.<\/p>\n<h5>In memoriam-gedichten<\/h5>\n<p class=\"tekst\">Obsessie nummer \u00e9\u00e9n is wel die oude hoofdrolspeler in de kunst: de dood. Niet toevallig is Wigman een van de meest gevraagde dichters voor het project Eenzame uitvaart, waarbij dichters een vers schrijven en voorlezen aan het graf van een verder door iedereen vergeten dode. In <span class=\"Cursief\">Slordig met geluk<\/span> staan in memoriam-gedichten voor zulke uiteenlopende figuren als prins Friso, Gerrit Komrij, Maarten van Roozendaal, Thomas Blondeau. Een van zijn mooiste gedichten over de dood treffen we aan in \u2018Levensloop\u2019 uit <span class=\"Cursief\">Dit is mijn dag<\/span> (2004), waar hij over zijn vader schrijft: \u2018Hij stierf \/ zoals hij in zijn Opel reed: beheerst, \/ correct, zijn ogen dapper op de weg. \/\/ geen zin in dom geworstel met de dood.\u2019 Zijn voorbeeld maakt de dichter sprakeloos. De onvermijdelijkheid van de dood is ook onderwerp in gedichten als \u2018Rauwkost\u2019 (\u2018Hij zat zijn dood te voeden in de kroeg \/ en hij wist het\u2019) en \u2018Moe in Amsterdam\u2019, waaruit een soort identificatie met de moribunde hoofdpersoon schuilgaat: \u2018Hij wist dat het zou komen, dat gevoel \/ dat achter alle ramen van de stad \/ het leven beter dan het zijne was.\u2019<\/p>\n<p class=\"tekst\">De dichter, die het afgelopen jaar zelf geveld werd door een geheimzinnige hartkwaal, wordt er in <span class=\"Cursief\">Slordig met geluk<\/span> persoonlijk mee geconfronteerd: \u2018Twee weken in mijn eigen graf gekeken, \/ zo diep dat ik het haast begeven had.\u2019 Haast geen toeval bij iemand die in zijn jonge jaren al schreef: \u2018Ik leefde snel en telde af, dat was toen mode. \/ Ik telde doden, steeds meer doden\u2019.<\/p>\n<h5>De femme fatale<\/h5>\n<p class=\"tekst\">Maar het is niet alleen het einde van het leven dat Wigman telkens opnieuw bezingt, het is ook het einde van de liefde. In \u2018Beddendood\u2019 over het langzaam wegkwijnen van de aanvankelijke hartstochtelijke liefde komen ze samen: \u2018De liefde brak voor onze ogen stuk \/ en het heet beddendood en het is klaar.\u2019<\/p>\n<p class=\"tekst\"><q class=\"pull-right\">\u2018Iets met lipstick haalt me neer\u2019\u00a0&#8211; Wegmans\u00a0hele werk is doordrongen van de aanwezigheid van de femme fatale.<\/q> \u2018Iets met lipstick haalt me neer\u2019 schrijft Wigman in <span class=\"Cursief\">Slordig met geluk<\/span>. Zijn hele werk is doordrongen van de aanwezigheid van de femme fatale, ook daarin is hij schatplichtig aan de zwarte romantiek. \u2018Proost me toe en neem me mee\u2019 verzucht de dichter, alvorens \u2018je mij je straat je huis je lichaam binnenleidt\u2019, maar hoe dwingend en onvermijdelijk de vrouwelijke aantrekkingskracht ook is, het loopt zelden goed af. In \u2018Mijn helft\u2019 gaat het om nachtelijke frustratie in bed, gefnuikt verlangen om het nog een keer te doen: \u2018Ik heb het koud \/ en teken stil mijn kansen uit: nog \u00e9\u00e9n \/ keer \u00e9\u00e9n te zijn, twee blinde dieren, god \/ in bed en echt, een leven lang \/ uit haar spelonk van bont opstaan \/ hoe zou dat zijn?\u2019<\/p>\n<p class=\"tekst\">Maar al die illusies van exclusieve liefde en erotiek worden toch ook steeds weer gecontrapunteerd door de gedachte dat iedereen het doet en dat de vrouw onverbiddelijk deel uitmaakt van de buitenwereld, de massa. \u2018Zij altijd\u2019 begint nog hoopvol: \u2018Daar komt ze uit een mist van mensen: de geliefde\u2019 om te eindigen met desillusie: \u2018daar gaat ze in een mist van mensen\u2019. Talloze minnaressen duiken op in Wigmans werk maar telkens verdwijnen ze ook weer, en dus zijn de eenzame uren, doorgebracht in melancholie en onanie, even talrijk als de herdersuurtjes.