
 {"id":115999,"date":"2007-06-30T00:00:00","date_gmt":"2007-06-29T22:00:00","guid":{"rendered":"http:\/\/beta.vn.nl\/melancholie-de-deur-uit\/"},"modified":"2007-06-30T00:00:00","modified_gmt":"2007-06-29T22:00:00","slug":"melancholie-de-deur-uit","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/www.vn.nl\/melancholie-de-deur-uit\/","title":{"rendered":"Melancholie de deur uit"},"content":{"rendered":"<p>Beschouwing \/ De schijnbare niemendalletjes van Hanny Michaelis<\/p>\n<p>Een van de bekendste gedichten van Hanny Michaelis is ongetwijfeld het volgende:<\/p>\n<p>Briljant filosoferend<\/p>\n<p>over het leven liet ik<\/p>\n<p>de aardappels verbranden.<\/p>\n<p>Een onmiskenbaar bewijs<\/p>\n<p>van emancipatie.<\/p>\n<p>Een parlando gevalletje uit het leven van alledag en dan ook geschreven in de jaren zestig, moedertijdperk aller realismen. Het lijkt een sceptisch versje, niet erg passend bij het begrip \u2018De Grote Melancholie\u2019 waartoe Maaike Meijer, die in De lust tot Lezen (1998) de ontwikkeling van naoorlogse Nederlandse dichteressen in beeld brengt, Michaelis rekent. Over verdriet en depressie zou haar werk gaan en daar past eigenlijk geen sceptische distantie bij, maar tegen het eind van haar oeuvre zie je toch veel wijze berusting bij Michaelis, het gevoel dat je al die narigheid maar beter met je verstand te lijf kunt gaan dan je erin rond te wentelen.<\/p>\n<p>Ruim twintig jaar lang schreef Hanny Michaelis gedichten, in totaal zo\u2019n tweehonderd stuks, een klein oeuvre waarmee ze niettemin een vaste stek in de Nederlandse naoorlogse dichtkunst bezet. Haar eerste bundel Klein voorspel verscheen in 1949, in 1971 draaide ze er een punt aan met een bundel met de karakteristieke titel Wegdraven naar een nieuw Utopia. Dat Utopia was dan kennelijk niet met po\u00ebzie geplaveid, want op wat incidentele gedichten na, hield ze de afgelopen zesendertig jaar de dop op de pen. Ze had gezegd wat ze zeggen wou. Misschien dat er, zoals bij Vasalis, nog eens een oudedagsoeuvre opduikt, maar feit blijft dat ze een half mensenleven publiekelijk zweeg.<\/p>\n<p>Hoewel er dus afstandelijke, rationele kanten aan haar werk zitten, is de kern ervan inderdaad melancholiek. Meijer brengt deze melancholie in verband met wat ze noemt het prefeministisch onbehagen, dat Michaelis met vrijwel alle vrouwelijke dichteressen van haar generatie zou delen. Mij treft eerder een traditioneel soort lijden aan de wereld, dat overigens wel vrouwelijke trekjes heeft. Zo schrijft ze regelmatig over liefde die tekortschiet en niet vervuld wordt en over het misverstand dat relaties kenmerkt.<\/p>\n<p>De lezer is natuurlijk onmiddellijk geneigd te denken aan haar huwelijk van enige jaren met Gerard Reve, maar als dat al een rol speelt in haar gedichten dan toch vaagweg. De mens is de dupe van een groter, algemener noodlot, dat hij maar moet zien te dragen. Huilerig zijn haar gedichten nooit, eerder treft een onverwacht soort monterheid bij alle mis\u00e8re:<\/p>\n<p>Vier en twintig uur ononderbroken<\/p>\n<p>gelukkig te zijn geweest<\/p>\n<p>is meer dan waar iemand<\/p>\n<p>in deze wereld recht op heeft<\/p>\n<p>en velen ooit te beurt valt.<\/p>\n<p>Daarom, ga heen, steek je neus<\/p>\n<p>in de wind of in de boeken,<\/p>\n<p>wees welgemoed of hang je op,<\/p>\n<p>maar vermenigvuldig je niet.<\/p>\n<p>Een moeizame jeugd lijkt ten grondslag te liggen aan de gedachte dat kinderen krijgen, dat traditionele vrouwenbedrijf, niet langer wenselijk is in deze rotwereld: \u2018Waarom ook zouden wij hem wekken\/ tot een ontluisterd, aards bestaan.