
 {"id":124513,"date":"2006-02-25T00:00:00","date_gmt":"2006-02-24T22:00:00","guid":{"rendered":"http:\/\/beta.vn.nl\/tot-mijn-veertigste-heb-ik-in-een-niet-aflatende-storm-geleefd\/"},"modified":"2006-02-25T00:00:00","modified_gmt":"2006-02-24T22:00:00","slug":"tot-mijn-veertigste-heb-ik-in-een-niet-aflatende-storm-geleefd","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/www.vn.nl\/tot-mijn-veertigste-heb-ik-in-een-niet-aflatende-storm-geleefd\/","title":{"rendered":"\u2018Tot mijn veertigste heb ik in een niet aflatende storm geleefd\u2019"},"content":{"rendered":"<p>In zijn fraaie achterhuis aan de Keizersgracht, uitkijkend over winterse grachtentuinen, zegt Oek de Jong een beetje verlegen: \u2018Nee, ik heb de toneelvoorstelling Hokwerda\u2019s kind nog steeds niet gezien. Het stuk is anderhalf jaar geleden in premi\u00e8re gegaan, heeft prachtige recensies gekregen, is onlangs zelfs in reprise genomen, maar ik wilde mijn eigen beelden niet laten verdringen door de voorstelling. Maar nu er weer een boek uit is en ik flink gevorderd ben met een nieuwe roman, verdwijnt Hokwerda\u2019s kind achter de horizon. Ik denk dat ik van de week ga kijken.\u2019<\/p>\n<p>Je schrijft in \u2018De wonderen van de heilbot\u2019, het dagboek dat je bijhield tijdens het schrijven van \u2018Hokwerda\u2019s kind\u2019: \u2018Ik moet mezelf opnieuw uitvinden als romanschrijver.\u2019 Wat heb je ontdekt?<\/p>\n<p>\u2018Toen ik aan Hokwerda\u2019s kind begon, had ik bijna veertien jaar geen roman meer geschreven. Ik was de routine kwijt en ik wist niet meer wat voor romanschrijver ik eigenlijk was. Hokwerda\u2019s kind is de eerste roman waarbij ik me tijdens het schrijven volledig bewust ben geweest van wat ik aan het doen was, volledig bewust van het metier. Bij Opwaaiende zomerjurken ging ik voornamelijk intu\u00eftief te werk. Bij Hokwerda\u2019s kind heb ik veel nagedacht over schrijvers die me inspireerden: Tsjechov, Tolstoj, Kawabata en Carver. Ik ben me gaan verdiepen in de geschiedenis van de roman, de ontwikkeling van het genre. En het belangrijkste dat ik heb ontdekt, is iets dat mijn lezers al vijfentwintig jaar weten: dat ik een romanschrijver pur sang ben. Vorig jaar heeft Milan Kundera een schitterend essay over de roman gepubliceerd, Le rideau. Kundera beschouwt de roman als een van de belangrijkste uitvindingen van onze beschaving; hij noemt het een instrument, een ladder waarmee je afdaalt in de menselijke geest. Er is, zegt hij, geen ladder waarmee je dieper komt.\u2019<\/p>\n<p>Van \u2018Hokwerda\u2019s kind\u2019 werd gezegd: een roman met naturalistische noodlottigheid. Anderen hadden het zelfs over \u2018deterministische trekjes\u2019.<\/p>\n<p>\u2018Uit de reacties op Hokwerda\u2019s kind kon je opmaken dat we leven in een tijd dat mensen er van overtuigd zijn dat het leven maakbaar is, dat zij als individu de vrijheid hebben om te zijn wie ze willen zijn. Dat wordt ze van alle kanten wijsgemaakt en aangepraat, terwijl ik er van overtuigd ben dat je in hoge mate het product van je ouders bent, alleen al genetisch is dat zo. Ik ga steeds duidelijker zien hoe ik de eigenschappen van mijn vader en moeder in mijzelf verenig. Het lijkt of we een compleet ander leven leiden, maar dat is maar schijn, de bandbreedte is veel kleiner dan we elkaar wijsmaken. Belangrijk in de relatie tot mijn ouders is dat ik op een dag besloten heb mijn ouders te gaan interviewen. Misschien ben ik daartoe wel ge\u00efnspireerd door Andreas Burnier, die mij ooit gezegd heeft: \u201cEigenlijk zou ieder mens een biografie van zijn vader en moeder moeten schrijven, hoe kort ook.\u201d Ik ben begonnen met mijn moeder. Een paar maanden lang ben ik iedere zaterdag naar haar toegegaan. Dan zaten we aan de keukentafel met een bandje erbij. Het is het langste en intiemste gesprek geweest dat ik ooit met mijn moeder heb gevoerd. Het heeft bij mij veel liefde gegenereerd. Mijn moeder, die inmiddels dood is, is geboren in 1926. Ze was een vrouw met een beperkte ontwikkeling. Anticonceptie is voor haar net te laat gekomen. Ze heeft vijf kinderen gehad, is negen keer zwanger geweest, \u00e9\u00e9n kindje is doodgegaan, drie miskramen. Ik ben in 1952 als oudste geboren na een bijzonder ongelukkige zwangerschap. Mijn moeder raakte zwanger voordat ze getrouwd was en dat was in een gereformeerd milieu in de jaren vijftig een groot drama. Ze is overhaast getrouwd in een gehuurde trouwjurk. Dat was de straf die ze van haar ouders kreeg: een gehuurde trouwjurk. Er heeft een raar soort noodlot over mijn geboorte gehangen. Mijn moeder heeft altijd het gevoel gehad dat ze de ongelukkige staat waarin ze mij gedragen heeft, in mij terugzag.