
 {"id":113103,"date":"2007-10-27T00:00:00","date_gmt":"2007-10-26T22:00:00","guid":{"rendered":"http:\/\/beta.vn.nl\/de-gulle-reus-die-met-beelden-smeet\/"},"modified":"2007-10-27T00:00:00","modified_gmt":"2007-10-26T22:00:00","slug":"de-gulle-reus-die-met-beelden-smeet","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/www.vn.nl\/de-gulle-reus-die-met-beelden-smeet\/","title":{"rendered":"De gulle reus die met beelden smeet"},"content":{"rendered":"<p>In memoriam \/ Jan Wolkers, de schrijver<\/p>\n<p>Het is hartverwarmend om te zien hoe een parade Bekende Babyboomers, schrijvers, politici, actrices en kunstenaars Jan Wolkers, sinds zijn verscheiden verleden vrijdag, in de media uitluidde. Zoveel werd duidelijk: een nationale knuffelbeer is niet meer. Een hartelijke gastheer, politiek ge\u00ebmotioneerd tot de laatste snik, een bewogen dierenvriend, een Mensch kortom. Neem alleen al zo\u2019n Wolkers-uitspraak: \u2018Ik denk vaak: het beste wat ik gemaakt heb, zijn mijn kinderen. Ik zou al mijn werk geven om ze een dag langer te laten leven.\u2019<\/p>\n<p>Tijdens de verwerkingssessies in de media kregen we af en toe een plaatje van een Wolkers-beeldhouwwerk te zien, maar zijn literaire werk kwam er bekaaid vanaf. Onderbelicht bleven zijn schitterende verhalen in Serpentina\u2019s petticoat, Gesponnen suiker, De hond met de blauwe tong. Verzwegen werd zijn meesterwerk Kort Amerikaans. Terug naar Oegstgeest, Horrible tango, De walgvogel en De kus: gezamenlijk genegeerd. Geen woord over al zijn enthousiasmerende essays.<\/p>\n<p>In plaats daarvan was het een en al Turks fruit. De reden daarvoor was, begreep ik, dat zovelen zich door dat boek uit 1969 \u2013 en de film van Paul Verhoeven uit 1973 \u2013 seksueel bevrijd voelden. Eindelijk verschenen de zo effectieve drieletterwoorden in de literatuur en werden in rauwe, vlezige en schuimende erotische taferelen de lusten geboekstaafd. Those were the days, my friend. Op foto\u2019s zien we hem piemelnaakt ronddarren, vergezeld door zijn rondborstige echtgenote. Zo openlijk narcistisch beschrijft hij in Groeten van Rottumerplaat (1971) zijn ochtendgymnastiekoefeningen: \u2018Moet een wonderlijk gezicht zijn. Een naakte man, vrij bruin, nogal harig, met de benen van een Griekse hardloper en de romp van een Romeinse imperator, tussen de teunisbloemen en de rolklaver bezig met knieheffen, opdrukken, armen zwaaien voor de borst langs met soms een ongeco\u00f6rdineerde beweging als hij met een kledder van zijn vlakke hand een lastige horzel of landmijt versplintert.\u2019<\/p>\n<p>De ironie in bovenstaand citaat zal menige tijdgenoot ontgaan zijn. Als schrijver en kunstenaar belichaamde Wolkers toen als geen ander de working class hero. Jan Wolkers (1925-2007): icoon van een generatie. Verguisd door moraalridders, zedenmeesters, orthodoxe gelovigen. Vereerd door jongeren die zich jong voelden en wat wilden, in de jaren zestig.<\/p>\n<p>Geloofsrelicten<\/p>\n<p>Hoe anders was dat al voor de generatie daarna. Als scholier leerde ik Wolkers eind jaren zeventig kennen als een van de vele auteurs op de zogeheten literatuurlijst. Geen boek van hem was verboden. Sterker nog: Wolkers werd autoritair aanbevolen door het lerarenkorps, dat nogal wat gewezen student-revolutionairen bevatte. Al zijn titels stonden in de schoolbibliotheek, rijen dik. Hij werd massaal gelezen, evenals Vestdijk, Reve, Hermans en, toen in mindere mate, Mulisch. De enige auteur die destijds onder de pubers met drukke hormonen die we waren, een heldenstatus genoot, was Jan Cremer, vanwege Ik, Jan Cremer (1964), de goedlachse rebel bij wie seks een lichtzinnig feest was. Zo anders dan bij Wolkers, bij wie erotiek, dood en religieus zondebesef hand in hand gaan. Met name die morose geloofsrelicten maakte Wolkers voor ons, vrijwel allen ongelovig opgevoed, een schrijver van lang geleden.