<br \/>\n\u2018Tot mijn pik\u2019 heet het openingsgedicht van <span class=\"Cursief\">Mijn naam is legioen<\/span> (2012), naar een gedicht van de Arabische dichter Rashid Ibn Ishaq dat Wigman door vriend Hafid Bouazza werd aangereikt, en het gaat over de troosteloosheid van de lust: \u2018je slaapt al dagen in mijn broek, zo moe \/ van wie je ziedend van je zaad ontdoet. \/\/ Geen hoop, geen zin, geen bedvriendin. En naakt \/ als water sliert wat heupwerk door mijn hoofd. \/ Oktober. Veertig en geen bed werkt over.\u2019<br \/>\nDertig, veertig, vijftig jaar, augustus, oktober, november, denk maar niet dat er iets aan je hopeloze liefdes verandert.<\/p>\n<figure id=\"post-316889 media-316889\" class=\"align-left\"><img decoding=\"async\" src=\"https:\/\/www.vn.nl\/wp-content\/uploads\/2016\/02\/CF046272-edit_preview.jpg\" alt=\"\" \/><figcaption>Foto: Koos Breukel<\/figcaption><\/figure>\n<h5>Openbaring in de H&amp;M<\/h5>\n<p class=\"tekst\">Een vaste vijand in Wigmans po\u00ebzie is de buitenwereld, de massa. In het spoor van dichters als Adrianus Roland Holst die het over \u2018de velen\u2019 had en Geerten Gossaert die sprak van \u2018het gemeen\u2019 heeft Wigman het over \u2018mensenvee\u2019, een \u2018eksterplaag van mensen\u2019, \u2018restvolk\u2019, \u2018metro\u2019s met druk vlees\u2019. Geen wonder dus dat plaatsen met veel volk waar hij zijn gal over kan spuwen in overtal zijn: winkels, warenhuizen, metro\u2019s. Geen po\u00ebzie waarin zoveel bedrijfsnamen voorkomen als die van Wigman, hij heeft het over \u2018de droefenis van copyrettes\u2019, een \u2018Openbaring in de H&amp;M\u2019, \u2018De moedeloze geilheid van een V&amp;D \/ op dinsdagmiddag\u2019, troosteloos gewinkel in \u2018Tuincentrum Osdorp. In \u2018Kaufhaus des Westens\u2019 wordt het warenhuis genoemd \u2018een massagraf \/ dat blaakt van hoop en voor het donker \/ rouge, speelgoed en horloges koopt\u2019. Voor het donker dus, oftewel voor de dood invalt. Bij Wigman danst de mensheid op een koord dat haar onverbiddelijk ten ondergang voert.<\/p>\n<p class=\"tekst\">De dichter voelt zich bij dit alles buitengesloten, gelukkig maar zou je zeggen, nu hoeft hij tenminste niet deel te nemen. \u2018Sla voedsel in en sluit de deur\u2019 schrijft hij ergens en in \u2018Brief aan een luie vriend\u2019 haalt hij de bekende maxime van Pascal aan \u2018dat alle \/ ellende van de mensheid \/ maar \u00e9\u00e9n oorzaak heeft, namelijk dat men niet in staat is \/ rustig in een kamer te blijven\u2019, maar de kern van zijn afkeer van de massa is niet de massa zelf en haar jachtigheid, maar het gevoel dat hij er zelf verloren in raakt: \u2018Vluchtheuvels. Winkelstraten. Zebrapaden. \/ Het was of ik nooit nodig was geweest\u2019 heet het in \u2018Een soort thuiskomst\u2019; de vervloekte buitenwereld wijst hem steeds opnieuw op zijn eigen kleinheid, nietigheid en onbeduidendheid, in \u2018Burger King\u2019 ontdekt de met een \u2018mond vol Proust en Bloem\u2019 rondlopende dichter tot zijn verbazing \u2018dat alles wat zo laag \/ en lelijk is zo sterk en stevig staat.\u2019 Het is in de grond een existentieel probleem, een gevoel van verlatenheid: \u2018Wie huist nog waar hij woont?\u2019 vraagt Wigman zich af in navolging van zijn grote voorbeeld Rilke: \u2018Ich hab\u2019 keine Geliebte, kein Haus, keine Stelle auf der ich lebe.