<\/p>\n<p>Als kind was ik lastig. Tot mijn veertigste heb ik in een niet aflatende storm geleefd. Nu ben ik, voor zover ik weet, alleen nog echt lastig voor mijzelf, mijn vriendin en mijn uitgever. Nadat de kinderen het huis uit waren, zijn mijn ouders gescheiden. Mijn moeder, van jongs af aan opgesloten in haar levensangst, is nooit uit de verf gekomen. Ik heb daar nachten van wakker gelegen, beklemd door het beeld van de eenzaamheid van haar leven waar ik niets aan kon veranderen.\u2019<\/p>\n<p>En je vader?<\/p>\n<p>\u2018Mijn vader heeft zich wel degelijk weten te realiseren. Al mijn talenten komen eigenlijk van hem. Hij was rector, gaf Nederlands en geschiedenis. Regisseerde op school het schoolcabaret. Een man met zowel muzikale als literaire talenten. In de vierde en vijfde klas van het gymnasium heb ik les van hem gehad. Dat was niet aangenaam. Het was ook niet prettig om op een kleine school van driehonderdvijftig leerlingen voortdurend geconfronteerd te worden met je vader als autoriteit. En dan ook nog eens net in de jaren dat de gezagsverhoudingen geweldig onder spanning kwamen te staan. Thuis waren er felle conflicten over godsdienst. Die debatten vonden altijd plaats in de studeerkamer van mijn vader en eindigden steevast in geschreeuw. Dan kwam mijn moeder haastig thee brengen om het te sussen. Voor mijn ouders was mijn geloofstwijfel een schok. Hun hele huwelijk, hun hele levensvisie was gebaseerd op het geloof. Wat zij in de jaren twintig, dertig hadden overgenomen van hun ouders in een eeuwenlange ongebroken keten van geloofsoverdracht, zagen ze onder hun ogen verdwijnen. In Drachten, waar mijn vader vandaan kwam, werd in de jaren dertig onder gereformeerden nog ernstig nagedacht over de vraag of je op zondag mocht fotograferen. Voor mijn vader is het in de jaren zestig echt een beslissing geweest om op zondag te gaan tanken. Zondag was immers een rustdag en dan mocht je ook andere mensen niet voor je laten werken. Zo heeft hij ook lang geaarzeld of er op zondag wel ijs of friet aangeschaft kon worden voor de kinderen. Ik behoor tot de laatste generatie die daar middenin heeft gestaan; ik voel wat dat betreft gek genoeg een verbinding met huidige moslimmilieus. Ouders die gechoqueerd zijn over hoe hun kinderen zich ontwikkelen, en kinderen die heen en weer geslingerd worden tussen loyaliteit en verzet, ik weet er alles van.<\/p>\n<p>Op de een of andere manier heeft mijn leven dikwijls in het teken gestaan van verscheurde loyaliteiten. Tot mijn zevende heb ik in Dokkum gewoond, waar mijn vader leraar was. Daarna verhuisden we naar Zeeland, omdat hij rector kon worden in Goes. Voor hem een promotie, voor mij een grote schok. Ik was een nerveus, overgevoelig, angstig kind. Ik had een lui oog en moest ieder jaar een paar weken met een afgeplakt oog lopen. Dat bracht me in een scheve verhouding tot andere kinderen. Toen we weggingen, had ik het Fries net onder de knie. Thuis spraken we altijd Nederlands. Van mijn grootvader, die meubelmaker was, had ik een polsstok gekregen. Ik was altijd aan het slootje springen. Na school was het meteen: laarzen aan, korte broek. En dan oefenen. Net toen ik Fries kon spreken en over sloten kon zwiepen, gingen we naar Goes waar ik in een compleet andere taal terecht kwam. Op school ben ik nog twee weken lang koppig Fries blijven spreken, maar toen moest ik het opgeven. De hele lagere school ben ik het als een verraad blijven voelen om het Zeeuwse volkslied mee te zingen, dus meestal mimede ik dat maar zo\u2019n beetje mee.\u2019<\/p>\n<p>In je dagboek schrijf je: \u2018Het is mijn grootste blunder dat ik mezelf ooit badinerend een mysticus heb genoemd.\u2019 Heb je het gevoel dat het je schade heeft berokkend?<\/p>\n<p>\u2018Ja, ik heb lang nagedacht over de heftigheid van de kritiek op De inktvis. Ik denk dat de hardheid en agressiviteit ervan een reactie was op het succes van Opwaaiende zomerjurken en Cirkel in het gras. In De inktvis heb ik mezelf kwetsbaar gemaakt en ik werd meteen keihard aangepakt. Maar er speelde ook iets anders mee: een typisch Hollandse angst voor alles wat met religie te maken heeft. Toen mijn werk vertaald werd en ik met buitenlandse uitgevers in contact kwam, merkte ik dat er nergens anders zoveel agressie bestaat ten opzichte van het religieuze als bij ons. Nederland is drie, vier eeuwen lang het meest religieuze land in Europa geweest, we hebben onder de knoet van allerlei godsdienstwaanzin geleefd, misschien dat dat iets van die heftigheid verklaart. Kijk eens naar de merkwaardige manier waarop religie en mystiek lange tijd zijn weggemoffeld in de beschouwingen over de po\u00ebzie van Hans Faverey, Paul van Ostaijen, Kees Ouwens, Lucebert.