
 {"id":101443,"date":"2008-11-08T00:00:00","date_gmt":"2008-11-07T22:00:00","guid":{"rendered":"http:\/\/beta.vn.nl\/het-raadsel-johan-polak\/"},"modified":"2008-11-08T00:00:00","modified_gmt":"2008-11-07T22:00:00","slug":"het-raadsel-johan-polak","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/www.vn.nl\/het-raadsel-johan-polak\/","title":{"rendered":"Het raadsel Johan Polak"},"content":{"rendered":"<p>Profiel \/ Johan Polak \/ De laatste klassieke uitgever<\/p>\n<p>&#8216;In zijn droom wandelde Johan vaak door Amsterdam, en aan de overkant van de straat liep een groepje mensen met hem mee. Zij keken naar hem, hij naar hen, maar ze konden elkaar niet bereiken.&#8217; Frans Goddijn zit op een bankje tegenover de Athenaeum Boekhandel, op het Amsterdamse Spui. In Polaks laatste jaren was Goddijn diens partner in een maatschap, nu is hij beheerder van de stichting die naar de uitgever is genoemd. Hij kijkt uit over het plein en vervolgt: &#8216;In een andere droom liep hij langs een pand in de binnenstad en wist zeker: dit huis is ooit van mij geweest, er moet hier nog ergens een bibliotheek van mij staan. Maar hij kon er niet naar binnen.&#8217; In die nachtmerries toonden zich Polaks drijfveren, volgens Goddijn. &#8216;Hij wilde de herinnering levend houden aan wat in de oorlog ten onder ging. De mensen en de boeken.&#8217;<\/p>\n<p>Tot vlak voor zijn dood kwam Johan Polak hier vrijwel dagelijks. Om kranten te knippen in het Athenaeum Nieuwscentrum &#8211; vooral berichten over Isra\u00ebl, homoseksualiteit, holocaust en literatuur. Maar ook om zijn &#8216;kinderen&#8217; te zien, zoals hij de boekhandelaren noemde van het bedrijf dat hij hier in 1966 vestigde. &#8216;Het Spui wordt gedomineerd door het enorme witte pand van de boekwinkel, maar voor mijn gevoel stak Johan daar nog ver bovenuit,&#8217; zegt Goddijn.<\/p>\n<p>Uitgever Johan Polak was een indrukwekkende verschijning: rijzig, vaak met ringbaardje, stok in de hand, aktentas onder de arm, chic-eenvoudige jas, schoenen (\u00e9n overschoenen) maat 46. Behalve mecenas, uitgever, boekhandelaar en eredoctor was hij in zijn laatste jaren ook schrijver van cultuurpessimistische essays. Zelf zag hij vooral zijn beperkingen, als &#8216;dwerg tussen reuzen, het dorpsstationnetje waar de grote intercitytreinen al lang niet meer halt houden&#8217;. In zijn nawoord bij de bundel Het voorbeeldige boek, met Polaks sterkste essays, bevestigde dichter-classicus Piet Gerbrandy dat oordeel. Johan Polak was volgens hem vooral &#8216;de kampioen van de geleerde tussenzin&#8217;. Meer dan in zijn essayistiek lag de verdienste van Johan Polak in de boeken die hij uitgaf, verkocht en verzamelde.<\/p>\n<p>In de directiekamer boven de Athenaeum Boekhandel hangen prominent de portretten van Johan Polak en zijn mede-uitgever Rob van Gennep, die ruim veertig jaar geleden samen aan de wieg van de boekhandel stonden. Buiten takelen verhuizers de inboedel omhoog van al weer een nieuwe writer in residence van het schrijvershuis boven de boekhandel. &#8216;Helemaal in de geest van Joh\u00e1n,&#8217; zegt Athenaeum-directeur Maarten Asscher. &#8216;Die had ook altijd wel ergens een woning vrij voor bevriende schrijvers, kunstenaars en boekhandelaars.&#8217;<\/p>\n<p>Als pas afgestudeerde jurist solliciteerde Asscher ruim een kwart eeuw geleden bij Athenaeum-Polak &#038; Van Gennep, de uitgeverij van literaire reuzen als Marguerite Yourcenar, J.-K. Huysmans, Italo Svevo, Kavafis en Gerard Reve. Natuurlijk w\u00e1s er helemaal geen vacature. &#8216;Ik had er geen idee van dat er achter deze fantastische uitgeverij geen groot mediaconglomeraat zat, maar een kapitaalkrachtige homo die van mooie boeken hield. Het was een uitgeverij van anderhalve man en een paardenkop, no pun intended.&#8217;<\/p>\n<p>Polak was een klassieke mecenas, die geen return on investment verwachtte, zegt Maarten Asscher. &#8216;Als hij een boek uitgaf, deed hij dat omdat het betekenisvol voor hem was, niet om eraan te verdienen. Johan Polak heeft zijn miljoenen zonder enig winstbejag gestoken in de boekhandel, de uitgeverij en in individuele schrijvers en vertalers.&#8217; Een uitgever die zijn persoonlijke smaak en zijn bedrijf kan laten samenvallen, dat is iets van de vorige eeuw, denkt Asscher, die in zijn gedicht &#8216;De uitgever&#8217; beschrijft hoe Polak zich in een droom aan hem vertoonde: &#8216;Hij tooide \/  mij luchtig met wat voor het grijpen lag \/ aan complimenten &#8211; als vanouds &#8211; en gooide \/ citaten speels in &#8216;t rond, maar vol ontzag, \/ alsof hij bloemen over graven strooide.&#8217; Asscher voelt zich als directeur van de boekhandel hoeder en pleitbezorger van Polaks &#8216;engagement met de beschaving&#8217;. &#8216;Zijn bijna magische persoonlijkheid heeft daarmee te maken. Maar wat van Johan Polak over is, is vooral heel concreet. Want meer dan zijn onhollandse estheticisme, zijn neodecadente levenshouding of zijn essays over de ondergang van het avondland, beklijven de boekhandel en de uitgeverij.&#8217;<\/p>\n<p>Huis vol vrouwen<\/p>\n<p>Rob Polak, voormalig medisch onderzoeker en nu kunstschilder, wil niet beweren dat zijn drie jaar jongere broer door h\u00e9m aan de literatuur is geraakt. Feit is dat de zelfverzonnen sprookjes die hij hem voor het slapengaan vertelde nogal aansloegen. Johan vertelde die verhaaltjes door op de lagere school, tot ouders klaagden dat hun kinderen er nachtmerries van kregen. Bij de familie Polak thuis, aan het Amsterdamse Bachplein, waren er spanningen. Moeder Sara Polak-Schwarz was veel ziek en Johan schijnt een lastig kind te zijn geweest. De huisarts vond dat hij maar het beste uit huis kon worden geplaatst, zegt Rob. &#8216;Mijn vader zei: &#8220;Dat gebeurt niet, want dan heb ik er geen lol meer in.