
 {"id":126863,"date":"2001-01-13T13:37:00","date_gmt":"2001-01-13T11:37:00","guid":{"rendered":"http:\/\/beta.vn.nl\/mensje-van-keulen-als-mijn-personages-ongelukkig-zijn-voel-ik-me-voldaan\/"},"modified":"2001-01-13T13:37:00","modified_gmt":"2001-01-13T11:37:00","slug":"mensje-van-keulen-als-mijn-personages-ongelukkig-zijn-voel-ik-me-voldaan","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/www.vn.nl\/mensje-van-keulen-als-mijn-personages-ongelukkig-zijn-voel-ik-me-voldaan\/","title":{"rendered":"Mensje van Keulen: &#8216;Als mijn personages ongelukkig zijn, voel ik me voldaan&#8217;"},"content":{"rendered":"<div class=\"wpg-element lead-bold\">\n<p>Mensje van Keulen koestert haar personages alsof het haar kinderen zijn. Toch gaan ze vaak hun ongeluk tegemoet. Ook haar nieuwste romanfiguur, de hoofdpersoon van &#8216;De gelukkige&#8217;, ontkomt niet aan dat lot. De schrijfster geniet daarvan: &#8216;Het heeft met een eerlijk soort schoonheid te maken.&#8217;<\/p>\n<\/p><\/div>\n<div class=\"wpg-element paragraph\">\n<p>&#8216;Nabokov,&#8217; zegt Mensje van Keulen, &#8216;gaf nooit interviews, omdat hij dan ging kraaien als een kleuter.&#8217; Ze zucht: &#8216;Ik doe dat ook.&#8217; En dus zucht ze vaker, mompelt iets als &#8216;dit is zo moeilijk&#8217; en &#8216;niets is zo lekker als alleen zijn&#8217;, vertelt een anekdote, van de hak op de tak, beantwoordt vraag met wedervraag. Of ze staat op, naar de keuken, naar de werkkamer, pakt een glas, een boek. Ontsnapt aan de vraag.<\/p>\n<p>Op de vlucht, haar personages slaan om de haverklap op de vlucht. Willem Bleeker, de man in haar debuut Bleekers zomer, neemt op een dag zomaar de benen. Weg van zijn geestdodende werk en zijn snibbige vrouw. Om aan het einde van het boek toch weer bij haar terug te keren. In De gelukkige, haar nieuweling die vorige week verscheen, loopt de vrouwelijke hoofdpersoon weg van haar ouders, weg van haar man, weg van haar minnaar, naar Schotland, Pakistan, terug naar Nederland, naar Frankrijk. Of ze aan het eind van de roman werkelijk bevrijd is, dat is maar de vraag.<\/p>\n<p>Mensje van Keulen peinst: &#8216;De situatie is zodanig dat ze wel moeten vluchten. Er is een noodzaak. Dan kun je zeggen: dat bedenk je toch zelf, jij laat je personages iets ontvluchten. Maar zo is het niet, mijn personages leven in hoge mate een eigen leven, ik weet lang niet altijd waarom ze doen wat ze doen.&#8217; Zelf zit ze het liefste thuis. &#8216;Ik ben heel trouw. Kan moeilijk iemand in de steek laten. Maar achter mijn bureau laat ik mijn personages ervandoor gaan. Schrijven is toch ook een soort vluchten.&#8217;<\/p>\n<p>De gelukkige heeft een welhaast tijdloos thema: vrouw jaagt het geluk achterna, denkt dat te vinden, raakt gedesillusioneerd, en keert de situatie \u2013 het huwelijk, de relatie met een minnaar \u2013 na pijn en moeite de rug toe. &#8216;Het is klassiek, maar bepaald niet ouderwets. Ondanks het feminisme zijn er nog legio vrouwen die hetzelfde doorstaan, ook in Nederland. Die gevangen zitten in een huwelijk en zich daaraan moeten ontworstelen. Dertig jaar geleden, in Bleekers zomer liet ik een man zich losrukken van een vrouw die dominant is. Misschien dacht ik toen, met het opkomend feminisme: mannen hebben ook te lijden, kom. We kennen toch allemaal mannen van wie je denkt: o wat erg om met zo&#8217;n vrouw getrouwd te zijn! Of vrouwen met wie je om die reden diep medelijden hebt. Lijden aan een relatie gaat niet op voor \u00e9\u00e9n soort. Tussen mijn eerste en laatste boek in, in Engelbert, lijden ze allemaal aan elkaar.&#8217; Prevelt er snel achteraan: &#8216;Dat komt natuurlijk het vaakste voor.&#8217;<\/p>\n<p>Dat klinkt niet meer dan rechtvaardig, maar in veel van haar werk zijn de mannen niet bepaald sympathiek. Ze zijn snoeverige charmeurs, macho&#8217;s die een dubbelleven leiden, zich nooit aan \u00e9\u00e9n vrouw kunnen binden. &#8216;Wie weet lijken ze op mijn vader. Dat zal wel een voedingsbodem zijn,&#8217; zegt ze. In haar autobiografische boek Olifanten op een web, waarin ze over de dood van haar moeder schrijft, weidt ze ook uit over haar vader, een avonturier en rokkenjager, die na de scheiding met haar moeder doodleuk zei: &#8216;Bedankt. Je bent vierentwintig jaar mijn huishoudster geweest en je hebt me drie kinderen geschonken.