<\/p>\n<p>Ik kan me voorstellen dat een boek niet altijd meteen geplaatst kan worden. Maar om, zoals Arnold Heumakers bij mij deed, dan maar meteen te concluderen dat je als schrijver gestorven bent: dat is krankzinnig. Als een schrijver zich eenmaal gekwalificeerd heeft als schrijver, moet je hem het voordeel van de twijfel geven, zou je hem de mogelijkheid moeten bieden eens met een experiment te komen. Beeldend kunstenaars krijgen veel meer de kans dingen uit te proberen zonder meteen afgeschoten te worden. Zoiets verpest het klimaat. Het is niet toevallig dat tegenwoordig steeds meer auteurs zichzelf vastzetten in een succesrijk stramien en daar eindeloos mee doorgaan.\u2019<\/p>\n<p>In je essaybundel \u2018Een man die in de toekomst springt\u2019 zet je de schilders Friedrich en Bacon neer als twee tegenpolen: Friedrichs zucht naar zingeving en symbolen tegenover Bacons rauwe en illusieloze lichamelijkheid. Je beschrijft jouw eigen positie als iets daar tussenin. Je eindigt het hoofdstuk met: \u2018Ik leef en ik schrijf, ik verzamel beelden en idee\u00ebn en te samen vormen ze mijn zinrijk dat aan gestage verandering onderhevig is. Het is een tentje dat ik overal op kan zetten, een licht ding.\u2019<\/p>\n<p>\u2018Dat is nog steeds mijn positie en ik denk dat dat ook zo zal blijven. Onze overlevingskansen zijn eenvoudigweg groter als we ons leven zin weten te geven, het veraangenaamt ons bestaan. Ik ontleen het woord \u201czinrijk\u201d aan de dichter Chris van Geel. Ik zie mijn zinrijk dus niet als een huis, iets onbeweeglijks, maar als een tentje. Het beschermt tegen de ergste wanhoop en kou en maakt het me mogelijk om van het leven te houden. Maar ik blijf altijd beseffen dat het maar een tentje is, een constructie.\u2019<\/p>\n<p>Schrijven beschreef je ooit als een soort praten tegen vrienden om ze iets over jezelf te vertellen.<\/p>\n<p>\u2018Dat is lang geleden. Maar toen ik Opwaaiende zomerjurken schreef, voelde ik me inderdaad zo ge\u00efsoleerd dat ik bij het schrijven van het boek het gevoel had dat ik in gekostumeerde vorm iets aan mijn vrienden uitlegde. Na Cirkel in het gras is dat isolement ontaard in een grote crisis. HP\/De Tijd schreef er een lacherig stuk over: \u2018De hellevaart van Oek de Jong\u2019, maar voor mij waren die jaren een groot drama. Ik was in full swing als schrijver en ineens vervulde het schrijven me met weerzin. Zelfs met een simpel briefkaartje had ik problemen. Alsof je als violist ineens geen geluid meer uit je instrument krijgt. E\u00e9n grote blokkade. Als de telefoon gaat, verstarren en niet in staat zijn hem op te pakken. Pas je huis verlaten nadat je hebt vastgesteld dat er op straat niemand is die je zult moeten groeten. In gezelschap voel je je bijna altijd alleen en dat vervult je met wrok jegens de anderen.\u2019<\/p>\n<p>In je dagboek schrijf je boos: \u2018Ik moet naar de dokter. Pillen halen. Maar ik wil geen pillen.\u2019<\/p>\n<p>\u2018Ik zag de depressie als een onderdeel van mijn psychische systeem. Dat had te maken met mijn opvoeding, mijn ouders, mijzelf. Ik wilde daar doorheen, het niet wegpoetsen met pillen. Ik zag de depressie als een vijand die ik moest verslaan. Wilde hem analyseren in plaats van afdempen met pillen. Ik weiger mezelf alleen maar als een chemische fabriek te zien. Met zo\u2019n idee kan ik niet leven. Ik herinner me hoe ik in die tijd aan het klussen was in huis. Met een breekijzer wrikte ik een lattenstelsel van de muur en terwijl ik daarmee bezig was, besefte ik: dit is wat ik aan het doen ben, ik ben in mijzelf een heel oud systeem aan het loswrikken en afbreken omdat ik het niet meer nodig heb. Ik besloot in therapie te gaan en tegelijkertijd ben ik twee dagen per week gaan werken met zwakzinnigen in de tuinderij van Schorlewald, een antroposofische inrichting.<\/p>\n<p>Zwaar fysiek werken bleek een goed antidepressivum. De eerste keer dat ik er heen ging, was ik doodsbang. Ik liep over een zonnig grasveld naar een gebouwtje voor een eerste gesprek en op die snikhete zomerdag kwam er een jongen naar me toe met een capuchon over zijn hoofd. Hij ging recht voor me staan en vroeg doordringend: ken jij mij? Ik wist meteen: het klopt dat ik hier ben. Iedere vrijdagochtend stapte ik om zeven uur op de trein. Ik verkeerde dan in een vreselijke toestand, het was alsof ik door modder waadde. Iedereen maakt zijn eigen definitie van wat een depressie is, voor mij is het een staat van absoluut afgesneden zijn. Van je vitaliteit, van de dingen, van de mensen. Het is absoluut de dood van de ziel. Je hebt te maken met een verlamming van de wil, verkeert in een staat van voortdurende droefheid. Na een dag hard werken op de akkers van de tuinderij klaarde dat op. Ik logeerde daar, en \u2019s avonds werd ik steeds helderder, ik begon zelfs weer te lezen. In het voorjaar van 1995 had ik na tien jaar voor het eerst weer zin om te schrijven.