\u2019<\/p>\n<p>Opvallend is het dat Michaelis\u2019 actieve dichterschap zo\u2019n beetje ophoudt als het ook met de grote omwentelingen en ontzuilingen in Nederland is gedaan. Met de onrust van de jaren zestig verdween allicht ook de innerlijke drijfveer om er nog iets aan toe te voegen. In dat opzicht kun je haar werk beschouwen als bescheiden en persoonlijke achtergrondkunst bij maatschappelijke ontwikkelingen, het brengt een mens in beeld die, niet langer gestuurd door tradities en vaste verbanden, het in zijn eentje moet zien te rooien. Ik ben geneigd haar latere zwijgen als een soort aanvaarding van die nieuwe wereld te beschouwen. Het verdriet is grotendeels verwerkt, de dichteres is volwassen geworden en heeft geen behoefte meer aan gemoedsuitstortingen.<\/p>\n<p>Door haar hele oeuvre heen klinkt een afkeer van grootspraak en dikdoenerij. Als ze in de literaire geschiedenisboeken wordt gerekend tot een zogeheten Tirade-groep van dichters van het kleine geluk en verdriet, met verder dichters als Jan Emmens, Rutger Kopland en Judith Herzberg, dan slaat dat vooral op die eigenschap, waarover Kees Fens in 1971 nog schreef: \u2018Wat zij gemeenschappelijk hebben (&#8230;) is een weinig uitgesproken vorm, een zelden tot in details overdachte ook, waardoor de gedichten vaak met het \u201cverhaal\u201d op zijn: de aan de spreektaal grenzende ontboezemingstaal verdicht zich vaak te weinig.\u2019 Dat zullen zoveel jaar na dato niet velen meer beamen; de gewoonwording van de Nederlandse po\u00ebzie, de verdwijning van het juk der ronkende lyriek, van het primaat van het veelbetekenende, heeft definitief doorgezet en in dat koor van vroege, realistische vernieuwers blazen ook de gedichten van Michaelis een bescheiden maar hoorbare partij mee.<\/p>\n<p>In de inleiding tot de in 1989 verschenen bloemlezing uit haar werk Het onkruid van de twijfel maakt de dichteres gek genoeg geen woord vuil aan haar thematiek. Wel heeft ze het over de invloed van Vasalis en van bijbeltaal, dat laatste enigszins verrassend omdat ze toch juist tot de realisten gerekend wordt.<\/p>\n<p>Over zwaar taalgebruik bijvoorbeeld schreef ze het volgende gedicht dat, zoals veel van haar werk, met een credo eindigt:<\/p>\n<p>Woorden: een dubieuze<\/p>\n<p>lekkernij. De sappige<\/p>\n<p>liggen zwaar op de maag.<\/p>\n<p>Zelfs de droogste laten<\/p>\n<p>een wee\u00eb smaak na. Toch<\/p>\n<p>kan niemand erbuiten,<\/p>\n<p>ik ook niet. Maar als<\/p>\n<p>er dan met alle geweld<\/p>\n<p>spraak gemaakt moet worden,<\/p>\n<p>dan liever kleinspraak.<\/p>\n<p>Het zijn vaak minuscule gebeurtenissen die ten grondslag liggen aan haar gedichten, zo klein dat menig dichter ze als te particulier zou hebben verworpen. Maar bij Michaelis brengen zaken in de huiselijke sfeer de inspiratie zo te zien juist op gang. Zoals de mededeling zelf vaak onopvallend lijkt, zo ook de vorm. In plaats van aandacht te trekken lijkt ze zich juist klein te willen maken. Intussen is het soms helemaal niet zo makkelijk om de precieze stemming of de bedoeling van het gedicht te peilen. Achteraf bezien lijken spontane en vanzelfsprekende reacties soms weer een andere betekenis te hebben:<\/p>\n<p>Toen ik bij je knielde<\/p>\n<p>met een handdoek op<\/p>\n<p>mijn schoot, zette je<\/p>\n<p>heel even behoedzaam<\/p>\n<p>je druipende voet<\/p>\n<p>op mijn haar en zei:<\/p>\n<p>Maria Magdalena.<\/p>\n<p>Van pure ontroering<\/p>\n<p>lachte ik je uit<\/p>\n<p>Nu denk ik daar<\/p>\n<p>aan terug zonder<\/p>\n<p>te lachen.<\/p>\n<p>Een klein scala aan psychologische reacties passeert in zo\u2019n schijnbaar niemendalletje de revue. Is ze nu vertederd of vernederd? Stemt de vroegere demonstratie van intimiteit in het latere leven tot contemplatie of tot bitterheid? Wat voor gevoel wil ze nu eigenlijk uitdrukken? Bij alle openhartigheid zit er toch ook een gesloten kant aan haar werk, alsof ze door te spreken, en helder en gearticuleerd te spreken, ook juist iets verbergt.