&#8217;<\/p>\n<p>Van Keulen, nu verzoenend: &#8216;Ik heb uiteraard ook andere mannen ontmoet. De mensheid is niet altijd een even prettige soort, dus de mannen ook niet. Ik heb een tijd het verwijt gehad, begin jaren zeventig toen Opzij net begon, dat ik alleen partij voor mannen zou kiezen en me tegen vrouwen af zou zetten. Dat ik sterke mannen beschreef en de vrouwen labiel en zwak, onderdanig en horig maakte. Dat is ook niet waar. Ik heb nooit gedacht dat de ene soort kwaadaardiger zou zijn dan de andere. Het is maar net wat het verhaal verlangt.&#8217;<\/p>\n<p>Zoals zo veel schrijvers heeft Mensje van Keulen meermalen in interviews laten weten dat schrijven een kwelling is. Het witte papier, het spijkeren aan een mooie zin, het uren zitten voor een paar schamele regels. &#8216;Schrijven is ellendig,&#8217; zegt ze, &#8216;maar n\u00ed\u00e9t schrijven is ellendiger.&#8217; Vier jaar ploeterde ze aan De gelukkige. &#8216;Mensen denken, je zult wel een routinier zijn in het schrijven. Dat is niet zo. Ik doe er steeds langer over. Je wordt steeds kritischer. In dat opzicht wordt het vak steeds ellendiger.&#8217;<\/p>\n<p>Zo&#8217;n dertig jaar is ze nu schrijver. In 1969 debuteerde ze met een kort verhaal in het Hollands Maandblad, even later werd ze lid van de redactie van Propria Cures. In 1972 publiceerde ze de &#8216;kleine roman&#8217; Bleekers zomer bij Thomas Rap en de verhalenbundel Allemaal tranen bij De Arbeiderspers. Ze legt uit: &#8216;Martin Ros vroeg me net iets eerder om een boek, maar dat vond ik zo sneu voor Thomas Rap dat ik voor hem Bleekers zomer heb geschreven.&#8217; De kritieken waren juichend over beide boeken, de schrijfster werd op slag &#8216;een ontdekking&#8217; genoemd. &#8216;Dit is het,&#8217; jubelde K.L. Poll in NRC Handelsblad over de kleine roman, &#8216;lees Bleekers zomer,&#8217; raadde Hans Warren aan, &#8216;op naar de boekwinkel,&#8217; commandeerde K. Schippers in de Haagse Post. En de lezers gingen naar de boekwinkel. En de interviewers, Bibeb aan kop, wisten haar te vinden. Waarop ze telkens weer kon vertellen wat voor hekel ze aan interviews heeft.<br \/>Ze was, op die hekel aan vraaggesprekken na, de Connie Palmen van de jaren zeventig. Een fotogenieke jonge vrouw die er opeens was alsof ze er nooit niet geweest was. Een hippiemeisje met een overweldigende bos donkere pijpenkrullen en een dromerige blik in overdadig met zwarte kohl omrande ogen. Niks had ze van het type degelijke, juffrouwachtige vrouw, waar men schrijfsters toentertijd mee associeerde.<\/p>\n<p>Maar anders dan bij Palmen leidde het succes niet tot zelfbewustzijn. &#8216;Het drong niet tot me door en als het dat wel deed, geloofde ik het niet. Als iemand me een compliment geeft, heb ik de neiging terug te deinzen, alsof het niet waar is. Altijd gehad. Ik heb bovendien een katholieke opvoeding genoten, geleerd dat je voor je naasten beter moet zijn dan voor jezelf. Aan jezelf dacht je niet. En ik heb van mijn moeder een behoorlijke opvoeding in bescheidenheid gehad, heb geleerd me op de achtergrond te houden. Desondanks wilde ik altijd schrijven. Een beetje tegenstrijdige combinatie. Het is natuurlijk makkelijker om schrijver te zijn als je ook naar buiten durft te komen. Ik was vroeger als de dood voor lezingen, voor publiek. Dat leer je af. Ik vind het nu zelfs leuk om mensen te vermaken. Maar het bevalt me nog steeds het beste om me in mijn boeken te verstoppen, achter mijn personages.