\u2019<\/p>\n<p>Dat resulteerde in \u2018Hokwerda\u2019s kind\u2019, dat door de kritiek bejubeld werd als de comeback. Geroemd werd vooral de manier waarop je over erotiek schreef. Hans Goedkoop had het zelfs over \u2018aanstekelijke en in onze letteren niet vaak vertoonde dampende lust\u2019.<\/p>\n<p>\u2018Gerrit Krol noemde schrijven over erotiek ooit de lakmoesproef van een schrijver. Ik snap wat hij bedoelt. In een sekssc\u00e8ne is het geringste gebrek aan subtiliteit meteen fataal. Tot mijn verbazing heb ik gemerkt dat schrijven over seks me eigenlijk geen moeite kost. Het voornaamste probleem is de terminologie. Tussen wetenschappelijk jargon en schuttingtaal bestaat eigenlijk niks. Ik heb er wel eens een bargoens woordenboek bij gepakt, maar aan die vijfentwintig synoniemen voor penis heb je niks, daarmee kom je al snel in het komische of volkse terecht. Toch, als je het hebt over de vernieuwing van de roman, denk ik dat er juist op het gebied van erotiek en intimiteit veel nieuwe mogelijkheden liggen. Nabokov beziet de roman in termen van evolutie. De Europese roman weerspiegelt voor hem de ontwikkeling van het Europese bewustzijn, laat zien wat we publiek durven maken, wat we belangrijk vinden, hoe we het leven zien. Pas halverwege de negentiende eeuw bijvoorbeeld is Tolstoj de eerste geweest die over een bevalling heeft geschreven. Een van de belangrijkste gebeurtenissen in het leven. Maar over seks kon Tolstoj nog niet schrijven. In Anna Karenina kun je de liefde van Anna en Wronski op een gegeven moment niet meer navoelen omdat de seks buiten beeld moest blijven. Terwijl van Tolstoj bekend was dat het een fysieke, viriele man was die veel seks had. Zijn vrouw heeft elf, twaalf kinderen gebaard en hij deed het op zijn landgoed met alle meisjes van het dorp. Ik weet zeker dat hij daar goed over had kunnen schrijven. Ik mis dat in zijn boeken, net zoals ik dat bij Couperus heb gemist. Van een echte schrijver verwacht ik dat hij onbekende contreien opzoekt. Dingen waar we ons nog nauwelijks van bewust zijn proberen in een boek te brengen, d\u00e1t is waar een roman voor dient. Reve heeft de weg gewezen als het om erotiek gaat. Sekssc\u00e8nes met veel overpeinzingen en getob die wel veertig pagina\u2019s duren, daarmee heeft hij aangetoond dat je met een erotische sc\u00e8ne heel wat meer kunt laten zien dan seks. Ik beschouw Reve als de godfather van de sekssc\u00e8ne in de Nederlandse literatuur.\u2019<\/p>\n<p>\u2018De wonderen van de heilbot\u2019 is niet alleen een schrijversdagboek, het is ook een dagboek over jou met Jeanne, jouw vriendin.<\/p>\n<p>\u2018Ik heb haar ontmoet bij Frans Kellendonk. Zij deed veel voor hem. Toen hij aids had gekregen en de ziekte hem invalide had gemaakt, reed zij zijn rolstoel, kookte voor hem, en ging met hem naar het ziekenhuis. Hij was erg op haar gesteld, hoewel hij over het algemeen niet goed was met vrouwen. Tussen mij en Jeanne is het heel langzaam op gang gekomen.\u2019<\/p>\n<p>Aarzelt even, zegt dan: \u2018Ik ben in mijn boeken mijzelf vaak vooruit; ik lig in de schrijverij voor op wat er later in de werkelijkheid gebeurt. In mijn boek De inktvis wordt een min of meer autistisch jongetje door de abt de stad ingestuurd. Dat jongetje voelt zich aangetrokken door de extraversie van de markt. De markt neemt uiteindelijk een belangrijke plaats in bij het genezingsproces van dat jongetje.<\/p>\n<p>Dat Jeanne op de markt stond, was voor mij een bijna magisch signaal. Ik weet nog hoe ik naar de Noordermarkt fietste, alleen om Jeanne daar te zien achter haar kraam met Frans aardewerk en zelfgekweekte bloemen. Op een dag, tijdens mijn tocht erheen, aarzelde ik. Dacht: als ik nu doorrijd, stap ik er echt in. Ik weet dat ik nog een paar keer in de remmen van mijn fiets heb geknepen, maar ik wist allang: hier kan ik niet meer omheen.\u2019<\/p>\n<p>In je dagboek beschrijf je haar boeketten bijna als een lustobject, wulps en sensueel.