<\/p>\n<p>Weliswaar verschenen er tijdens die schoolperiode in de jaren zeventig nog titels als De walgvogel en De kus, maar dat \u2018ons Indi\u00eb\u2019 daarin zo prominent aanwezig was, maakte ze niet bepaald brandend actueel. En met De doodhoofdvlinder uit 1979 was Wolkers als fictieschrijver al op zijn retour: overdadige symboliek en gebrek aan literaire urgentie.<\/p>\n<p>Andere schrijvers eisten aandacht, zeker in de jaren tachtig. Niet alleen de Grote Drie \u2013 Hermans, Mulisch, Reve \u2013 maar ook Claus, Kellendonk, De Jong en Van der Heijden. Jan Wolkers was klaar als fictieschrijver in de jaren tachtig. Alleen had hij dat zelf niet door. Roman na roman verscheen, de een nog matiger dan de andere, eerst De perzik van onsterfelijkheid, daarna Brandende liefde, vervolgens De junival, gevolgd door Gifsla en De onverbiddelijke tijd \u2013 toen las ik hem al niet meer. Wat mij betreft verbleken de erotische fantasie\u00ebn over de wijkverpleegster en het moeizame gekak van hond Snuit uit De perzik van onsterfelijkheid bij Wolkers\u2019 eerdere proza, bijna vijftienhonderd pagina\u2019s die ertoe doen, verzameld in Het vroege werk (2000).<\/p>\n<p>Schokkende beelden<\/p>\n<p>Het is wellicht ongepast om te zeggen, bij al die publieke rouw voor een bijna twee\u00ebn\u00adtachtigjarige die kon terugkijken op een vol bestaan, maar mijn weekend was goed na Wolkers\u2019 doodsbericht. Ik heb aan \u00e9\u00e9n stuk gelezen in zijn werk, genoten en mij gedwongen het beste daaruit te kiezen. Ben ik mild, dan zeg ik: zijn vroege werk, van Serpentina\u2019s petticoat tot en met De kus, het dagboek Groeten van Rottumerplaat, \u00e9n al zijn essays. Ben ik streng, dan worden het de verhalen \u2018Het tillenbeest\u2019, \u2018Gezinsverpleging\u2019, \u2018Serpentina\u2019s petticoat\u2019, \u2018De verschrikkelijke sneeuwman\u2019 en \u2018Dominee met strooien hoed\u2019, de roman Kort Amerikaans, het autobiografische Terug naar Oegstgeest, het requiem Turks fruit, het opstel \u2018Op de vleugelen der Profeten\u2019 \u2013 over de Bijbel.<\/p>\n<p>Wolkers schreef als een beeldhouwer, hoekig, direct, ambachtelijk, hij bediende zich in zijn scheppend proza van ontroerende en schokkende beelden, die het vertelde stutten en droegen, die aan het harde realisme de glans van po\u00ebzie gaven. Eigenlijk sm\u00e9\u00e9t hij in zijn proza met beelden, onverwacht \u2013 vandaar het schokeffect dat dikwijls bij lezing optreedt. De hij-figuur in \u2018Het tillenbeest\u2019 gaat op strooptocht in het verlaten kasteel waar zijn zus met Duitse soldaten kort daarvoor nog feest vierde. Zuslief is vermoedelijk met hen vertrokken. Hij werpt een marmeren beeld van een sfinx (\u2018het tillenbeest\u2019) in een latrine: \u2018De stront spatte omhoog. In de krater die het tillenbeest in de stinkende bruine massa had geslagen zag ik het half verteerde gelaat van mijn zuster, zwart als de geprepareerde huid van een indianenhoofd. Even maar. Toen stroomde de logge massa terug. Ik stond ademloos aan de rand van de latrine. Mijn haren leken rechtop te staan tot in de kruinen van de bomen waar de reigers hun blauwe haar tegen het bos uitspuwden.