&#8221;&#8216; Vader Salomon Polak, &#8216;volgens de overlevering verreweg de aardigste man van de familie&#8217;, overleed drie maanden voor de inval van nazi-Duitsland &#8211; Rob was veertien, Johan elf jaar oud. Twee broertjes in een huis vol vrouwen, zo werd de situatie in de eerste jaren van de bezetting, toen alle joden in Nederland naar Amsterdam moesten verhuizen. Henri\u00ebtte Polak, de latere stichter van het Museum Henri\u00ebtte Polak in Zutphen, zuster van Sara, kwam vanuit Groningen met haar twee dochters inwonen. Haar man, de filosoof Leo Polak, was al begin 1941 opgepakt, net als een van hun dochters. Zij hebben de oorlog niet overleefd. &#8216;Oma moest ook bij ons intrekken, met haar gezelschapsdame. Daar ontbrak dus wel een man.&#8217;<\/p>\n<p>De jongens moesten in 1942 net als alle joodse middelbare scholieren in Amsterdam naar het Joods Lyceum. Ze fietsten uit Amsterdam-Zuid via de Amstel naar hun nieuwe school aan de Stadstimmertuin. Johan zat er in klas 1L1, een parallelklas van die van Anne Frank. Er werd bijzonder goed onderwijs gegeven, maar er heerste vooral in het schooljaar 1942-1943 een onwerkelijke sfeer: terwijl de leraren de absenten opnamen, werd joods Amsterdam door de Duitsers leeggehaald. Ze kregen onder meer les van historicus Jacques Presser, die in 1957 een novelle over die tijd zou schrijven: De nacht der Girondijnen. In een briefje schreef Johan Polak later aan zijn vroegere leraar: &#8216;Sinds de uitgave van De nacht bent U geen ogenblik meer uit mijn gedachten geweest.&#8217; Johan zou altijd contact houden met zijn vroegere leraar en schrijver van Ondergang, het standaardwerk over de moord op de Nederlandse joden.<\/p>\n<p>Als hij thuis kwam na school bouwde Johan op zijn jongenskamer aan een grote stellage van retorten en buizen met een onduidelijke functie. Een indrukwekkend bouwwerk dat er prachtig uitzag, maar dat niet werkte, vertelt Rob Polak. &#8216;Johan wist helemaal niets van scheikunde. Het was vooral een esthetisch object, om mee te imponeren.&#8217; Hij aarzelt even en zegt dan: &#8216;Daar ligt een parallel met zijn latere boekenverzameling. Een prachtige collectie, maar de vorm leek soms belangrijker dan de inhoud. Al had Johan zeker een grote liefde voor literatuur en boeken.&#8217;<\/p>\n<p>Bij een razzia werd de familie opgepakt en afgevoerd naar Westerbork &#8211; dat de familie werd verraden door de kinderjuffrouw wil Rob Polak nog steeds liever niet geloven &#8211; maar na een week of twee waren ze al weer terug in Amsterdam. De tijdelijke niet-joodse directie van het familiebedrijf Polak &#038; Schwarz regelde een stempel in het persoonsbewijs dat een tijdlang een soort bescherming bood. Uiteindelijk kreeg de familie toch een seintje: tijd om onmiddellijk onder te duiken. Rob werd ondergebracht via een neef die in het verzet zat, puber Johan en zijn moeder wachtten het einde van de oorlog af in een pension in Voorthuizen, in de buurt van Barneveld.<\/p>\n<p>Na de onderduik kende Rob zijn broer nauwelijks terug. &#8216;Hij was enorm gegroeid, had een lang gezicht gekregen, grote handen, een zware stem.&#8217; Johan Polak was in de onderduik een man geworden en zo gedroeg hij zich ook toen zijn ouderlijk huis gekraakt bleek te zijn door andere teruggekeerde joden. Rob Polak: &#8216;Johan is naar ons huis op het Bachplein gegaan en heeft aangebeld &#8211; ze gaven geen sjoege. Met zijn nieuwe, zware stem riep hij: doe open, of ik schiet het slot kapot. Toen ging de deur dus w\u00e9l open.&#8217;<\/p>\n<p>Na de bevrijding kon Johan Polak weer naar school. Met zijn imponerende persoonlijkheid en gestalte werd hij klassevertegenwoordiger en later &#8216;regent&#8217; van alle leerlingen op het Amsterdams Lyceum. Na zijn eindexamen werd hij afgekeurd voor militaire dienst. Niet vanwege zijn homoseksualiteit, denkt Rob Polak. &#8216;Dat hoefde niet, hij had kwalen genoeg.&#8217; Het jodendom en het joods-zijn (als iemand hem aansprak als &#8216;meneer Cohen&#8217; riposteerde hij onmiddellijk: &#8216;Polak en ook een Jood&#8217;) bleven voor Johan Polak een voortdurende kwestie, zegt zijn broer. &#8216;Hij worstelde met de vraag naar het waarom van de vernietiging van de Joden en zijn eigen overleven.&#8217; De voornamelijk Franstalige bibliotheek van vader Salomon Polak met veel Villon, Rabelais, Racine maar ook Baudelaire, Colette en erotica, bleek na de oorlog geheel te zijn weggevoerd. Johan heeft die bibliotheek dus niet kunnen erven, zegt Rob Polak. &#8216;Maar al had hij een volstrekt andere literaire smaak, hij erfde wel mijn vaders boekenliefde. Je zou kunnen zeggen dat hij zijn leven gewijd heeft aan het heroprichten van die verloren bibliotheek, door bibliofiele boeken te verzamelen en door boeken uit te geven.&#8217;<\/p>\n<p>Macabere grappen<\/p>\n<p>Net als Maarten Asscher maakte Mark Pieters &#8211; nu uitgever van Athenaeum-Polak &#038; Van Gennep, dat nog steeds bestaat, zij het niet meer als zelfstandige uitgeverij &#8211; als jonge twintiger kennis met de boeken van Johan Polak. Pieters was na een korte loopbaan als koopvaardij-officier Nederlands gaan studeren en kwam als redacteur terecht bij de uitgeverij. Pieters moest Johan Polak, die alleen nog adviseur was, een exemplaar brengen van alle nieuwe uitgaven. Hij was een beetje bang voor de belezen Polak, die graag en veel uit de wereldliteratuur citeerde in de al dan niet gespeelde veronderstelling dat zijn gesprekspartner \u00f3\u00f3k al die citaten van Mallarm\u00e9 en Stefan George paraat had.<\/p>\n<p>Inmiddels vindt Pieters dat de rol van Polak als uitgever moet worden gerelativeerd. &#8216;Johan claimde de ontdekking voor Nederland van auteurs als Witold Gombrowicz en Marguerite Yourcenar, die in feite al eerder bij andere Nederlandse uitgeverijen waren verschenen. Het aantal door hem uitgegeven teksten uit de oudheid is lang niet zo belangwekkend als iedereen denkt en een heel consci\u00ebntieuze tekstbezorger van edities was hij ook al niet.&#8217;<\/p>\n<p>Als ze hadden moeten samenwerken, was het een ramp geworden, zegt Pieters. &#8216;Zoals Polak de winst van de door Rob van Gennep bedachte paperbacks uitgaf aan een absoluut onverkoopbare editie van de dichter P.C. Boutens! Geweldig, maar onmogelijk.