<\/p>\n<p>\u2018Ik krijg vaak kleine boeketjes op mijn bureau. Zoals sommige vrouwen zich prachtig kunnen kleden zonder er bij na te denken, zo gaat zij met bloemen en planten om. Ze kijkt veel naar zestiende- en zeventiende-eeuwse schilderijen, kweekt bloemen die je nooit in winkels of op markten ziet. De wetenschap der bloemen is ooit de \u201cscientia amabilis\u201d genoemd, als je naar Jeanne kijkt, snap je dat. Toen ik haar op mijn veertigste tegenkwam, had ze al een enorme levenservaring. Ze heeft twintig jaar heel wild geleefd. Er bestaat een prachtig muzikaal portret van haar: een pianosonate van Schumann voor piano en viool, dat is precies Jeanne: lichte, dansende muziek. Jeanne heeft een snelle, artistieke geest. Ze staat bekend om haar vermogen om fantastische maaltijden en feesten te organiseren. Dat huis van haar, hoe vaak daar niet tafels aan elkaar geschoven zijn. Als het huis gevuld is met vijftien, twintig, vijfentwintig mensen is zij helemaal gelukkig. Zij heeft dat volle Brabantse katholicisme bij zich. Zij wil de dingen vieren, alles wordt aangegrepen. Jeanne oordeelt nooit. Halfgekke of agressieve mannen in de kroeg die ik liever uit de weg ga, spreekt zij aan met een grap en dan worden het lammetjes. Jeanne kan met de gekste mensen omgaan. Randfiguren interesseren haar.\u2019<\/p>\n<p>Hij schiet in de lach: \u2018Ik ben eigenlijk ook een soort randfiguur voor haar.\u2019<\/p>\n<p>Je noemde net de naam van Frans Kellendonk. Hoe belangrijk was hij voor jou?<\/p>\n<p>\u2018Frans was een geestverwant. Hij betekende voor mij een belangrijke morele en literaire standaard. Frans schreef altijd met het mes op tafel. Het was een ingewikkelde vriendschap, hij was heel afstandelijk en kon soms boosaardig zijn. Een van de boeken die hij niet heeft kunnen schrijven, heette \u2018Kwaad daglicht\u2019, een echte Kellendonk-titel.<\/p>\n<p>Die bezoeken aan een stervende Frans heb ik moeilijk gevonden. Hij lag in een groot bed in een kamer op de begane grond in zijn huis in de Bethani\u00ebnstraat. Een langwerpige kamer met achterin een lichtkoepel en een nis met een mooi bad. Het had iets Romeins. Hij was ongelooflijk sober, maar daarin had hij zichzelf echt iets toegestaan. Hij heeft daar een jaar gelegen. Ik schaamde me soms kapot als ik binnenkwam na een stuk hardlopen, stuiterend van vitaliteit. Ik was jong, begin dertig, had geen enkele ervaring met stervende mensen en Frans maakte het nog moeilijker door soms tien, vijftien minuten zwijgend in zijn bed te liggen. Maar op een dag gooide hij de deken van zich af, ging in kleermakerszit op bed zitten en heeft een avond lang verteld hoe het was om dood te gaan. Hij besefte dat hij niet door kon gaan met kwaad en jaloers blijven op iedereen die doorging met leven.<\/p>\n<p>Zijn laatste verjaardag was heel ontroerend. Iemand zien in de context van zijn familie kan soms heel onthullend zijn. Bij Frans, die vaak heel stijf en afgemeten was, was dat nog aangrijpender. Van zijn moeder kreeg hij een dikke wollen trui, een bizar cadeau voor iemand die waarschijnlijk nooit meer buiten zou komen. Twee weken later zou hij zelf het besluit nemen er een eind aan te maken. Ik heb nog een bijna fotografisch beeld van hoe Frans, zittend in bed, zijn armen onhandig in die trui steekt.<\/p>\n<p>Op de avond dat hij gestorven was, heeft de familie Ed Spanjaard en mij gebeld of wij wilden komen. Samen met Jan Duyx, de vriend van Frans, hebben we daar toen een aantal uren doorgebracht. Het laatste wat Frans gedaan had, was luisteren naar een aria van Purcell: \u2018Remember me, but forget my fate\u2019. Het is de aria van Dido als ze zich op de brandstapel werpt. Dat was ook de tekst die uiteindelijk op de rouwkaart kwam te staan. Als aandenken aan Frans heb ik de grote radiocassetterecorder gekregen die Frans naast zijn bed had staan en die zijn laatste verbinding met de buitenwereld vormde. Ik had hem altijd op Radio 4 staan. Vorig jaar weerklonk ineens de aria \u2018Remember me, but forget my fate\u2019. Ik stond aan de grond genageld. Daarna heb ik de radio uitgezet. Toen ik hem de volgende dag weer wilde gebruiken, was hij stuk. Niet gevallen, niks mee gebeurd. Zomaar opgehouden. Krankzinnig, h\u00e8?\u2019<\/p>\n<p>&#8216;Ik heb het werk van Oek de Jong gelezen in omgekeerde volgorde. An\u00ad\u00adtoine Gallimard, mijn baas, en ik brachten vijf jaar geleden een bezoek aan Nederland, net op het moment dat Hokwerda&#8217;s kind uitkwam. Het boek werd begroet als de grote comeback van Oek de Jong.<\/p>\n<p>Toen ik het boek had gelezen, was ik diep onder de indruk. Wat een taal, wat een prachtige beelden. Ofschoon het een zeer Hollands boek is, vonden we het zo universeel dat we toch besloten het uit te geven. De wijze waarop Oek de Jong het thema intimiteit uitwerkt, is werkelijk prachtig. Dat hebben de critici in Frankrijk ook onderkend. Frankrijk zit niet bepaald te wachten op Nederlandse literatuur, maar Hokwerda&#8217;s kind is bijzonder goed ontvangen. Prachtige kritieken en enthousiaste boekhandelaren.