\u2019<\/p>\n<p>Brudersuche<\/p>\n<p>Een kenmerk van een groot schrijver is dat hij zich overtreffend kan herhalen. Wie Wolkers\u2019 proza chronologisch leest, vooral de verhalen tot en met Terug naar Oegstgeest, ziet hoe hij bleef schrijven over dezelfde autobiografische ervaringen. Zoals de dood van zijn oudere broer aan difterie, die bij het sterven een gebalde vuist naar hem opsteekt \u2013 zo gruwelijk mooi verbeeld in Kort Amerikaans: \u2018Met zijn laatste krachten kwam zijn broer moeizaam op zijn elleboog omhoog, toen knakte zijn hoofd opzij maar hij bleef Eric aankijken. Langzaam bracht hij zijn rechterarm omhoog en balde zijn vuist naar Eric. Toen viel hij terug in het kussen. Zijn mond ging steeds open en dicht. Tussen zijn lippen spanden taaie slijmdraden.\u2019 Wolkers vroege proza leest als een nooit eindigende Brudersuche.<\/p>\n<p>Er is meer dat zich bij lezing voorgoed vasthaakt in het geheugen: het demonische karakter \u2018de Spin\u2019; Olga\u2019s tragische vader; het enge jongetje in \u2018Dominee met strooien hoed\u2019 dat gevangen insecten en dieren wil \u2018braden\u2019 en voorstelt: \u2018Zullen we geilpompen?\u2019 Heeft iemand \u2018lichte ogen\u2019 bij Wolkers, dan is het meestal een zenuwpati\u00ebnt.<\/p>\n<p>Dan nog het immense mededogen met de dieren, dat in zijn werk de vorm aanneemt van wreed sadisme jegens weerloze dieren. De kern daarvan ligt besloten in een vroege sc\u00e8ne, die licht gevarieerd zal blijven opduiken: een dood dier wordt niet begraven, zoals het bij Gods schepselen betaamt, maar grofweg in een vuilnisbak gegooid \u2013 Wolkers zou zich daar nooit bij neerleggen. Ook de vraag of wormen een hart hebben, zul je niet snel tegenkomen bij een andere schrijver.<\/p>\n<p>Kut, lul, pik<\/p>\n<p>Hij was niet de taboeschenner die in hem gezien werd \u2013 Jan Cremer was veel extremer. Hoogstens was hij, maatschappelijk gezien, een emancipator voor van hun geloof gevallen zoekers-naar-zichzelf, die in waren voor een portie seksuele vrijmoedigheid. Het zij zo. Wat telt, is dat hij de literatuur een andere, directere uitdrukkingsvorm schonk dan die daarvoor in zwang was. Vestdijks kostelijke roman over een sleutelclub, Het verboden bacchanaal, is veel ranziger dan wat Wolkers ooit schreef, maar hij hield het in zijn omfloerste taalgebruik bij de suggestie. Wolkers benoemde, recht voor zijn raap. Kut, lul, pik, neuken. Schijten, reet, stront, zaad.<\/p>\n<p>Of hij debet is aan het minieme palet waar menige debutant vandaag over beschikt, waag ik te betwijfelen. Dat zal eerder voortkomen uit de dominantie van de beeldcultuur, ten nadele van het gedrukte woord. En uit de belabberde staat van het onderwijs, nu al decennialang. Van gymnasiumleraren hoor ik dat de veel indirecter formulerende Reve door scholieren en studenten nauwelijks gelezen wordt, maar Hermans en Wolkers nog wel. Het is de ironie van de literaire geschiedenis: ze zijn al vertrouwd met Wolkers\u2019 navolgers die een deelgebied exploiteren, Giphart voor de seks, Kluun voor de kanker, een handvol allochtone schrijvers voor ontworteling, en zijn dan aangenaam verrast the real thing te ontmoeten: de oude Jan.<\/p>\n<p>Ezelinnemelk<\/p>\n<p>Wolkers als non-fictieschrijver is een ander verhaal. Misschien zijn er wel twee schrijvers geweest onder de naam Wolkers. De beeldenstormer en de beeldenbewieroker.