&#8217; Uitgeverijen zijn de laatste jaren steeds meer op elkaar gaan lijken, vindt Pieters, en het rendement is allesbepalend geworden. &#8216;Daar is vrees ik niet veel aan te doen, jammer dat die markante, excentrieke figuren zijn verdwenen. We missen eigenzinnige types als Geert van Oorschot, Thomas Rap en Johan.&#8217;<\/p>\n<p>Athenaeum-Polak &#038; van Gennep geeft nog steeds boeken uit in de geest van Johan Polak, alleen wordt er nu w\u00e9l geld mee verdiend, zegt Pieters. &#8216;Onze serie Perpetua, de honderd beste boeken van de wereld in de mooiste reeks, zou hij zeker hebben goedgekeurd.&#8217; Pieters kan het weten, zijn doctoraalscriptie ging over het fonds van zijn voorganger. &#8216;Een oneerbiedige telling bracht een onevenredig groot aandeel van Joodse en homoseksuele schrijvers aan het licht.&#8217; Ook weer niet h\u00e9\u00e9l verrassend, gezien de gevleugelde uitspraak van Polak: &#8216;Alle grote literaire talenten van de twintigste eeuw zijn volledig homo.&#8217;<\/p>\n<p>Johan Polak zelf was elf jaar lang in psychoanalyse geweest &#8216;om de redenen van mijn homoseksualiteit te ontdekken&#8217;. Vervolgens was hij een van de eerste homo&#8217;s die in de media geen geheim maakten van hun seksuele voorkeur. Samen met onder anderen Gerard Reve was hij redacteur van het COC-tijdschrift Dialoog. Begin jaren vijftig was Johans geaardheid alleen in kleine kring bekend, zegt Rob Polak. &#8216;Hij had thuis wel verteld dat hij van jongens hield. Dat was even een schok voor mijn moeder. Ik heb hem toen zo fel verdedigd dat ze aan mij vroeg: ben jij soms \u00f3\u00f3k homo?&#8217;<\/p>\n<p>Zijn medestudenten klassieke talen, begin jaren vijftig, wisten niets van zijn homoseksualiteit, zegt medestudente Marietje d&#8217;Hane-Scheltema, met wie Polak goed bevriend raakte. &#8216;Ik vond hem machtig interessant, maar ik was niet verliefd op hem.&#8217; De oudere medestudent nam haar mee op tochtjes naar bewonderde hoogleraren en vertelde haar over de grote dichters Gorter en Boutens alsof hij ze hoogstpersoonlijk had gekend.<\/p>\n<p>Polak leerde in die studietijd ook wiskundestudent Frits Bolkestein kennen, de latere VVD-politicus en eurocommissaris. Bolkestein was zeer ge\u00efnteresseerd in de Franse symbolisten en nam contact op met Johan Polak. &#8216;We spraken elkaar voor het eerst in Americain, toen nog een levendig caf\u00e9. Het ging over Baudelaire en Mallarm\u00e9. Later, toen ik Grieks had als bijvak, zaten we samen in de collegebanken.&#8217;<\/p>\n<p>Toen Johan Polak zijn studentenkamer aan de Bloemgracht verliet, nam Frits Bolkestein die van hem over. &#8216;We raakten bevriend, en dat zijn we gebleven. Een intellectuele vriendschap, mind you.&#8217; Het ging in hun gesprekken zelden over politiek, in dat soort laag bij de grondse zaken verdiepten ze zich destijds niet. &#8216;Het ging altijd over literatuur,&#8217; zegt Bolkestein. &#8216;Over Diogenes, of over Sallustius, die Johan heel mooi heeft vertaald onder zijn pseudoniem Herman Delano.&#8217; Dat zijn vriend zich verschool achter een fa\u00e7ade van ironie, daarmee had Frits Bolkestein geen enkele moeite. Integendeel. &#8216;Ik moest vooral erg lachen om zijn tamelijk macabere grappen. Kwam ik hem tegen op de fiets en vroeg ik: waar ga je naartoe? Dan antwoordde hij met die sonore stem van hem steevast: &#8220;Ik ben onderweg naar een van mijn v\u00e9le doktoren.&#8221; Johan had een sardonisch gevoel voor humor, niet gespeend van zelfspot. Dat vond ik sympathiek.&#8217;<\/p>\n<p>Hypochondrie bleef altijd een favoriet tijdverdrijf. Toen Polak in het najaar van 1987 de aankondiging kreeg dat hij in januari van het volgende jaar een eredoctoraat zou krijgen, was zijn typerende antwoord: &#8216;O, wat j\u00e1mmer, wat had ik daar graag b\u00edj willen zijn.&#8217; Marietje d&#8217;Hane-Scheltema, de later met een eredoctoraat bekroonde vertaalster klassieke talen, kon ook wel lachen om Polaks &#8216;speciale verschijning&#8217; met dandyeske trekken.  Een groepje studenten klassieke talen kwam regelmatig bijeen bij D&#8217;Hane thuis. &#8216;Johan zat dan in een van de grote fauteuils, de andere studenten zaten om hem heen op de grond, te luisteren.&#8217; Ze herinnert zich een lezing van Polak over Leopold, toen al zijn favoriete dichter.<\/p>\n<p>Zijn oorlogservaringen waren nooit onderwerp van gesprek &#8211; &#8216;niemand sprak in die tijd over de jodenvervolging&#8217; &#8211; maar dat de oorlogsangst nog altijd heel dichtbij was, merkte D&#8217;Hane-Scheltema in november 1956, toen Polak volstrekt in paniek raakte na de Russische inval in Hongarije. &#8216;Johan was helemaal in de war en stelde voor dat mijn vriend en ik onze koffers zouden pakken, zodat we op zijn kosten zo gauw mogelijk naar Nice konden vluchten, om van daaruit door te reizen. Dat deden we natuurlijk niet. Hij was in onze ogen overdreven bang voor het communisme.&#8217;<\/p>\n<p>Familiekapitaal<\/p>\n<p>Als erfgenaam van de door een Amerikaans bedrijf overgenomen reukwarenfabriek Polak &#038; Schwarz had Johan Polak al jong veel geld. Het gaf hem de uitspraak in die hij zijn leven lang in verschillende varianten herhaalde: &#8216;Dat ik Jood ben, daar tillen de mensen niet zo zwaar aan. Dat ik homoseksueel ben, vinden ze misschien al wat minder. Maar dat ik r\u00edjk ben, kijk, d\u00e1t zullen ze me nooit vergeven.