&#8217;<\/p>\n<p>Haar bescheidenheid klinkt haast onwaarachtig. Als ze over haar tijd bij Propria Cures zegt: &#8216;Ik maakte alleen maar verhaaltjes, dat was niet zo veel bijzonders,&#8217; knik je voor je het weet beleefd instemmend, tot je bedenkt dat ze het over de veel geprezen verhalen uit Allemaal tranen heeft. Of als ze praat over haar tijd in de redactie van Maatstaf, met Gerrit Komrij, Dirkje \u2013 toen nog William \u2013 Kuik, Theo Sontrop en Martin Ros: &#8216;Ik dacht: wat doe ik hier. Er vielen zo veel namen. Ze gingen ook allemaal naar antiquariaten en kwamen met tassen aanzetten vol eerste drukje dit, eerste drukje dat. Ik keek mijn ogen uit. Na twee vergaderingen heb ik opgezegd.&#8217; Uiteindelijk zat ze acht jaar bij Maatstaf. En als je haar vraagt of ze niet trots is op de ruim twintig &#8216;grotemensenboeken&#8217; en &#8216;kinderboeken&#8217; die ze tot nog toe heeft geschreven, antwoordt ze laconiek: &#8216;Als ik mijn tas met mijn boeken vul om ergens op te treden denk ik: die wordt steeds zwaarder. Terwijl ik toch steeds roep: o wat is het moeilijk, ik kan niets, hoe krijg ik iets af.<\/p>\n<p>Maar ik heb ook klappen gehad,&#8217; verklaart ze. &#8216;In de jaren tachtig werd men zuiniger. De hardste kritiek kwam bij Engelbert. Ik durfde de auto niet meer uit als ik mijn zoontje van school kwam halen. Ik schaamde me zo, vooral voor mijn personage. Die koester ik alsof het mijn kinderen zijn, zij hebben de klappen toch niet verdiend. Ik denk ogenblikkelijk als iemand mijn werk niets vindt: die zal wel gelijk hebben.&#8217;<\/p>\n<p>Even is ze stil. &#8216;Maar ik houd wel van al mijn boeken. Patricia de Martelaere zei een keer dat ze niets meer te maken wil hebben met een boek dat af is, het vervult haar met afschuw. Mij niet. Vooral mijn personages zijn me dierbaar.&#8217;<\/p>\n<p>En op staat ze weer. Naar de gang, waar net de avondkrant door de brievenbus is gevallen, waarin De gelukkige wordt besproken. Volgt een kleine leespauze. Dit keer vallen er geen &#8216;klappen&#8217;: de kritieken in Vrij Nederland, De Volkskrant en de NRC zijn allemaal positief. Er valt geen onvertogen woord, nu ja, behalve dat het weer een treurig boek is. &#8216;Als ik jaren aan een boek werk,&#8217; zegt ze, &#8216;en de lezer vindt dat ik een dramatisch, somber boek heb geschreven, dan kan ik daarvan schrikken. Ik realiseer het me niet dat het treurig is en ik weet niet hoe ik het gedaan heb.&#8217;<\/p>\n<p>Hoe dan ook mag er best wat gevierd worden, met het boek gaat het tot dusverre meer dan goed. Dus naar de keuken, waar de champagne wordt ontkurkt. Nu we toch proosten, waarom heet een niet al te vrolijke roman eigenlijk De gelukkige? &#8216;Dat is heel simpel,&#8217; legt Mensje van Keulen uit. &#8216;Iedereen kent het wel, het idee dat iemand anders gelukkig zal zijn omdat hij dit en dat bezit, dit en dat leven leidt, er zus en zo uitziet. Het is zo menselijk om te denken dat anderen het beter hebben. Maar dat is helemaal niet zo. Mijn hoofdpersoon is het type van de gelukkige, ze heeft alles. Maar iemand die een aardig leven heeft, kan alleen al omdat zijn pijndrempel anders ligt toch het nodige te lijden hebben.&#8217;<\/p>\n<p>Opmerkelijk is het wel, die aandacht voor het ongeluk van een gelukkige. Ze heeft immers altijd een voorkeur voor &#8216;gewone&#8217;, &#8216;volkse&#8217; personages gehad, voor mensen die door het leven niet erg verwend zijn geraakt. Hans Warren noteerde daar ooit in een van zijn dagboeken over: &#8216;Ik snap niet dat zo&#8217;n briljante vrouw over die kleinburgerlijke types kan schrijven.&#8217; Ze haalt haar schouders op: &#8216;Veel mensen die ik beschreven heb zijn er heel wat minder aan toe dan de vrouw in De gelukkige. Ze hebben simpeler baantjes en minder geld, zijn minder behuisd. Maar &#8220;gewoon&#8221;? Ik vind niet zo snel iemand gewoon. Misschien komt dat omdat ik zogenaamd uit een gewone familie kom, voor wie ik ook wel schaamte voelde. Zoals voor mijn oom die zo plat sprak \u2013 wat ik in Olifanten op een web heb beschreven \u2013 terwijl ik ook wist dat hij de vriendelijkste ziel is die op aarde rondloopt. Naarmate ik ouder word krijg ik steeds meer respect voor mensen die weinig hebben en toch tevreden kunnen zijn. Ik kan dat niet. Ik denk dat ik in de ogen van veel mensen een benijdenswaardig leven leid, maar dat wil niet zeggen dat het altijd zo voelt.