<\/p>\n<p>Vaak doen haar gedichten verslag van een pas later doorgebroken besef van wat er werkelijk is gebeurd. Aanvankelijke rust en vrede maken alsnog plaats voor verdriet. Terwijl aan de ene kant haar toon van puur melancholisch almaar droger en zakelijker werd, ontwikkelde zich aan de andere kant een gevoel van achteraf-teleurstelling. In een gedicht over de dood van haar moeder, heel vredig en met een mooie begrafenis (\u2018niet droefgeestig, bijna opgewekt\u2019) als slotconclusie, beschrijft ze haar gevoelens jaren later:<\/p>\n<p>Jaren erna begon ik plotseling<\/p>\n<p>te snikken<\/p>\n<p>toen ik een witkatoenen zak<\/p>\n<p>terugvond<\/p>\n<p>waarop ze met drie contrasterende<\/p>\n<p>kleuren lint<\/p>\n<p>het overbodige woord WAS had<\/p>\n<p>geborduurd.<\/p>\n<p>De lullige fleur van zo\u2019n borduursel, het haast Barbarber-achtige opschrift voor zo\u2019n waszak, maar ook de ironie van het voorbije in Was, spelen hier een rol. De flauwheid van het woordgrapje wordt gecompenseerd door de menselijkheid van de situatie.<\/p>\n<p>De gedichten van Hanny Michaelis hebben filosofische kantjes, maar het zijn zelden filosofische gedichten. Daarvoor zijn ze toch weer te pragmatisch. Het volgende gedicht bijvoorbeeld heeft wel iets weg van Philip Larkins befaamde vers High Windows met de onvergetelijk regels \u2018when I see a couple of kids\/ And guess he\u2019s fucking her and she\u2019s\/ Taking pills or wearing a diaphragm,\/ I know this is paradise.\u2019 Bij Michaelis gaat het als volgt:<\/p>\n<p>Op straat<\/p>\n<p>springt een lelijk meisje<\/p>\n<p>een lelijke jongen om de hals.<\/p>\n<p>Verveeld wendt hij zich af<\/p>\n<p>net als het leven<\/p>\n<p>de enkele keer dat het<\/p>\n<p>omhelsd wordt.<\/p>\n<p>Ook hier een terloops straattafereeltje dat het hele leven lijkt samen te vatten, maar in tegenstelling tot Larkin lijkt Michaelis er niet ten volle van te kunnen genieten, ze zegt dat niet alleen met zoveel woorden maar het blijkt ook uit het vers zelf dat nauwelijks sappige details geeft, heel algemeen blijft.<\/p>\n<p>Misschien was het wel die afkeer om echt diep op de menselijke tekortkomingen in te gaan die er ten slotte voor zorgde dat ze voortijdig met dichten ophield. Het gevoel dat het toch niks uithaalt, ook niet als troost. Wat dat betreft werd het realisme van haar gedichten op den duur ingehaald door het realisme van de wereld om haar heen. Dat maakt haar tot een apart geval in de Nederlandse literatuur, waar dichters niet vaak ophouden omdat ze uitgesproken zijn. Deze wel. De laatste regel van haar laatste gedicht uit de laatste bundel luidt \u2018nu\/ na jaren van voortvluchtigheid\/ de vrede zich eindelijk\/ en blindelings heeft laten vinden.\u2019 Dan valt er inderdaad niet veel meer te bedichten.<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Op 11 juni overleed de dichteres Hanny Michaelis, ze werd vierentachtig jaar. Op wat incidentele gedichten na, hield ze vanaf haar achtenveertigste de dop op de pen. Toen had ze in zo\u2019n tweehonderd gedichten gezegd wat ze zeggen wou, steeds droger en zakelijker.<\/p>\n","protected":false},"author":1023,"featured_media":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"content-type":"","ep_exclude_from_search":false,"footnotes":""},"tags":[],"class_list":["post-115999","post","type-post","status-publish","format-standard","hentry"],"acf":[],"author_name":"Rob Schouten","_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/115999","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/types\/post"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/comments?post=115999"}],"version-history":[{"count":0,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/115999\/revisions"}],"author":[{"embeddable":true,"name":"Rob Schouten","href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/users\/1023"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/media?parent=115999"}],"wp:term":[{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/tags?post=115999"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}