&#8217;<\/p>\n<p>Dankzij datzelfde familiekapitaal (Rob Polak: &#8216;Het nam mythische proporties aan, maar Johan had de Quote 500 \u00e9cht niet gehaald&#8217;) kon de jonge Johan Polak eind jaren veertig geld lenen aan de twintig jaar oudere uitgever Geert van Oorschot, die toen net een literaire uitgeverij was begonnen. Polak financierde met zijn bijdrage de uitgave van het werk van Leopold. Hij deed ook het grootste deel van de redactie van het boek, maar kreeg daar in de uitgave geen credits voor. De grote teleurstelling daarover was het begin van een levenslang moeizame verhouding met Van Oorschot. Die noemde Polak in een brief aan Gerard Reve &#8216;zielig&#8217;, maar is in zijn correspondentie met Reve vooral voortdurend pissig over Polaks zoveel ruimere financi\u00eble armslag: &#8216;Ik heb een eikenhouten tafeltje doormidden geslagen toen Polak, die mij eens wat geld had geleend, vond dat mijn zoon Guido zijn yoghurtbordje dagelijks wel mocht afwassen. Gelukkig dat de slag niet op dat vreemd gevormde hoofd is neergekomen.&#8217; En dan hield hij zich nog in: &#8216;Ik ben bang dat je mijn brief eens, in een zwak moment, aan Johan B.W. Polak verkopen zal. En dat remt me af.&#8217;<\/p>\n<p>Staalblanke benen<\/p>\n<p>Johan Polak was er, niet ten onrechte, van overtuigd dat zijn leermeester in het uitgeversvak hem beschouwde als een absolute nul. Inderdaad was Van Oorschot in brieven en interviews vaak schamper over het fonds van zijn leerling: dooie schrijvers uitgeven en er nog geld bijleggen ook, dat vond hij geen kunst. Zelf noemde Polak de kennismaking met Geert van Oorschot niettemin &#8216;van beslissende invloed op mijn leven&#8217;. Na zijn eerste uitgeefervaringen met Van Oorschot werkte Polak mee aan de kleine uitgeverij De Beuk, en maakte hij een reeks boeken voor uitgeverij Boucher. Eind jaren vijftig leerde hij Rob van Gennep kennen, &#8216;de man met de staalblanke benen&#8217;, en toen begon het pas echt. Beginnend dichter en dienstplichtig militair Rob van Gennep en leraar klassieke talen Johan Polak ontmoetten elkaar voor het eerst in de Haagse Bodega De Posthoorn. Het was, in ieder geval van zijn kant, een coup de foudre, zei Polak later. En, voegde hij daaraan toe, misschien zelfs zonder ironie: &#8216;Dat ik Rob ontmoette, is een ommekeer in mijn leven geweest. Ik kan godsonmogelijk zonder hem.&#8217; De twee smeedden plannen voor een uitgeverij, met als eerste stap, in 1959, de oprichting van het literaire tijdschrift Cartons voor Letterkunde. Behalve dichters als Martin Veltman en Maurits Mok schreef ook Rob van Gennep zelf &#8211; onder pseudoniem &#8211; in dat tijdschrift. Op 1 september 1962 werd uitgeverij Polak &#038; Van Gennep gevestigd in de studentenwoning van Rob van Gennep in de Amsterdamse Handboogstraat, op een steenworp afstand van het Spui. Derde man werd Jaap Jansen, die met Rob studeerde aan de Politiek Sociale Faculteit (PSF), bijgenaamd &#8216;de rode faculteit&#8217;. De rolverdeling was meteen duidelijk, zegt Jaap Jansen: &#8216;Rob en Johan kwamen uit goeie families, ze hadden allebei graag knechten. En voor die rol was ik geknipt.&#8217;<\/p>\n<p>Jansen deed het kantoor en de boekhouding, Rob van Gennep was op pad om boeken te verkopen. Johan Polak gaf aanvankelijk nog Grieks en Latijn op het Amsterdamse Spinoza Lyceum. Hij kon geen orde houden en plengde tranen als hij zijn geliefde dichters voorlas, terwijl de leerlingen keet schopten. Zijn toekomst lag niet voor de klas en bovendien ging het na verloop van tijd zo goed met de uitgeverij dat Polak besloot fulltime uitgever te worden. Jaap Jansen: &#8216;Dat wilde in zijn geval zeggen dat hij rond het middaguur eens kwam kijken op de uitgeverij. Johan had een notitieboek vol kwaliteiten, maar een harde werker was hij niet. Dat hoefde ook niet, want hij was heel intelligent en dacht snel.&#8217; Als hij zoekt naar het motief dat de drie jonge ondernemers dreef, komt Jansen onvermijdelijk uit bij de Tweede Wereldoorlog. &#8216;Wij hadden als kind die rotoorlog meegemaakt, en toen we ouder werden, kwamen we tot de ontdekking: er heeft zich een catastrofe afgespeeld en niemand pr\u00e1\u00e1t erover. Johan was familie kwijtgeraakt, de vader van Rob zat in het verzet, maar zweeg. Er achter komen hoe dat allemaal had kunnen gebeuren, dat was de bodem onder de politieke bewustwording van Rob en van mijzelf.&#8217;<\/p>\n<p>Johan Polak trok een andere conclusie: hij greep juist terug op de traditie, op de klassieken. Hij verschanste zich in een literaire wereld uit betere tijden, onaangetast door de holocaust. Als de schoonheid haar gezicht had verbrand, zoals Lucebert schreef, dan moest ze worden teruggevonden in de oudheid, in de romantiek, bij Herman Gorter en P.C. Boutens. Zo ontstonden al snel twee richtingen in de uitgeverij. Jaap Jansen: &#8216;Johan was vooral ge\u00efnteresseerd in de Tachtigers, Verwey, Leopold, en in opstellen over literatuur en literatuurgeschiedenis. Rob had meer met Sartre, met experimentele po\u00ebzie, met politieke boeken. Hij voelde de tijdgeest beter aan. En ik was het met hem eens.&#8217;<\/p>\n<p>Hand- en spandiensten<\/p>\n<p>Polak &#038; Van Gennep kreeg veel media-aandacht, maar draaide van meet af aan verliesgevend. De royale Amsterdamse grachtenpanden waar het bedrijf naartoe verhuisde &#8211; eerst aan de Prinsengracht, later aan de Keizersgracht &#8211; en de bijstortingen uit Polaks priv\u00e9kapitaal verhulden dat verlies op verlies werd geleden, zegt Jaap Jansen. &#8216;Maar Johan zei: &#8220;Jullie begr\u00edjpen het niet. We worden groot. H\u00e9\u00e9l groot. Dat z\u00ed\u00e9n jullie nog niet.&#8221; De geruchten over Polaks onmetelijke rijkdom trokken een reeks gelukzoekers aan &#8211; soms ook potenti\u00eble auteurs. Zo kreeg Hans Plomp als zeventienjarige schrijver de wijze raad van zijn oudere collega Gerard van het Reve: &#8216;Trek een schone onderbroek aan en maak een afspraak met Johan Polak.&#8217; Plomp, medestichter van de voormalige hippiecommune Ruigoord, herinnert zich dat eerste bezoek nog scherp. &#8216;Johan woonde op de Minervalaan met zijn moeder, een deftige joodse dame die helemaal buiten deze wereld leefde. In het huis hing de sfeer van ver voor de oorlog, Johan had daar een klein kamertje waar hij dingen deed die zijn moeder absoluut niet mocht weten.&#8217;<\/p>\n<p>Johan Polaks verschijning maakte indruk op de jonge Plomp. &#8216;Een lange, magere man met het hoofd van een waterspuwer op een oude kathedraal.