
 {"id":114239,"date":"2007-09-15T16:18:00","date_gmt":"2007-09-15T14:18:00","guid":{"rendered":"http:\/\/beta.vn.nl\/profiel-tomas-lieske-altijd-onderweg\/"},"modified":"2007-09-15T16:18:00","modified_gmt":"2007-09-15T14:18:00","slug":"profiel-tomas-lieske-altijd-onderweg","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/www.vn.nl\/profiel-tomas-lieske-altijd-onderweg\/","title":{"rendered":"Profiel Tomas Lieske, Altijd onderweg"},"content":{"rendered":"<div class=\"wpg-element paragraph\">\n<p>15-09-2007<br \/>Door Jeroen Vullings<\/p>\n<p>Een ploeger, maar ook een avonturier, een verteller maar ook \u2013 op zijn betere momenten \u2013 een stilist. Om de prozaschrijver Lieske te lezen, moet de lezer al zijn verwachtingen loslaten en alleen onthouden dat Lieske ten diepste een dichter is. Zijn nieuwste boek weerspiegelt veel uit het eerdere werk. Maar \u2018D\u00fcnya\u2019 reikt verrassend verder.<\/p>\n<p>Succes vereist negentig procent zitvlees, tien procent talent. Al is schrijven een zittend beroep, toch doet dat woord \u2018zitvlees\u2019 in het geval van Tomas Lieske te inactief aan. Hij is er meer een van opstaan, links inkomen, neergaan, opstaan, rechtse hoek, neergaan \u2013 al dan niet door een (lang beredeneerde) eigen opstoot. Toch verovert hij gaandeweg meer ruimte in de ring, weet hij allengs zijn niche beter te bepalen, krijgt hij gestaag meer geboeid publiek. Geen wonderkind, maar een harde werker die er paradoxaal genoeg toch in slaagt te verrassen. Zijn repertoire: korte verhalen, po\u00ebzie, opstellen, een novelle en romans. Consistent is zijn werk zelden. Evenmin schrijft hij \u2018verzorgd\u2019; hij paart een formidabele dichterlijke taalvondst even makkelijk aan een germanisme. Maar juist door die schots en scheef-aanpak scheert hij langs het literaire waagstuk waar de gereformeerde boekhouders, de eendimensionale karate-apen en de achttienjarige autobiogravers onder zijn collega\u2019s nooit en te nimmer weet van zullen hebben.<\/p>\n<p>Jezelf moeten teruglezen op flapteksten is vaak geen pretje, maar het citaat op Gran Caf\u00e9 Boulevard (2003) vat mijn waardering goed samen: \u2018Precies hierin schuilt Lieskes grootste literaire kracht: het vertellen in suggestieve beelden.\u2019 De schrijver Lieske is op zijn best als ongeleid projectiel, die zich laaft aan de groteske beelden die hij miraculeus opgeroepen heeft \u2013 en waar hij dan vermoedelijk eveneens voor terugdeinst.<\/p>\n<p>Wie in de afgrond kijkt, ervaart tenslotte vroeg of laat dat de afgrond terugkijkt. Vrij naar Nietzsche, die aan Lieskes schrijftafel nooit ver weg lijkt.<\/p>\n<p>Of Tomas Lieske dat oordeel \u2013 los kanon \u2013 wil onderschrijven, laat staan zich daarbij neerleggen, is maar de vraag. Uit met name de vorm, de compositie waarmee hij zijn personages en verbeelding in zijn romans wil beteugelen, blijkt rigide regelzucht. Ook zijn nieuwe roman D\u00fcnya, over een stelletje verschoppelingen der vroeg-twintigste-eeuwse geschiedenis, is helder opgezet: drie delen en een nawoord. Even overzichtelijk (per hoofdstuk) alterneert het vertelperspectief: de drie stemmen zijn de Nederlander Simon Kriszti\u00e1n, de Duits-joodse vluchteling dr. Paul Grunwald en de Turkse matrone D\u00fcnya Suman. Ook al biedt een Lieske-roman nogal eens wat verhaallijnen door de levens die hij zich \u2013 al dan niet parallel \u2013 laat ontvouwen, toch blijft dat alleszins goed te volgen. Dat kennen we inmiddels van Lieske.