\u2019 Gevolg van dit antidemocratische gevoel, dat zo haaks staat op veel hedendaagse po\u00ebzie, is trouwens ook een flinke portie zelfhaat; \u2018Waarom, mijn lichaam, heb ik nooit in je geloofd?\u2019 schrijft hij in \u2018Afscheid van mijn lichaam\u2019.<\/p>\n<h5>Afkeer van stad<\/h5>\n<p class=\"tekst\">Als je dan zo slecht tegen het stadsgewoel, de terreur van de massa en je eigen mis\u00e8re kan, trek dan de natuur in, zou je zeggen. Maar nee, ook dat doet Wigman niet. Landschappen en natuur spelen nauwelijks een rol in zijn werk en die enkele keer dat ze opduiken, weet Wigman er wel raad mee. In \u2018Gedicht zonder weerbeschrijving\u2019 uit zijn laatste bundel schrijft hij \u2018Vergeet de onzin van natuurlyriek en schop \/ de weerberichten uit de po\u00ebzie\u2019 en een gedicht later heeft hij het zelfs over de natuur als groen braaksel: \u2018O sleep me uit dit groene braaksel weg.\u2019 Ook voor lijstduwer van GroenLinks is hij niet in de wieg gelegd.<\/p>\n<p class=\"tekst\">De waarheid is natuurlijk dat Wigman zijn haat en afkeer van stad en massa juist nodig heeft om te kunnen schrijven, zoals zijn schrijverschap ook niet zonder weglopende geliefdes kan. Als een po\u00ebtische lijder aan M\u00fcnchhausen by Proxy koestert hij zijn zieke, \u2018liefdeloze wereld\u2019. Het wekt dan ook geen verbazing dat deze in de grond misantropische schrijver een tijdje stadsdichter van Amsterdam was, zijn gehate biotoop waarvan hij de leegheid en het verval op zijn programma kon zetten.<\/p>\n<p class=\"tekst\"><q class=\"pull-right\">Als je dan zo slecht tegen het stadsgewoel, de terreur van de massa en je eigen mis\u00e8re kan, trek dan de natuur in, zou je zeggen.<\/q>Een vierde motief dat Wigmans werk beheerst is dat van de psychopathologie: waanzin en misdaad. In het seizoen 2005\/2006 bracht Wigman als \u2018writer in residence\u2019 drie maanden door op de Willem Arntsz Hoeve. Het verslag dat hij ervan gaf in zijn prozadebuut <span class=\"Cursief\">Het gesticht<\/span> (2007) is tamelijk licht verteerbaar, zoals hij in het algemeen in zijn zorgvuldig terloopse proza meer de zwierige en anekdotische kanten van het dichterschap uitvent, maar hij hield er ook een aantal knarsende gedichten aan over, zoals het grappige \u2018Godverdedomme\u2019, een stijloefening in krom pathologisch Nederlands. Ook de misdaad komt ruim aan bod in Wigmans oeuvre, van \u2018Het dievengilde op lijn 5\u2019 tot \u2018De vrede moe, Vijf gedichten bij oude politiefoto\u2019s\u2019, vol criminaliteit en moordpartijen. In zijn tweede prozabundel <span class=\"Cursief\">Red ons van de dichters<\/span> uit 2010 kondigt hij aan een lang gedicht over de RAF te gaan schrijven, een tot nu toe onvoltooid project, maar de intentie zegt genoeg.<\/p>\n<p class=\"tekst\">Wigmans fascinatie voor waanzin en geweld lijkt me ingegeven door een sluimerend gevoel van verwantschap; ook hier gaat het immers vaak om eenzame, onmaatschappelijke figuren, verre verwanten van de dichter zelf, zoals hij zich in \u2018Outcast\u2019 beschrijft, zittend in de tram, te midden van het volk: \u2018Wat als ik zomaar de Messias was \/en hier op deze tramlijn liefde bracht. \/ Stel dat ik gek van haat en razernij \/een mes in jullie kille nekwerk stak?