&#8217; Omgekeerd was de uitgever volkomen van de kaart, herinnert Plomp zich. &#8216;Ik merkte dat alleen omdat hij vrijwel meteen de kamer verliet toen ik binnenkwam.&#8217; Later vertelde Polak aan Plomp dat hij zo geschokt was geweest door diens schoonheid dat hij had moeten braken. &#8216;Hij zei: ik houd veel van de Griekse cultuur en ik ben heel erg van je onder de indruk geraakt. Zou ik je niet eens naakt mogen zien?&#8217; Al snel ontwikkelde zich een soort relatie. Plomp, die op zijn achttiende &#8216;moest&#8217; trouwen, kreeg een toelage en een huis van Polak. In ruil daarvoor vertaalde hij James Purdy en George Steiner, nam die vertalingen wekelijks door met Johan Polak en leverde daarnaast seksuele hand- en spandiensten.<\/p>\n<p>&#8216;Het was een treurige vorm van seks,&#8217; zegt Hans Plomp, &#8216;maar Johan was zeker niet meelijwekkend. Eerder had hij iets mefistofelisch. En in mijn leven was hij een mentor in de Griekse zin: de oudere filosoof die een jonge knaap bemint en tegelijk opleidt. Hij vergeleek onze relatie graag met die tussen Rimbaud en Verlaine. Ik vergezelde hem naar de Fiacre in de Lange Leidsedwarsstraat, een van de eerste homobars van Amsterdam. Of we gingen naar een concert van Frank Zappa. Maar we bezochten ook samen de grote dichter J.C. Bloem, van wie hij later de Verzamelde Gedichten zou uitgeven. Johan Polak was voor mij een brug naar een voorbije literaire wereld: die van de Tachtigers, van Hans Lodeizen, van P.C. Boutens.&#8217; Kunst was belangrijker voor Polak dan het leven zelf, zijn ironische afstandelijkheid liet hij alleen varen in de literatuur, merkte Plomp. &#8216;Hij gaf me voor mijn verjaardag eens een Japanse nachtegaal. Toen dat vogeltje doodging, heeft hij gehuild. Niet over dat beestje, maar vanwege Keats, en diens &#8220;Ode to a Nightingale&#8221;, met de beroemde regel: &#8220;Thou wast not born for death, immortal Bird!&#8221;&#8216;<\/p>\n<p>Plomps debuutroman De ondertrouw beschrijft hoe de corrumperende verhouding tussen een oude, rijke homoseksuele postzegelverzamelaar en een jonge, losbandige hetero uit de hand loopt. Het is een schrille, uitvergrote versie van hun verhouding, zegt Plomp. Dat hij in werkelijkheid niet over de schreef ging, was mede dankzij de zorgen van de latere eetschrijver Johannes van Dam, die ook een aantal jaren bij de Athenaeum-boekhandel werkte. Van Dam, die met beide mannen bevriend was: &#8216;Johan viel op heterojongens, de seksuele gerichtheid van de aanbedene was daarbij niet van belang. Hans Plomp was een grote liefde van Johan &#8211; en ik heb hem uit de klauwen van Johan weggetrokken. Het was niet goed voor hem. Als hij naar Johan ging, moest hij drugs nemen omdat hij het anders niet redde. Nee, ik zie geen enkele tegenspraak tussen Polaks estheticisme en zijn grove zijde. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille.&#8217; Plomp herinnert zich dat iets anders: &#8216;Johannes hield ons een beetje in de gaten en dat was ook wel nodig. Ik was wild, gebruikte drugs, deinsde voor vrij weinig terug. En Johan was ondanks alles toch een keurige heer, die mij zeker ook als een soort zoon zag.&#8217; Plomp las zijn roman (ondertitel: een somber herenboek in negen hoofdstukken) bladzij voor bladzij voor aan Johan Polak. De uitgever toonde zich gefascineerd over die duistere weergave van hun relatie. Maar tegelijk hield hij de boot af, vertelt Plomp. &#8216;Johan vond dat hij het boek beter niet zelf kon uitgeven. &#8220;Dat zou prot\u00e9g\u00e9werk zijn,&#8221; zei hij. &#8220;Dat is geen goed begin van je carri\u00e8re.&#8221;&#8216;<\/p>\n<p>Eenvoudige Lancia<\/p>\n<p>Polak beperkte zich als uitgever aanvankelijk tot klassiekers en literair-wetenschappelijke boeken. Een van de eerste uitgaven van Polak &#038; van Gennep was het literaire tijdschrift Merlyn. Bij de oprichtingsvergadering, boven in het huis van Geert van Oorschot, waren vooral de redacteuren Kees Fens, J.J. Oversteegen, en H.U. Jessurun d&#8217;Oliveira aan het woord. Grafisch ontwerper Jacques Janssen was er ook bij. En Johan Polak was bescheiden aanwezig als kandidaat-uitgever. Polak zweeg de hele avond, herinnerde Kees Fens zich enkele maanden voor zijn dood, in juni van dit jaar. &#8216;Johan Polak kon zichzelf verregaand wegcijferen. Hij deed of hij in dit talentvolle gezelschap blij mocht zijn dat hij er was.&#8217; Pas aan het eind van de avond sprak Polak, van wie het welslagen van de plannen geheel afhankelijk was, de even simpele als verlossende woorden: &#8216;G\u00e9ld is natuurlijk geen enkele moeilijkheid.&#8217; Fens, afkomstig uit een eenvoudig milieu, was diep onder de indruk. &#8216;Na afloop stelde hij voor dat ik hem naar het station zou brengen. Wat een prachtige auto, zei ik tegen hem terwijl we instapten. Toen antwoordde Johan, en dat maakte n\u00f3g meer indruk op me: &#8220;Weet u, meneer Fens, het is maar een eenvoudige Lancia.&#8221;&#8216;<\/p>\n<p>Onmogelijk klein petje<\/p>\n<p>Fens schreef vaak over Johan Polak, voor het laatst vorig jaar in zijn boekenweek-essay Op weg naar het schavot: &#8216;Er hing altijd een vermoeden van spot rondom hem, van onzekerheid over elke ernst.&#8217; De oorlog zag hij als de sleutel om het &#8216;zelfgeschapen raadsel Johan Polak&#8217; te verklaren. &#8216;Dat verleden veroorzaakte een grote onthechtheid ten opzichte van relaties en bezit &#8211; daaruit is ook zijn vrijgevigheid te verklaren. Toen hij dat schitterende pand Keizersgracht 608 had gekocht om er zijn uitgeverij in te huisvesten, met een plafondschildering van Mondriaan, zei ik tegen hem: als ik zo&#8217;n huis had, dan zette ik een stoel aan de overkant van de gracht en ging ik er de hele dag naar zitten kijken. Waarop Johan antwoordde: &#8220;Ach, Kees, na de oorlog heeft bezit voor mij geen \u00e9nkele betekenis meer.