<\/p>\n<p>Gallimard is geen uitgever van losse boeken, wij houden niet van korte liaisons met schrijvers. Wij zetten een oeuvre neer. Daarom hebben we inmiddels ook de rechten van Opwaaiende zomerjurken gekocht. Ik beschouw dat als een klein meesterwerk. Onbegrijpelijk dat hij nog maar zo jong was toen hij het schreef.<\/p>\n<p>Ik was verrast toen ik de rest van zijn werk leerde kennen. De drie romans van Oek de Jong lijken bijna door drie verschillende schrijvers geschreven te zijn. Opwaaiende zomerjurken is heel sensitief, Cirkel in het gras slim en intellectueel, Hokwerda&#8217;s kind soms zeer wreed en gewelddadig.<\/p>\n<p>Ik beschouw hem als een groot, klassiek schrijver en kijk nu al uit naar zijn volgende roman. Hij verdient het om vertaald en gelezen te worden in veel landen.&#8217;<\/p>\n<p>Jean Mattern, redacteur Gallimard<\/p>\n<p>&#8216;Bij het lezen van de eerste boeken van Oek de Jong en Frans Kellendonk was het voor mij alsof de gordijnen werden opengetrokken. Alsof er eindelijk zon binnenkwam na die vervelende jaren zeventig. Mensen denken vaak dat Oek de Jong een moeilijke, depressieve man is, maar dat is niet het beeld dat ik van hem heb. Hij is geen wereldvreemde tobber, integendeel. Ik vind hem nieuwsgierig en levenslustig, zou graag iets van zijn levenslust hebben.<\/p>\n<p>Ik heb nooit begrepen waarom de kritiek De inktvis zo heeft neergesabeld. Ik denk dat critici na die dikke romans te makkelijk dachten: hij heeft er even twee verhaaltjes uitgeramd. Ze hebben niets begrepen van die basale, bijna spookjesachtige vertelvorm. Oek is niet bezweken voor de verleiding nog een Opwaaiende zomerjurken te schrijven of een tweede Cirkel in het gras. Hij gaat de weg van een echte schrijver. Voegt zich niet in het literaire spel waarin schrijvers de producenten zijn en lezers consumenten.<\/p>\n<p>Oek schrijft wat hij zelf wil schrijven. Hij is een meester in het opbouwen van een roman die een organische indruk maakt maar toch heel gestructureerd is. Dat vinden Hollandse critici lastig. Die houden meer van Harry Mulisch, daar kun je precies zien hoe het boek in elkaar zit. Bij Oek zie je het timmerwerk niet. Wie daartoe in staat is, beschikt over een grote techniek. Een kunstenaar moet het ambacht beheersen. Het doel is uiteindelijk dat je alles kunt maken wat je wilt maken. Daar is Oek aardig dicht bij in de buurt gekomen. Je zou verwachten dat al die ambachtelijkheid een kunstig rederijkersproza oplevert, maar nee hoor, Oek verrast iedereen met zoiets woest sensueels als Hokwerda&#8217;s kind.&#8217;<\/p>\n<p>Marcel M\u00f6ring<\/p>\n<p>&#8216;De boeken van Oek de Jong en zijn vriend Frans Kellen\u00addonk hebben me sterk doen nadenken over de aard van het schrijven. Zij hebben mijn vorming bepaald. Bij beiden draait het om het afrekenen met of een plaats geven aan de religieuze opvattingen die ze meekregen van het milieu waarin ze opgroeiden.<\/p>\n<p>Het zijn naar mijn aanvoelen allebei kinderen van de naoorlogse verzorgingsstaat die in hun wereldbeeld nog sterk bepaald waren door de vooroorlogse visie van hun ouders. Bij beiden ligt die breuk in hun werk vervat. Toch denk ik dat het traject dat Oek in zijn werk aflegde vruchtbaarder is geweest dan de oplossingen die Kellendonk aandraagt om de tweespalt tussen geloof en rede te overkomen. Oek is, denk ik, gaan inzien dat de ware &#8220;religie&#8221; van een schrijver in zijn essayistiek ligt, de arbeid van vorm en inhoud. En dat het schrijven sacrale kanten vertoont. Stijl is weinig anders dan een rituele omgang met de taal, een soort persoonlijke religie.<\/p>\n<p>De alom met hoon ontvangen novellen in De inktvis beschouw ik daarom als scharnierwerk in zijn ontwikkeling als schrijver.<\/p>\n<p>Ik vind de geestelijke evolutie van Oek de Jong van zeer grote moed getuigen. Wellicht is het typerend dat De inktvis met sarcasme en spot is ontvangen door critici en collega&#8217;s die niet alleen geen inzicht vertoonden in de ware aard van het mystieke, maar evenmin de grondslagen van hun eigen rationalisme hebben onderzocht.&#8217;<\/p>\n<p>Erwin Mortier<\/p>\n<p>De wonderen van de heilbot<\/p>\n<p>Twee fragmenten<\/p>\n<p>16 augustus, Muiderberg<\/p>\n<p>Veel wespen deze dagen. Een wesp in mijn werkkamer, naar binnen gekomen door het zijraam, waar brandnetels manshoog staan. Wesp die zoekend rondgaat, op mijn boterham met kaas wil landen en dan verzeild raakt tussen woordenboeken. Een blik in de werkelijkheid van een zondagochtend in augustus, zonnig, licht, bewolkt, licht windje. Stemmen uit nabije tuinen. Ik open het raam naar het terras en laat de wesp naar buiten. Drie kwartier geleden heb ik een uitbarsting gehad. Over mijn neerslachtigheid. Je wilt niet leven, hield Jeanne me voor. Iets onbegrijpelijks in een mens. Maar toch een feit: dat hij, met maar \u00e9\u00e9n leven tot zijn beschikking, temidden van een heerlijkheid, niet wil leven. Dat hij alles doet om zichzelf het leven onmogelijk te maken. Sedert een week heb ik het weer zwaar te pakken. Tien heerlijke dagen gehad in de Poitou. Ik ben nog geen dag thuis of het is mis. Het is of ik terugkeer in een gevangenis, mijn eigen gevangenis. Het heeft een fysiek aspect: een zwaar en lamlendig gevoel in mijn lichaam. Alsof ik diep terneergeslagen ben. Het is of mijn organisme een stof mist. Jezelf &#8216;eroverheen zetten&#8217;, dat gaat niet. Want je hebt eenvoudigweg de stof niet die daarvoor nodig is, of de terneerdrukkende stoffen zijn het machtigst. Je sluit je af, somber, zwaar op de hand, haatdragend, wrokkig, nijdig, dof. Je wilt &#8216;niet leven&#8217;, zo heet het dan. Het heeft een geestelijk en een fysiek aspect, deze ziekte. Ik moet naar de dokter. Maar ik ga niet naar de dokter, want ik wil geen pillen. Het wordt buiten grijzer, bewolkter. Ik hoor de vloer kraken, Jeanne in de woonkamer.<\/p>\n<p>[\u2026]<\/p>\n<p>De voortuin water gegeven. De benen van Jeanne onthaard. Ik vind blonde haartjes op vrouwenbenen heel lief. Als het op de dijen doorloopt naar het schaamhaar, geil ik erop. Maar ik vind het ook mooi als ze glad zijn.<\/p>\n<p>Ze zat in de fauteuil voor het raam, met d&#8217;r benen omhoog, vrolijk, lief, genietend.<\/p>\n<p>[\u2026]<\/p>\n<p>Een paar uur hard gewerkt. Ik verwaarloos dit jaar de moestuin, ik heb er geen voeling mee. De paden geschoffeld, gras en onkruid onder de bessenstruiken uit de grond gerukt, brandnetels met mijn blote handen. Het vuil bijeengeharkt in hopen, de hopen een voor een op een spitvork gestoken en ze, boven mijn hoofd heffend, naar de composthoop gedragen. Ik liep in mijn blote bast. Aardkorrels op mijn hoofd en in mijn grijzende borsthaar, mijn kale kop met bloedkorsten van het tegen een zolderbalk oplopen in het huis in Le Coyou. Jeanne was aan het werk in een korte witte broek. Ik keek trots naar haar mooie gladde benen.<\/p>\n<p>Gras en onkruid op het pad bij het tuinhok geknipt en bijeengeharkt. De moestuin gesproeid, nadat ik wat sperziebonen had geplukt en een rode biet had uitgestoken. Woest werkend brak ik de steel van de bezem. Brandnetels met mijn handen vastpakkend (ze branden nu nog), aarde over me heen laten stromen uit bossen onkruid, een bezemsteel knakken &#8211; een beetje manisch dus.<\/p>\n<p>&#8216;Even rust?&#8217; riep ik. Ze kwam. Ik schonk twee glazen witte wijn in, met ijsblokjes uit onze nieuwe koelkast. Jeanne in de zon, ik in de schaduw onder de parasol, met mijn zonnebril op en mijn kleren weer aan (want we gaan er geen lolletje van maken).<\/p>\n<p>Een stuk in Heijermans&#8217; Kamertjeszonde gelezen, een felrealistische roman uit 1896, in de stijl van Zola, langdradig soms, sentimenteel, maar nog heel interessant door het tijdsbeeld dat het geeft van Amsterdam, het leven in de Pijp. Ik geniet er van. Zeer ook van de dialogen met plat Amsterdams er in, de spreektaal die Heijermans optekent. Ik hou van het Amsterdam van die jaren, 1890, de stad van Breitner, Gorter, Witsen en noem ze maar op.<\/p>\n<p>[\u2026]<\/p>\n<p>Gekookt. Ik bak krielaardappeltjes en twee steaks proven\u00e7al van de biologische slager en kook de versgeplukte sperziebonen. Jeanne maakt een salade van geraspte appel en rauwe rode biet. We eten op het terras. De zon gaat onder. Avondhemel, stil met windveren. Ik moet vertellen. Ze eet veel langzamer dan ik en als ik veel praat kan ze me makkelijker bijhouden. Ik vertel over het boek van Heijermans. Na het eten geeft ze me een envelop met foto&#8217;s. Een aantal is er genomen door Ad, staande in het water toen ik met Jeanne in de zeilboot wegvoer van de steiger. Ze geeft me ook een ansichtkaart waarop twee dolfijnen te zien zijn, hoog opspringend boven zee, in een sierlijke dans, glanzend (van plezier zou ik haast zeggen) en achterop heeft ze geschreven hoe ze er van genoten heeft dat ik in de beek bij Le Coyou haar dolfijn was. Ik dook, zwemmend door het zonverlichte water naar haar gespreide benen, schoof mijn snuit ertussen en duwde haar dan met krachtige beenslagen door het water tot ik geen lucht meer had.<\/p>\n<p>Nu is het donker. We gaan naar bed. Ik heb dit opgeschreven om over tien jaar iets te kunnen lezen over een gewone zondag met Jeanne, om deze dag dan weer te kunnen oproepen, iets van het licht te kunnen zien, me haar gladde benen te herinneren en haar witte korte broek, en hoe ze rooie biet stond te raspen en lachte toen ik voor haar knielde en haar dijen begon te likken.