<\/p>\n<p>Evenwel is D\u00fcnya een aanmerkelijk stroevere roman dan Franklin (2000), Gran Caf\u00e9 Boulevard en de lucide, zowaar consistente novelle Mijn soevereine liefde (2005). Ook kleeft er iets uitermate diligents aan D\u00fcnya, dat lang uit zicht is geweest binnen zijn oeuvre. Die overijver deed zich met name voor in Lieskes te nadrukkelijk literair angehauchte, daarmee obligate en overbodige verhalen \u2013 die uit de jaren negentig. Vanaf Franklin, de roman waarmee hij voor het eerst n\u00ed\u00e9t neerging, geen Literatuur volgens het zo verantwoorde schrijvershandboek schreef, reeg hij sc\u00e8ne na sc\u00e8ne lustig aaneen, verknoopte hij de levens van zijn personages met ogenschijnlijk gemak, leek hij er zich niet om te bekommeren waarheen de verbeelding hem voerde. Gran Caf\u00e9 Boulevard grossierde ook nog in gehaaid gebruikte cliffhangers en vooruitwijzingen \u2013 in D\u00fcnya ontbreken ze. Samengevat: wat zich voordeed als verteltechnisch gemak, is niet meer.<\/p>\n<p>Wonderlijk hoe lineair de lezersverwachting bepaald is: we verwachten een stijgende lijn bij een schrijver, een groei, een weigering verworven vaardigheden te laten voor wat ze zijn, zelfs als een nieuw boek een ander register eist. Zeker bij zo\u2019n ongemakzuchtige, vooral op de techniek van het schrijven gerichte ploeger en laatbloeier als Tomas Lieske. Hij is tenslotte geen mulischiaanse oeuvrebouwer, bij wie de bouwtekeningen al gereed waren als adolescent. Evenmin is hij een Oek de Jong die met elk nieuw, zwaar op zijn persoonlijke zingevingsproblematiek bevochten boek de literatuur opnieuw wil uitvinden en daartoe steeds rigoureus van genre wisselt. Lieske is eerder het leergierige jongetje dat altijd zijn huiswerk doet, de correcties ter harte neemt en klas na klas opklimt, naar een bestemming die alleen hij vermoedt en die steeds scherper in zicht komt. Schrijver z\u00edjn is slechts een enkeling gegeven, maar dat laat Lieske niet op zich zitten. Zijn motor is wilskracht, de wil om schrijver te w\u00f3rden, die we al kennen van Jeroen Brouwers\u2019 levenslange strevingen.<\/p>\n<p>D\u00fcnya is geen hink-stap-sprong terug in Lieskes oeuvre. Het ligt weliswaar voor de hand om een vergelijking te trekken met Lieskes eerdere, eveneens in Turkije gesitueerde roman Nachtkwartier (1995), maar veel meer dan een gedeeltelijke overeenkomst in landstreek (Turkije) en in auteursnaam levert dat niet op. Als we in Nachtkwartier door de haag van bijbelse, antieke, mythische en historische verhalen heenkijken en vervolgens de hobbel van de vage vertelstem van de dromerige hoofdpersoon Michael G\u00fcnes nemen, komen we uit op het kale gegeven dat deze Nederlandse Turk zichzelf zoekt in het Turkse achterland: de roots van zijn bestaan, populair gezegd. <\/p>\n<p>Geen roman om te herlezen. Dat Lieske in D\u00fcnya wederom Turkije als locatie koos, verklaar ik niet zozeer uit een streven een eerdere mislukking aldus teniet te doen. Zo zit dat: Lieske heeft nu eenmaal een voorkeur voor verre buitenlanden in verre historische perioden waarin hij zijn personages al reizend en zwervend avonturen kan laten beleven die in het gereguleerde, minder wetteloze Nederland voor hen niet weggelegd zouden zijn. De ene keer is dat Spanje, dan weer Turkije. Door de keuze voor een exotische locatie en een exotische historische periode schept hij afstand en een terrein waarop hij zijn personages loslaat, om die afstand vervolgens weer op te heffen \u2013 met zijn verbeelding.