&#8221;&#8216;<\/p>\n<p>Fens wist nooit hoe serieus je dat soort opmerkingen moest nemen: &#8216;In al zijn uitingen hield hij je in onzekerheid. Dat heeft hem een groot gezag bezorgd, omdat niemand wist hoe hij moest reageren. Je was er nooit zeker van of de lof die hij over je uitstortte niet eigenlijk een opperste vorm van vernedering was.&#8217;<\/p>\n<p>Fens illustreerde het &#8216;mysterie Johan Polak&#8217; graag met de beschrijving van een ontmoeting in de trein, uit het oosten op weg naar Amsterdam. &#8216;In Arnhem stapte Johan de coup\u00e9 in, prachtige winterjas aan, samen met een jongeman. &#8220;Och, we storen toch niet?&#8221; Hij wendde zich tot die jongen, kennelijk een journalist, en zei, op mij wijzend: &#8220;Kijk d\u00e9ze meneer had je moeten interviewen, vergeleken met hem ben ik een absolute analfabeet.&#8221; In Utrecht liet Johan die jongen uit, een beetje alsof de trein van hem was. Hij kwam weer terug, de mooie winterjas ging weer uit, en we spraken over de holocaust.&#8217;<\/p>\n<p>Dat gesprek werd op het perron van Amsterdam CS vervolgd. &#8216;Toen haalde hij uit zijn jaszak een klein reclamepetje van de firma Samson, van de shag. Die lange man met dat grote hoofd zette dat onmogelijk kleine petje op. Het paste absoluut niet bij die chique winterjas en het kon zijn grote hoofd niet warm houden. Ondertussen praatte hij heel ernstig door over kampliteratuur. Ik stond daar op dat perron mijn wangen stuk te bijten, ik kon mijn lachen niet meer houden.<\/p>\n<p>Samenvattend: eerst is er de nederige Johan Polak, die jou de hemel in prijst. Dan is er de totale ernst van dat gesprek, want het lot van het jodendom ging hem toch het meest van alles aan het hart. En dan uiteindelijk het clowneske.&#8217; In die treinreis is het volledige beeld van Johan Polak vervat, vertelde Fens. &#8216;Hij bleef een raadsel voor me. Maar dat gaf niet. Want naast mijn ouderlijk huis heb ik aan niets of niemand zoveel te danken als aan Athenaeum, en dus aan Johan Polak.&#8217;<\/p>\n<p>Domme en slimme profiteurs<\/p>\n<p>Halverwege de jaren zestig was uitgeverij Polak &#038; Van Gennep uitgebreid met een aantal boekhandels. Gr\u00f3\u00f3t moesten ze tenslotte worden. H\u00e9\u00e9l groot. En wat is mooier dan een producent die rechtstreeks de markt bedient? Er was al een boekhandel in de Van Woustraat. Er kwam er eentje bij in de Banstraat. En later in Maastricht, aan het Vrijthof. Maar d\u00e9 Athenaeum Boekhandel opende in 1966 aan het Spui in Amsterdam. Die boekhandel en het drie jaar later geopende Nieuwscentrum, voor de linkse blaadjes van &#8216;het nietjesproletariaat&#8217;, werden een groot succes &#8211; zij het niet meteen ook financieel.<\/p>\n<p>Ko van Leest, al zo&#8217;n veertig jaar uitbater &#8211; tegenwoordig met aan zijn leeftijd aangepaste winkeltijden &#8211; van de vroegere Athenaeum-boekwinkel in de Amsterdamse Banstraat: &#8216;Johans kennis en bevlogenheid waren geweldig. Maar verkopen, nee, daar had hij bepaald minder aandacht voor.&#8217; Armlastige, linkse intellectuelen konden hun bibliotheek eenvoudig uitbreiden door proletarisch te winkelen bij Athenaeum. Van Leest: &#8216;Johan kon nog geen boek inpakken, en verkopen vond hij eigenlijk ook onzin. Ik heb meegemaakt dat een klant zei: dit boek is echt te duur. Waarop Johan antwoordde: &#8220;Mag ik het u in dat geval cadeau doen?&#8221;&#8216;<\/p>\n<p>Polak liet het zakelijke en het persoonlijke vrijelijk door elkaar lopen, dat zorgde voor gecompliceerde verhoudingen binnen het bedrijf. Een van de gevolgen was een te grote invloed van Polaks vriendenkring, zegt Van Leest. &#8216;Hij kon zomaar iemand aanstellen als nieuwe bedrijfsleider zonder dat aan het verdere personeel te melden.&#8217; Een van die favorieten van Polak schafte zich bij wijze van auto van de zaak een luxe wagen aan, een Jensen Interceptor MkII, waarmee hij al snel ergens van een dijk afreed. Ook verkocht Johan Polak bibliofiele boeken uit zijn bezit ver onder de prijs aan zijn beschermelingen, een omslachtige manier van geld weggeven, waarbij niemand zich bezwaard hoefde te voelen. Jan Meng, die in 1969 in dienst kwam bij de boekhandel: &#8216;Johan Polak maakte graag mensen van zich afhankelijk.&#8217; Meng herinnert zich hoe hij op zijn eerste werkdag te vroeg aankwam op het Spui. &#8216;Het Athenaeumgebouw stond in de steigers, er werd gewerkt aan de opening van het Nieuwscentrum, en ik streek neer op het terras van Hoppe. Een man die naast me zat, vertelde me: &#8220;Ja, die boekwinkel is van die homoseksuele joodse communist geloof ik, die te veel geld heeft.&#8221;&#8216;<\/p>\n<p>De werkelijkheid was iets ingewikkelder. Johan Polak, de decadente negentiende-eeuwer, zag weliswaar veel in de anarchistische idee\u00ebn van Provo, maar had een uitgesproken afkeer van alles wat op communisme leek. Hij werd tegen zijn zin steeds meer omringd door boekhandelaren die hun klanten de bestudering van Marx en Mao adviseerden. Jan Meng: &#8216;Het eerste wat Johan aan me vroeg was dan ook: &#8220;Je bent toch geen mao\u00efst, hoop ik?&#8221;&#8216;<\/p>\n<p>Vanuit de winkel zag je in 1969 de Maagdenhuisbezetting, zoals een paar jaar eerder de happenings van Provo bij het Lieverdje voor de deur plaatsvonden. Rob Stolk kreeg financi\u00eble bijdragen van Polak voor het drukken van het blad Provo, dat opriep tot het &#8216;liquideren van overheidsmisdadigers&#8217; dan wel tot het opblazen van de in aanbouw zijnde IJ-tunnel. De fototentoonstelling &#8216;Omdat mijn fiets daar stond&#8217;, over het politiegeweld tijdens het huwelijk van Beatrix en Claus, mocht van Johan Polak plaatsvinden in zijn pand aan de Prinsengracht, waaruit de uitgeverij toen net was vertrokken. De rel die bij die opening ontstond, werd door Louis van Gasteren vastgelegd in de gelijknamige documentaire.<\/p>\n<p>In dezelfde tijd sprong in de Athenaeum Boekhandel Johnny &#8216;the Selfkicker&#8217; van Doorn op de boekentafel en riep: &#8216;P\u00f3\u00f3l\u00e1\u00e1k, ik wil je g\u00e8\u00e8\u00e8ld!