&#8217;<\/p>\n<p>En nog iets over die somberheid. &#8216;De mooiste boeken, de literatuur die beklijft, de ontroerendste muziek \u2013 het is allemaal somber. Ik hou van opera en opera kan me niet droevig genoeg zijn en niet slecht genoeg aflopen. Madame Bovary, Anna Karenina, Effi Briest, ze gaan allemaal op hun ondergang af en ik geniet ervan. Waarom? Het heeft met een eerlijk soort schoonheid te maken. Als ik naar Rossini heb geluisterd verlang ik meteen naar Wagner. Als mijn personages ongelukkig zijn en het lukt me dat goed op te schrijven, voel ik me voldaan. Ik wil de realiteit verhevigen. Anders kan ik net zo goed in de tram gaan zitten en opschrijven wat ik zie.&#8217;<\/p>\n<p>&#8216;Ik heb een zwartgallige kant, maar ook een lichte en frivole. Ik hoef maar in de krant te lezen over een zestienjarige op een brommer en een spoorwegovergang of ik ben van slag. Ik weet dat de boze buitenwereld slechter en treuriger is dan je maar kunt verzinnen, maar elke keer schrik ik er weer van. En omdat ik de werkelijkheid ondraaglijk vind, trek ik me terug in fictie. Je kunt zeggen: vlucht ik in fictie. Want somberheid in fictie is beter te dragen, huilen om kunst is een heel ander soort huilen dan om de werkelijkheid.&#8217;<\/p>\n<p>Schrijven is bezweren, dat ondervond Mensje van Keulen vooral bij het schrijven aan Olifanten op een web, de kroniek naar aanleiding van de dood van haar moeder. &#8216;Het klinkt bijna infantiel, maar ik had het idee dat mijn moeder onsterfelijk was en dat wilde ik vasthouden in het boek. Het schrijven aan Olifanten op een web is voor mij heel vreemd geweest: aan het eind had ik het gevoel van een triomf. Ik had het boek af, ik had over mijn moeder geschreven, dat had de dood me toch niet afgepakt. Ik was hem echt als een personage gaan zien, als die vergallende man met de zeis. Ik heb hem op een gegeven moment zo aangesproken, alsof hij achter in het crematorium stond toe te kijken. Waarom niet? Iedereen kan zomaar dood neervallen. Toen het boek af was, had ik even van hem gewonnen.<\/p>\n<p>Ik ben anders als ik schrijf,&#8217; vertelt ze. &#8216;Ik trek een cocon om me heen, alsof de buitenwereld er niet toe doet. Daardoor ben ik minder kwetsbaar, al schep je iets dat je weer heel kwetsbaar maakt. Maar een van de verrukkingen van het schrijven is dat het de factor tijd weg haalt. De pijn dat alles verglijdt, dat het voor je het weet donker is en de dag weer voorbij, dat we sterfelijk zijn. Als ik echt aan het schrijven ben, verkeer ik in een roes. In wat voor kleine ruimte ik ook zit, ik voel me heel groot.&#8217;<\/p>\n<\/p><\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Mensje van Keulen koestert haar personages alsof het haar kinderen zijn. Toch gaan ze vaak hun ongeluk tegemoet. Ook haar nieuwste romanfiguur, de hoofdpersoon van &#8216;De gelukkige&#8217;, ontkomt niet aan dat lot. De schrijfster geniet daarvan: &#8216;Het heeft met een eerlijk soort schoonheid te maken.&#8217;<\/p>\n","protected":false},"author":1023,"featured_media":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"content-type":"","footnotes":""},"categories":[95,9,97],"tags":[3081,783],"acf":[],"author_name":"Xandra Schutte","_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/126863"}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/types\/post"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/comments?post=126863"}],"version-history":[{"count":0,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/126863\/revisions"}],"author":[{"embeddable":true,"name":"Xandra Schutte","href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/users\/1023"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/media?parent=126863"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/categories?post=126863"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/tags?post=126863"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}