<\/p>\n<p>Was hij in de late jaren zeventig nog een vooraanstaand literaire auteur, de jaren tachtig pakten voor hem uit als een tijdperk van creatieve stilstand en zelfherhaling. Maar in de jaren negentig herrees hij uit zijn as, als na een leven van en voor de kunst tot mildheid gekomen, bevlogen essayist. Zijn beste bundels zijn Tarzan in Arles (1991), Rembrandt in Rommeldam (1994) en Mondriaan op Mauritius (1997). De laatste opent met een citaat uit Paul C\u00e9zannes correspondentie: \u2018Le temps et la r\u00e9flexion modifient d\u2019ailleurs peu \u00e0 peu la vision, et enfin la compr\u00e9hension nous vient.\u2019 Zo moet het hem vergaan zijn.<\/p>\n<p>Wolkers manifesteert zich in zijn essayistiek-op-gerijpte-leeftijd als gewetensvol hoeder van het culturele pandemonium, als geestdriftig en met name als aartsvaderlijke schoolmeester die machtig mooi en sappig kan vertellen en die reuze veel weet. Maar essays in de gebruikelijke zin van het woord, waarin speels geformuleerde denkbeelden een tastende rondedans uitvoeren, zijn het niet \u2013 bij gebrek aan opmerkelijke inzichten. Iemand die over Marten Toonder, Rembrandt, Vincent van Gogh, Multatuli, Marilyn Monroe of andere door Wolkers geportretteerde grootheden meer dan de bekende feiten te weten wil komen, druipt teleurgesteld af. Wel zal hij uitzinnig kunnen genieten van Wolkers\u2019 hoogst oorspronkelijke, taalwellustige beelden: \u2018Als Marilyn het sperma, die ezelinnemelk der schuwe dagdromers, dat over de hele wereld voor haar vloeide, had kunnen opvangen, had ze zich er dagelijks glansrijk in kunnen baden. De dolfijn van het smachtend verlangen, glinsterend van het vocht dat ze door haar verschijning had weten op te wekken.\u2019<\/p>\n<p>Zijn stukken gaan, via het antwoord op de zelfgestelde vraag wat hij nu precies met een persoon of een onderwerp h\u00e9\u00e9ft, vooral over Jan Wolkers zelf. Geen bezwaar, want in dat doorleefde onderwerp schuilt genoeg waardevol materiaal. Wolkers ultieme, persoonlijke verantwoording staat in \u2018Op de vleugelen der profeten\u2019, zijn opstel over de bijbel in Tarzan in Arles: \u2018Toen ik zelf ging schrijven en mijn eerste verhaal publiceerde, schreef men dat ik om zo\u2019n gaaf verhaal te kunnen schrijven vele jaren in stilte geoefend moest hebben. Niets was minder waar, maar ik liet het maar zo. Hoe had ik kunnen uitleggen dat mijn voorbereiding op het schrijverschap eigenlijk al prenataal een aanvang had genomen. Dat ik tot aan mijn zeventiende jaar, toen ik het ouderlijk huis verliet, niet zozeer gesticht was door een heilsboodschap als wel onderwezen in de wetten van dramaturgie, po\u00ebzie en dialoog. Dat ik dagelijks als het ware gebombardeerd was met een scala aan literaire vormen. Dat de kennis van de mens me met de paplepel ingegoten was. En dat ik, nog voordat mijn eerste baardharen doorkwamen, al alles af wist van incest, sodomie, broedermoord, het gruwelijkste bedrog en het verachtelijkste verraad. Maar dat ik toch door de bijbel, door die godsdienstige opvoeding, geleerd heb om alles zinvol te beleven en te zien. Om te leven alsof ik onsterfelijk ben terwijl ik me er terzelfdertijd van bewust ben dat ik ieder moment in de aarde weg kan zakken om voor eeuwig tot stof terug te keren.