&#8217; Hij verwoordde daarmee wat velen dachten, vertelt Jan Meng. &#8216;Al die mensen die in de boekhandel langskwamen: &#8220;Is Johan Polak er misschien?&#8221; Er waren domme profiteurs en intelligente profiteurs, maar ze waren allemaal naar Johan op zoek voor geld, voor advies of voor een huis.&#8217;<\/p>\n<p>Meng moest als niet-gymnasiast worden ingewijd in de klassieken, en Johan Polak speelde zijn mentorrol ook ditmaal nauwgezet. &#8216;Hij gaf me wekelijks twee uur les over de oudheid. Misschien omdat hij me dan na afloop kon vragen: &#8220;Zeg, Jan, ik w\u00e9\u00e9t dat je geen homoseksueel bent, maar zou je me misschien even kunnen h\u00e9lpen?&#8221; Dat werd een running gag, maar het was niet all\u00e9\u00e9n maar grappig. Als je nee bleef zeggen, verloor hij op den duur zijn belangstelling voor je. En dat plaatste me in een moeilijke positie. Want ik had altijd wel geld geleend van Johan, voor een auto of voor een vakantie. En ik woonde in zijn huis.&#8217;<\/p>\n<p>Huizen waren belangrijk, er heerste grote woningnood in links-intellectuele kringen en Johan Polak bezat juist veel vastgoed, meest op prachtige locaties. De latere priester Antoine Bodar, Johannes van Dam, vertaler Theo Kars, schilder Joseph Cals (bekender als Gerard Reves vriend Jakhals), en vele anderen huurden huizen van Johan Polak.<\/p>\n<p>&#8216;Dat corrumpeerde behoorlijk,&#8217; geeft Jan Meng toe. &#8216;Ik mocht bijvoorbeeld een tijdlang in Johans ongelooflijk mooie villa aan het strand van het IJsselmeer wonen, in Muiderberg. Dat huis had hij aangeschaft met het idee dat auteurs van zijn uitgeverij zoals de cultuurpessimist George Steiner er in alle rust aan een boek konden werken. Maar ik gaf er enorme feesten, waar hip Amsterdam kwam. Johan kwam zelf ook af en toe in zijn villa logeren.&#8217;<\/p>\n<p>Kilometers boekenplank<\/p>\n<p>David Heijt onderhield al die huizen van Johan Polak, hij was dertig jaar lang diens priv\u00e9timmerman. Ze waren even oud, zegt Heijt, &#8216;maar ik noemde hem &#8220;meneer Polak&#8221;. Tegen mij zei hij: &#8220;meneer David&#8221;.&#8217; Waar Johan Polak kwam, was werk voor een timmerman. De boekhandel aan het Spui, een ontwerp van architect Wiek R\u00f6ling, werd grotendeels door David Heijt getimmerd. Net als de andere boekwinkels. En in elk huis waar Polak weleens woonde, moesten nieuwe boekenkasten komen. De Prinsengracht, de Keizersgracht, de Reguliersgracht, de Bloemstraat, Muiderberg, de De Lairessestraat, de Minervalaan. David Heijt glimt als hij terugdenkt aan al die kilometers boekenplanken, die honderden boekenkasten, getimmerd van uitsluitend het allerbeste hout. &#8216;Ik ging naar een grote houthandel, en na een dag uitzoeken had ik zo&#8217;n zeven kuub eikenhout, \u00e0 veertigduizend gulden. Ze waren verbijsterd toen ik zei: hier ga ik boekenkasten van maken. Doodskisten dachten ze dat het moesten worden.&#8217;<\/p>\n<p>Heijt moest soms een reparatie uitvoeren in Polaks bibliotheek, streng verboden gebied voor buitenstaanders. &#8216;Dan stoot je weleens tegen een boek aan. En dan zei hij later: meneer David, bent u boven geweest? Ik denk bij mijn eigen: hoe weet u dat nou. Zegt ie ja, want er stonden een paar boeken scheef. Hij zag dat meteen, want ze hoorden op de millimeter recht te staan.&#8217; Behalve boeken verzamelde Polak ook schilderijen &#8211; &#8216;vooral van arme schilders&#8217; &#8211; en ook daarbij speelde timmerman Heijt een rol. &#8216;H\u00f3nderden schilderijen heb ik voor hem opgehangen, met kettinkjes en koperdraad.&#8217; Heijt timmerde ook de boekenkasten voor de uitgeverij: \u00e9\u00e9n kast voor de meestal gebonden, kostbare uitgaven die Johan Polaks goedkeuring konden wegdragen. En een aparte kast voor de w\u00e9l goed verkopende paperbacks, boeken waarvoor Rob van Gennep en Jaap Jansen verantwoordelijk waren. Heijt: &#8216;Ze mochten niet bij elkaar staan, want paperbacks, daar rilde ie van.&#8217;<\/p>\n<p>Reve en van Oorschot<\/p>\n<p>De bestsellerlijst was geen argument, volgens Johan Polak. Hij kon het zich veroorloven om liever niets uit te geven dan slecht of onaf werk. Als je niet dood was, maakte je sowieso weinig kans om op zijn fondslijst terecht te komen. &#8216;Debuteren? Heeft dat wel zin?&#8217;, schreef hij eens. &#8216;Is dat niet alsof je aan bomen gaat schudden, waardoor nooit meer iets rijp wordt?&#8217; Schrijvers raadde hij aan toch vooral geen haast te hebben met hun debuut, het nog eens aan te kijken, het werk te laten rijpen. Zijn auteurs moesten hun kwaliteit bij voorkeur in de eeuwen na hun overlijden bewezen hebben. Het ging Johan Polak bij het uitgeven om de z\u00e9\u00e9r lange termijn, zei Kees Fens. &#8216;Ik was katholiek, maar h\u00edj geloofde in de eeuwigheid.&#8217; En Jacques Janssen, de vormgever die het fonds van Athenaeum-Polak &#038; van Gennep zijn strakke, tijdloze uiterlijk gaf, kreeg indertijd maar \u00e9\u00e9n opdracht, vertelt hij in het huis in Bloemendaal &#8211; dat hij trouwens dankzij een lening van Polak kon aanschaffen: &#8216;Je moet die boeken zo maken dat ze over driehonderd jaar n\u00f3g goed zijn.&#8217;<\/p>\n<p>Polaks fonds had kunnen pronken met jonge en later zeer succesvolle schrijvers als Jan Siebelink en A.F.Th. van der Heijden (&#8216;Zijn handschrift komt helemaal overeen met zijn mooie uiterlijk,&#8217; merkte Polak op over de jonge A.F.Th.). Ze lieten Polak net als Hans Plomp hun vroege werk lezen, maar de uitgever gaf het niet uit. Een uitzondering was Gerard Reve, met wie hij jarenlang een moeizame relatie had. Reve beschreef Polak in brieven afwisselend als &#8216;smerige Perdekop&#8217;, &#8216;de kameleon van de Keizersgracht&#8217;, een &#8216;criminele geest&#8217; en &#8216;een mengvorm van de psychopaat en de pathologische leugenaar&#8217;. Dat Polak Reve per se wilde uitgeven, had met bewondering voor diens grote talent te maken, maar niet minder belangrijk was dat Polak zijn rivaal Van Oorschot zo een forse slag kon toebrengen. Reve speelde daarin een dubbelrol, blijkt uit zijn twee jaar geleden gepubliceerde briefwisseling met Geert van Oorschot. De volksschrijver viste bij Polak naar mogelijkheden &#8211; hij wilde, mits goed betaald, ook best priv\u00e9 voor hem schrijven. Had Polak niet ook Reves exemplaar van De Avonden aangeschaft voor maar liefst vierhonderd gulden? En kocht hij niet ook Reves &#8216;oud papier, oude agendaas, oude schoenen etc. tegen gestaag stijgende prijzen&#8217;? &#8216;Ik wil ook wel zonder publikaatsiekansen aan je leveren, en rekening houden met bepaalde voorkeuren, maar het moet binnen mijn radius liggen. Bijvoorbeeld kak eten, daar breng ik noch in de praktijk, noch in mijn Kunst, iets van terecht.