<\/p>\n<p>27 januari<\/p>\n<p>Ik ben nu sedert weer twee jaar weer aan het romanschrijven en ik heb in die tijd veel geleerd. Vreemd om dat als schrijver op je acht\u00adenveertigste nog te zeggen: dat je de afgelopen twee jaar veel geleerd hebt over je vak. Vestdijk leerde tussen zijn zes- en achtenveertigste niets meer over het romanschrijven, hij hanteerde die vorm al jaren op dezelfde manier, W.F. Hermans was op die leeftijd al over zijn hoogtepunt heen, Van Schendel ontwikkelde zich nog wel: zijn beste romans, zoals De waterman en Het fregatschip, schreef hij na zijn vijftigste.<\/p>\n<p>Zo langzamerhand kan ik wel zien wat bij het schrijven mijn sterke en zwakke punten zijn. Om met de zwakke te beginnen: het komische. Mmm. In mijn eerste verhalen bleek ik talent te hebben voor komische en vooral absurde sc\u00e8nes. Met een zekere trots herinner ik me altijd dat Maarten Biesheuvel me vertelde, met zijn buik zo ongeveer tegen de mijne, dat hij enorm had moeten lachen om &#8216;De man van Giuseppe&#8217;. Maar na dat eerste boek heb ik er niks meer mee gedaan, terwijl ik gek ben op tragikomische sc\u00e8nes zoals Tsjechov ze voortdurend schrijft, sc\u00e8nes waarin het komische iets wrangs en pijnlijks heeft. Ik ben geen briljant plotteur. Ik ben niet bijzonder ge\u00efnteresseerd in plot. Naarmate een roman meer op de plot drijft, heb ik er minder belangstelling voor. Ik ben me wel meer bewust geworden van de plot: ik probeer elk hoofdstuk een markante vorm te geven, ik verlies de dynamiek van het verhaal geen moment uit het oog. &#8216;Spanning&#8217; speelt in deze roman een grotere rol dan in de twee voorafgaande.<\/p>\n<p>Een sterk punt: mijn oog voor detail. In feite vertel je in een roman bijna alles door middel van details. Je beschrijft een personage bijna nooit van top tot teen, je noteert twee of drie details, naast een enkele algemeenheid, en daarmee zet je het neer. Hetzelfde doe je met situaties, lokaties en alle andere elementen van de vertelling. De romanwerkelijkheid wordt opgeroepen door details.<\/p>\n<p>Ik heb ook een goeie dialoog in mijn vingers. Toneelschrijvers en dramaturgen hebben dat van meet af aan tegen mij gezegd. Ik &#8216;hoor&#8217; wat er gezegd wordt en hoe het gezegd wordt. De dialoog is voor mij het makkelijkste onderdeel van het schrijven.<\/p>\n<p>En ik ben een goeie constructeur. Ik kan een groot geheel van honderden pagina&#8217;s bij elkaar houden en tijdens het werken ontwikkel ik een computerachtig geheugen voor details. Toen ik in 1975 in de trein langs de Rh\u00f4ne reed, bewonderde ik de constructie van Honderd jaar eenzaamheid. Ik herinner me een moment waarop ik opkeek uit het boek, opzij keek naar de rivier die daar in de diepte stroomde en bewondering voelde voor juist dat aspect van het boek: het weefsel, hoe hij alles bij elkaar hield. Toen was ik drie\u00ebntwintig.<\/p>\n<p>Bibliografie<\/p>\n<p>1977 De hemelvaart van Massimo (verhalen)<\/p>\n<p>1978 Lui oog (novelle)<\/p>\n<p>1979 Opwaaiende zomerjurken (roman)<\/p>\n<p>1985 Cirkel in het gras (roman)<\/p>\n<p>1993 De inktvis (novellen)<\/p>\n<p>1997 Een man die in de toekomst springt (essays)<\/p>\n<p>1998 Zijn muze was een harpij; over het wereldbeeld van W.F. Hermans (essay)<\/p>\n<p>2002 Hokwerda&#8217;s kind (roman)<\/p>\n<p>2006 De wonderen van de heilbot (dagboek)<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Deze week verschijnt \u2018De wonderen van de heilbot\u2019, het dagboek dat Oek de Jong bijhield tijdens het schrijven van \u2018Hokwerda\u2019s kind\u2019 (2002). Reden voor een gesprek over de taak van de roman, het noodlot van zijn geboorte en seks in de literatuur. \u2018\u201cHokwerda\u2019s kind\u201d is de eerste roman waarbij ik me tijdens het schrijven volledig bewust ben geweest van wat ik aan het doen was.\u2019<\/p>\n","protected":false},"author":1023,"featured_media":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"content-type":"","footnotes":""},"categories":[27],"tags":[1267],"acf":[],"author_name":"Elisabeth Lockhorn","_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/124513"}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/types\/post"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/comments?post=124513"}],"version-history":[{"count":0,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/124513\/revisions"}],"author":[{"embeddable":true,"name":"Elisabeth Lockhorn","href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/users\/1023"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/media?parent=124513"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/categories?post=124513"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/tags?post=124513"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}