<\/p>\n<p>Blijft de vraag of D\u00fcnya, een stroevere roman dan verwacht, literair een terugval is. Nee. Gebleven is immers datgene waar Lieske als schrijver niet zonder kan: de ongewisse vertelstroom. Minder dan voorheen wordt die stilistisch aangewakkerd. De fragmentarische vertelstructuur, bekend uit Lieskes eerdere werk, is nagenoeg verdwenen. Meer dan voorheen komt die voort uit de onvoorspelbare wegen en verwikkelingen van de personages. Lieske heeft zich dus beteugeld, en dat klinkt negatiever dan ik dat bedoel. Zo betoont Lieske zich aanmerkelijk minder uitleggerig dan in Gran Caf\u00e9 Boulevard. Regelmatig attendeerde hij ons daar bij monde van een personage op een parallel in de opgediste levensverhalen \u2013 alsof we dat zelf niet konden zien. In diezelfde roman kon Lieske ook stilistisch te educatief zijn. Als de Bargoense term smous valt, dan vertelt een personage een regel verder dat daarmee \u2018jood\u2019 bedoeld wordt. Dat terwijl Lieskes proza juist wint door koersloosheid, niet door het streven naar consistentie of kennisoverdracht.<\/p>\n<p>Dat klinkt allemaal geweldig. Nochtans dien ik te vermelden dat D\u00fcnya stilistisch wat t\u00e9 koersloos is. Sommige vertelstemmen haperen bijwijlen door uiterst curieuze registerwisselingen, die afdoen aan de beoogde waarachtigheid. De dievegge en spionne D\u00fcnya is verzot op mode alsmede het wufte uitgaansleven in het Istanbul van het interbellum. Maar als ze kort achtereen rept van \u2018een stressy stapel enveloppen\u2019 en de uitdrukking \u2018geonduleerd\u2019 gebruikt, hoor ik tweemaal de schrijver Lieske dwars door zijn personage heen toeteren \u2013 een vette dissonant. Als de Nederlander Simon het heeft over zijn zusje \u2013 deze episode speelt in Nederland voor de Eerste Wereldoorlog \u2013 en over haar meldt \u2018zij zeek net zo lang\u2019, dan drukt hij zich uit als de gesel van \u00f3ns tijdsgewricht: Ali B. Zo kan ik anachronismen blijven noteren, van \u2018fucking Belgi\u00eb\u2019 tot een \u2018miss Turkije-verkiezing\u2019. Misschien bestond zoiets toen ook al, misschien was het toen ook al fucking-dit en fucking-dat, maar het vernaggelt wel the willing suspension of disbelief.<\/p>\n<p>Ik twijfel: misschien doet Lieske het expres. Zoals hij de gevluchte Duitser Grunwald, die zijn taal weigert te spreken vanwege de nazi\u2019s, een beetje laat praten als een tweederangs professor Prlwytzkofsky: in een verduitst Nederlands, vol germanismen. Expres: maar al te voorstelbaar bij zo\u2019n overbewust te werk gaande auteur als Lieske.<\/p>\n<p>Beoogt hij dan soms een surrealistisch experiment? In dat geval vervalt de eis van waarachtigheid, gesteld aan realistisch proza, en mag Lieske zo anachronistisch freewheelen als hij wil. Maar dat laat onverlet dat die registerwisselingen weinig vernuftig zijn, of subtiel.<\/p>\n<p>Ook pleiten welbewuste registerbreuken hem niet vrij van andere stilistische ongerechtigheden. Een voorbeeld: wanneer Simon als jongen op zakenreis met zijn vader meegaat naar Duitsland, heeft hij het over een \u2018schokkende tocht met paard-en-wagen\u2019. Uit de context maak ik echter op dat bedoeld wordt: schokkerig.<\/p>\n<p>In eerste instantie doet D\u00fcnya denken aan een historische avonturenroman of dito schelmenroman. De Nederlandse adolescenten Simon Kriszti\u00e1n en zijn neef Otto Beets melden zich in 1915 \u2013 ze zijn toch in Londen \u2013 voor het Britse leger. Het lijkt hen wel aardig die verwaten Duitse keizer op zijn falie te geven, maar hun echte motief is: verlangen naar avontuur, de kans om als kleine spelers toch deel te nemen aan het wereldtoneel. Het is vanwege hun nationaliteit en de neutrale status van Nederland nog niet eenvoudig dienst te nemen, maar uiteindelijk lukt het ze als burgerpersoneel aan boord van een schip te komen.