\u2019<\/p>\n<h5>Hang-up met dood en verderf<\/h5>\n<p class=\"tekst\">Dood, waanzin, eenzaamheid, de fatale geliefde, die thema\u2019s gecombineerd met de strakke vorm van zijn gedichten: het is allemaal naadloos te herleiden tot de zwarte romantiek. Ouderwets spul, zou je kunnen zeggen, zo uit de canon van Mario Praz\u2019 <span class=\"Cursief\">The Romantic Agony<\/span>. Wat maakt Wigman dan toch tot zo\u2019n belangwekkend dichter? Ik denk dat hij juist in deze postmoderne epoche, waarin de po\u00ebzie licht, open, praatziek is geworden, zich van alle mogelijke registers bedient en zich eigenlijk niks meer lijkt aan te trekken van de traditie, dienst doet als het geweten van de Nederlandse po\u00ebzie. Hij is in zekere zin de meest dwarse dichter van Nederland met zijn behoudende en tijdloze repertoire. \u2018Voor bijna alles heb ik mij geschaamd\u2019 schrijft hij in het gedicht \u2018Levensloop\u2019 maar dan toch niet voor zijn orthodoxe hang-up met dood en verderf. Hij heeft het zelfs over het \u2018frisse pessimisme en allesbehalve laffe escapisme\u2019 van de decadenten dat ons zou moeten aanspreken.<\/p>\n<p class=\"tekst\">Denk overigens niet dat zijn werk in het geheel geen ontwikkeling kent. Aanvankelijk kon je bij hem twee soorten verzen onderscheiden, die over zijn eigen wisselvallige lot en die over de armzalige wereld om hem heen, maar die twee zijn steeds dichter bij elkaar gekomen en in de laatste twee bundels vermengd tot gedichten waarin alles fuseert: verachting en begoocheling, afkeer en schoonheidsbeleving. Met die fascinerende mix is hij de Baudelaire van copyrettes en Vinexwijken.<\/p>\n<p class=\"tekst\">Menno Wigman verpakt zijn even genadeloze als indringende kijk op onze tijd en maatschappij, ons bloedeigen fin de si\u00e8cle, in tijdloze taal. Hij is een van de weinige, zo niet de enige bijdetijdse dichter die nog waarlijk iconische gedichten schrijft zonder zich te generen voor vakmanschap en pathetiek. Gefundenes Fressen voor de soms in veel geouwehoer en druktemakerij verdwaalde po\u00ebzieliefhebber die wel weer eens een dichtregel wil lezen die hij kan onthouden en citeren.<\/p>\n<div class=\"info-box\">\n<p class=\"tekst\">Zojuist verschenen, en <a href=\"https:\/\/www.vn.nl.kpnis.nl\/Winkel\/Webwinkel\/Web-winkel-Product\/Slordig-met-geluk-Menno-Wigman.htm\" target=\"_blank\">hier<\/a> te koop: <em>Slordig met geluk<\/em>, Prometheus, 64 p., \u20ac 14,95.<\/p>\n<\/div>\n<p class=\"onderschrift\">\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p><span class=\"03_Intro_Kapitaal\">Kenners hangen hem lauweren om,<\/span> collega\u2019s prijzen hem de hemel in, en dat terwijl het werk van Menno Wigman in zekere zin \u2018old school\u2019 is, klassiek-romantisch, evenwichtig, behoudend en wars van spektakel. Wat is het geheim van deze dichter die dit jaar vijftig wordt en dat viert met een vijfsterrenbundel \u2018Slordig met geluk\u2019, zijn vijfde?<\/p>\n","protected":false},"author":1023,"featured_media":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"content-type":"","ep_exclude_from_search":false,"footnotes":""},"tags":[4709,4534,4711],"class_list":["post-316606","post","type-post","status-publish","format-standard","hentry","tag-menno-wigman","tag-poezie","tag-slordig-met-geluk"],"acf":[],"author_name":"Rob Schouten","_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/316606","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/types\/post"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/comments?post=316606"}],"version-history":[{"count":0,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/316606\/revisions"}],"author":[{"embeddable":true,"name":"Rob Schouten","href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/users\/1023"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/media?parent=316606"}],"wp:term":[{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/tags?post=316606"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}