\u2019 En in Rembrandt in Rommeldam schrijft hij over het dagelijks voorlezen uit de Bijbel door zijn vader dat \u2018de woorden beeld werden\u2019 en in zijn geest ge\u00ebtst werden \u2018met het zuur der religieuze zekerheid\u2019. Toch is de heilige schrift niet de grote samenbrengende factor in zijn beschouwende werk. Dat is, hoe kan het anders, zijn eigen goede smaak. Niet langer is hij kunstproducent, maar \u2013 in dezelfde branche \u2013 dankbaar consument voor wie het beste net goed genoeg is. Goed is, zo zit dat, datgene waarvan hij vindt dat het goed is.<\/p>\n<p>Wolkers achtte het geheugen \u2018de speerpunt van de evolutie\u2019 en zijn zorg gold het verlies aan daarin opgeslagen gedachten en waarnemingen door de zeis van de dood. Zijn behoefte om tegen de keer in zoveel mogelijk vast te leggen en daardoor niet helemaal te vervagen, krijgt een menselijk gezicht door zijn bekentenis in een van die essays dat hij al veertig jaar lang velletjes wc-papier in zijn boeken stopte bij passages die hij belangrijk achtte.<\/p>\n<p>Het was weliswaar geen wc-papiertje, maar een rekening die ik aantrof in mijn exemplaar van Zwarte bevrijding (1995). In dat autobiografische essay herinnert Wolkers zich hoe een Duitse soldaat een SS-officier weerstond, hoe een plaatselijke, onbekend gebleven verzetsheld levens redde door zich op een handgranaat te werpen en hoe \u2013 daar zat die rekening \u2013 een vertrekkende Duitse soldaat reageerde op het kaalscheren van \u2018moffenhoeren\u2019 na de bevrijding: \u2018Toen ze de straat uit reden langs het weerzinwekkende volksgericht, stak een van hen zijn arm met gebalde vuist door het portierraam naar buiten en schreeuwde met een van woede vertrokken gezicht, \u201cWir kommen wieder mit Stalin!\u201d\u2019<\/p>\n<p>Liever raad ik Wolkers\u2019 advies over die wc-papiertjes niet aan \u2013 je blijft scheuren. En om misverstanden te voorkomen: Wolkers zit niet in de hemel. Die bezoekt hij af en toe om oude vrienden op te zoeken en valse profeten uit te foeteren. Doorgaans waart hij rond op Rottumerplaat, als de schipper die hij tijdens zijn verblijf aldaar in de zomer van 1971, omringd door duizenden meeuwen en een hulpbehoevende scholekster, af en toe in de nevel dacht te zien.<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Jan Wolkers de jonge auteur was niet de taboeschenner die in hem werd gezien \u2013 Jan Cremer was veel extremer. Wat telt is dat Wolkers de literatuur een andere, directere uitdrukkingsvorm schonk dan die daarvoor in zwang was. Als essayist-op-gerijpte-leeftijd werd hij een tot mildheid gekomen, bevlogen beeldenbewieroker.<\/p>\n","protected":false},"author":1023,"featured_media":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"content-type":"","footnotes":""},"categories":[293,27],"tags":[],"acf":[],"author_name":"Jeroen Vullings","_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/113103"}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/types\/post"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/comments?post=113103"}],"version-history":[{"count":0,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/113103\/revisions"}],"author":[{"embeddable":true,"name":"Jeroen Vullings","href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/users\/1023"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/media?parent=113103"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/categories?post=113103"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/tags?post=113103"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}