<\/p>\n<p>Ze werken in het duister, in de kolenruimte. Vanaf dat moment zijn er al af en toe zinsbegoochelingen in het spel. Als het schip voor de Turkse kust explodeert, komen Simon en Otto helemaal terecht \u2018in de andere dimensie\u2019. Keer op keer wijst Simon erop dat ze zich in een andere wereld bevinden. Daarmee lijkt niet Turkije, zo anders dan Nederland, bedoeld te zijn, al komt het Lieske uiteraard literair te stade om zijn personages \u2013 als laboratoriumratten \u2013 uit te zetten in het Turkse achterland. <\/p>\n<p>Die rafelrand van de beschaving biedt een ideale locatie voor de overlevingsstrijd van Simon en Otto, en de daarmee gepaard gaande morele conflicten \u2013 Lieskes versie van de frontier. Nee, met die andere dimensie doelt Simon op de andere, supranormale wereld die bij een fantasmagorie hoort. Verderop formuleert hij het nog preciezer: \u2018Tegelijk horen wij, Otto en ik, evenzeer thuis in de ene werkelijkheid als in de andere en beseffen wij dat, op een totaal ander niveau, de vroegere werkelijkheid gewoon doorgaat. Ergens anders, in een onbereikbaar universum.\u2019<\/p>\n<p>Onderwijl zijn we w\u00e9l in het hart van Lieske-land beland. Waarin op elkaar aangewezen verschoppelingen samen een reis vol ontberingen maken. Het sterkste Lieske-beeld tot D\u00fcnya verscheen, was dat uit het begin van Franklin: de vlucht van de twee oostfrontsoldaten, de Hagenees Charles Kinzensberg en de Finse reus Niel, uit de Russische nikkelmijnen op het poolgebied en hun barre tocht naar Nederland. Het is een grote prestatie van Lieske dat hij voor hetzelfde gegeven, een queeste, nu een nog krachtiger beeld gevonden heeft. Simon en Otto maken een lange tocht door Turkije, grotendeels als krijgsgevangenen, samen met een baby die door Simon geroofd is, misschien zelfs gered. <\/p>\n<p>Ze slaan gade hoe een meute bezig is het huis van een Armeni\u00ebr, Griek, Jood of Rus in brand te steken; een vrouw legt een baby aan de voeten van de aanvoerder van het gepeupel en Simon ziet zijn kans schoon: hij neemt het kind op en vlucht weg. Ze noemen haar Julia en nemen haar mee op hun tocht. De Turkse D\u00fcnya, die zich pas in 1930, jaren later bij dit drietal voegt, beschrijft het beeld van die tocht, zoals dat haar is overgeleverd: \u2018Al die tijd liepen over de Turkse wegen van mijn verbeelding die twee mannen, Otto en Simon. Geen broodkorst te eten, maar wel met dat raadselachtige kind. Boven op de schouders van Otto, of halfdood in de armen van Simon. Altijd verder. Altijd de vraag waar het eten voor het kind vandaan te halen. Twee mannen met een kind. Ze moeten heel Turkije doorgelopen hebben. Een ruwe, domme, volwassen, oorlogvoerende wereld die steeds maar weer het leven doorgeeft aan iets dat zelfstandig niet in leven kan blijven en dat te klein is om zelf vooruit te komen.\u2019<\/p>\n<p>Door de vondst van het kind, de weerloze zuigeling die zich in de loop van het verhaal ontpopt tot een ravissante, jonge vrouw, voegt Lieske een element toe dat voorheen ontbrak in zijn proza: hoop, gedurige toekomstverwachting, zelfs optimisme. Ook Julia is een aangespoelde, ergens aan de kust van de geschiedenis, maar zonder Julia was het in D\u00fcnya slechts een gewemel van hele en halve kleine criminelen, ongure types, vluchtelingen en andere marginale krabbelaars der samenleving geweest: avonturiers, een dievegge, krijgsgevangenen, soldaten, bannelingen. Dat milieu is Lieske goed toevertrouwd, evenals het gegeven van de driehoeksverhouding, waarbij \u2013 aangescherpt door competitiedrift \u2013 latente homoseksualiteit op de loer ligt. In Mijn soevereine liefde staan Filips II, de hoveling Marnix de Veer en hun beider aanbedene, Isabel Osorio, aldus tot elkaar in relatie. <\/p>\n<p>In D\u00fcnya zorgt de komst van D\u00fcnya, door de Turkse autoriteiten gedwongen om Simon en Otto te bespioneren, zowaar voor een vierhoeksverhouding, met alle spanning van dien. Zoals de twee Nederlanders zich in hun persoonlijk leven wagen aan het onmogelijke: een ten dode opgeschreven baby in leven houden, laten opgroeien, van een bestaan en een (gefingeerd) verleden voorzien, zo wijdt Simon zich vanaf 1924 in (gedwongen) Turkse overheidsdienst aan het realiseren van een utopisch project. Als ingenieur werkt hij aan de bouw van een luchtschip, waarmee Atat\u00fcrk zijn land in de vaart der westerse volkeren wil opstoten. Het luchtschip komt er, maar de triomf blijft uit door wat technische gebreken en doordat de geschiedenis dit project naar het rijk der verzinsels terugdreef: na het bericht over het verongelukken van de zeppelin, ziet Atat\u00fcrk niets meer in zo\u2019n luchtschip.<\/p>\n<p>Wat rest is Julia \u2013 hun hoogstpersoonlijke overwinning op, chic gezegd, de menselijke conditie. Zonder haar waren ze vermoedelijk beesten geworden, hadden ze het voortijdig opgegeven. Het is zoals Otto evalueert: \u2018Wij hadden een kind en dat was niet niks.\u2019<\/p>\n<p>Tegelijkertijd toont Julia dat Lieskes eigenheimers zich niet aan de menselijke conditie kunnen onttrekken. We weten: wie slecht doet, kan het lange tijd ver schoppen in Lieskes amorele universum. De Turkse dievegge annex spionne D\u00fcnya is nog het meest verwant aan eerdere personages als de nogood Franklin, de schofterige vervalser Alexander Rothweill uit Gran Caf\u00e9 Boulevard. D\u00fcnya wil de feestelijke onthulling en demonstratie van het Turkse luchtschip aanwenden om weer in de gratie te komen bij de gezagdragers en zodoende haar ballingschap te laten be\u00ebindigen. Maar ze overstijgt haar natuur, want wat in haar rest aan goeiige inborst wordt tot in de diepste vezel aangesproken door Julia. D\u00fcnya zorgt er in een hermansiaans (W.F.) tafereel voor dat ze zichzelf onwaardig gedraagt, juist met de bedoeling haar surrogaatdochter een pijnlijk moment te besparen. <\/p>\n<p>Een daad van enorme zelfopoffering, tot dusver een zeldzame grootheid in Lieskes proza. Zo bezien is D\u00fcnya niet alleen een roman over een onconventionele \u2013 erotisch zelfs groezelige \u2013 vader-dochterverhouding, maar algemener, ook een verhaal over kennelijk moeilijk in te dammen ouderschapsdrift. In wat in de Amerikaanse fictie, hemelstelsels verwijderd van Lieske-land, een nucleaire familie heet. Ik denk dat Lieske zich voor zijn doen zo beteugeld heeft in D\u00fcnya omdat hij aldus, door het wedervaren van zijn personages te benadrukken, het parabelgehalte van zijn roman kon vergroten. Niet zomaar zegt D\u00fcnya dat haar naam \u2018wereld\u2019 betekent \u2013 D\u00fcnya is Lieskes parabel over de wereld.<\/p>\n<p>Niet dat daarmee een hapklare filosofie binnen handbereik komt. Aan idee\u00ebn is een Lieske-roman eerder diffuus dan gecompliceerd en ingenieus \u2013 de auteur acht ik, met alle respect, geen denker. Wat hij presenteert in zijn romans is een collage van tegenstrijdigheden, bezwangerd met meerduidige beelden. \u2018Ik geloof in de mogelijkheid, ik geloof in de fantastische idee\u00ebn,\u2019 luidt een veelzeggend Lieske-citaat, in Gran Caf\u00e9 Boulevard. Wat gevoeglijk aangeduid wordt met zeggingskracht, komt net als in Lieskes eerdere romans vooral neer op een gevoel \u2013 niet verwonderlijk bij zo\u2019n prozaschrijvende dichter als Lieske \u2013 maar in D\u00fcnya is dat gevoel niet langer vrijblijvend.<\/p>\n<p>Shakespeare, Nabokov, dat soort giganten noemt Lieske als verwanten. Best, hoor. Zelf doet zijn werk me eerder denken aan de romantische verbeeldingswereld van de Argentijnse tekenaar en proza\u00efst Hugo Pratt, met name aan diens verhalen over de avonturier Corto Maltese. Niet alleen in zoiets onbenoembaars als de sfeer. Er is datzelfde vermeien in de historie, diezelfde hang naar magie, po\u00ebzie en esoterie, datzelfde accent op wreedheid en liefde, datzelfde besef van vanitas, datzelfde finale inzicht dat scharnieren tussen twee werelden een illusie is. Het grote verschil is dat Pratts helden filosofisch berustender zijn dan die van Lieske. En eigenlijk ook dat heldendom niet voorkomt bij Lieske. In zijn wereld is Corto Maltese absent en hebben de smoezelige bijkarakters, die zich menselijk, al te menselijk gedragen vrij spel. Een wereld zonder vreugde.<\/p>\n<p>Als navolger van Lieske dient zich alleen het recent ontloken talent Stijn van der Loo aan, auteur van de novelle De Galvano. Dat hij niet meer schrijvers \u2018aangeraakt\u2019 heeft, verklaar ik uit de aard van zijn werk. Als hij vaker boeken als de puntgave novelle Mijn soevereine liefde had afgeleverd, was hij meer navolgenswaard geweest. Je modelleert je tenslotte het best naar een voorbeeld dat af is. In plaats daarvan stort Lieske zich al meer dan een decennium lang op majeure, romaneske ondernemingen. Dat beeld van het door Simon en dr. Paul Grunwald te ontwerpen luchtschip is op Lieskes Icarus-inspanning nog het meest van toepassing. Hij weet dat het risico van mislukken groot is, maar toch waagt hij de hoge gooi. Soms stort hij neer, dan weer koerst hij langs de sterren. De schrijver\/waaghals\/avonturier Lieske ten voeten uit: altijd onderweg naar een ongekend universum.<\/p>\n<\/p><\/div>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Een ploeger, maar ook een avonturier, een verteller maar ook \u2013 op zijn betere momenten \u2013 een stilist. Om de prozaschrijver Lieske te lezen, moet de lezer al zijn verwachtingen loslaten en alleen onthouden dat Lieske ten diepste een dichter is.<\/p>\n","protected":false},"author":3380,"featured_media":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"content-type":"","footnotes":""},"categories":[269],"tags":[2373],"acf":[],"author_name":"","_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/114239"}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/types\/post"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/comments?post=114239"}],"version-history":[{"count":0,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/114239\/revisions"}],"author":[{"embeddable":true,"name":"AndorT","href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/users\/3380"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/media?parent=114239"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/categories?post=114239"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/tags?post=114239"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}