&#8217; Ondertussen bewerkte hij Van Oorschot om zich voor de vorm te verzetten tegen een overstap van Reve naar &#8216;de paardekop van de Keizersgracht&#8217; maar in de praktijk met Polak samen te werken. Want: &#8216;Hij is rijk en jij bent arm, omdat je arm geboren bent.&#8217; Van Oorschot antwoordde gepikeerd dat hij zonder geld toch echt meer had gepresteerd dan Polak &#8216;met al z&#8217;n millioenen&#8217;.<\/p>\n<p>Sprookjesachtig<\/p>\n<p>Pas toen Polak officieel geen leiding meer gaf aan Athenaeum-Polak &#038; van Gennep, benoemde hij Oscar van den Boogaard alsnog tot zijn enige zelf-ontdekte levende schrijver. Van den Boogaard woont en werkt tegenwoordig in Berlijn en Brussel. Zijn schrijversloopbaan begon toen hij het manuscript van zijn eerste roman, De onsterfelijke, naar Johan Polak stuurde. &#8216;Ik stond voor de boekenkast van mijn ouders op zoek naar een uitgever. Verreweg de mooiste boeken, naar inhoud en vorm,  waren van Athenaeum &#8211; Polak &#038; Van Gennep: Plato, Thomas More, Huysmans, Rimbaud.&#8217; Polak schreef terug dat hij hem graag wilde ontmoeten.<\/p>\n<p>De jonge schrijver meldde zich bij het monumentale pand Keizersgracht 608, waar Johan Polak hem vertelde dat hij werkelijk \u00e1lles had om een groot schrijver te worden. &#8216;Ten eerste: je bent bijzonder aantrekkelijk. Ten tweede: je komt uit een goede famielje. Ten derde: je hebt veel talent.&#8217; Oscar van den Boogaard kreeg een boekenlijst met honderdvijftig titels, te beginnen met Catullus, zodat hij zich eerst verder zou kunnen ontwikkelen. Daar voelde hij niet zoveel voor. En er was n\u00f3g een domper, vertelt Van den Boogaard. &#8216;Hij zei me dat alle schrijvers eerst dood moeten zijn. Dat was nogal ontmoedigend. Ik wilde nog helemaal niet dood.&#8217;<\/p>\n<p>De onsterfelijke zou dan ook nooit verschijnen, en de jonge schrijver vestigde zich als advocaat te Brussel. Maar toen hij drie jaar later zijn volgende roman Dentz voltooide, stuurde hij het manuscript toch weer naar Johan Polak. Die beloofde dat hij het boek zou uitgeven. Met dat mooie vooruitzicht nam Van den Boogaard ontslag als advocaat en keerde terug naar Nederland. &#8216;Ik heb Johan in zijn villa aan het IJsselmeer het hele manuscript voorgelezen, soms terwijl hij in bad lag.&#8217; Van den Boogaard beschouwde Polak niet zozeer als mentor, hij zag niet veel in de rol van jongeling tegenover een leermeester. &#8216;Ik vond hem vooral een sprookjesachtige figuur. Feestelijk. Feestelijke mensen zijn erg zeldzaam. En het was ook een mythisch persoon. Een man buiten de tijd. Johan leerde me dat je als schrijver veel tijd nodig hebt, en dat snel commercieel succes en de kwaliteit van je werk niets met elkaar te maken hebben. Hij was een rentenier in de literatuur, en ik voelde me ook zo. Belangeloos.&#8217; Johan Polak introduceerde hem bij de schrijver James Purdy, in Brooklyn, New York. &#8216;Dat was ook een Polak-achtige man, die zich fulltime bezig hield met schoonheid en verval. Ik werd nogal droevig van hem en van die hele decadentie, ik was bang voor mensen die de dood verheerlijken. Ik wilde weg, ik had lucht nodig, jonge mensen, stortte me weer in het volle leven.&#8217; Van den Boogaards debuutroman Dentz, waarin het personage Johan Polak nog even voorbij komt, werd tenslotte in 1990 uitgegeven door Athenaeum-Polak &#038; Van Gennep, de uitgeverij die inmiddels in handen was gekomen van boekhandelaar Ad ten Bosch, na allerlei omzwervingen en een bijna-faillissement.<\/p>\n<p>Magere jaren<\/p>\n<p>&#8216;Ik wil niet rancuneus overkomen,&#8217; zegt Ben Hosman. &#8216;Daarom heb ik er lang niet over willen praten.&#8217; Pas na ruim twintig jaar kan hij voldoende afstand nemen om terug te kijken op zijn tijd als rechterhand van Johan Polak. &#8216;Achteraf gezien, ben ik gewoon beetgenomen. Nu pas begrijp ik dat die uitgeverij Johans speeltje was. Hij wilde zijn bedrijf eigenlijk liever kapotmaken dan aan iemand anders overlaten. Johan was een ongelooflijk liegbeest, maar hij loog wel op een buitengewoon charmante manier. Ik heb nooit meer zo gelachen als op de Keizersgracht 608.&#8217;<\/p>\n<p>Johan Polak was een neurotische verzamelaar, vindt Hosman. &#8216;Zo had hij dertien exemplaren van een in beperkte oplage uitgegeven luxe-editie van het gedicht &#8220;Cheops&#8221;, van Leopold.&#8217; Maar de uitgever bezat ook een kast vol schoenveters, keurig gerangschikt. En een verzameling van twaalf timmerkisten. &#8216;Wat moet iemand die geen spijker in de muur kan slaan met timmerkisten?&#8217;<\/p>\n<p>Hosman beschouwt Johan Polak ondanks alles als een van de grote, twintigste-eeuwse Nederlandse uitgevers. D\u00e1\u00e1rvoor, en voor de Athenaeum Boekhandel, gunde Hosman hem ten volle het eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam, dat hem in 1988 werd uitgereikt. &#8216;Hij was als uitgever en als leraar een fantastisch doorgeefluik van de traditie, van de kennis die hij tijdens zijn studie had vergaard. Maar zijn essays, dat zijn prachtige volzinnen, meer niet. Als hij weer eens wat had geschreven zei ik: &#8220;Johan, de etalage is prachtig, maar de winkel is leeg.&#8221; Dat vond hij helemaal niet erg, hij barstte dan uit in schaterlachen.&#8217;<\/p>\n<p>Eind jaren zeventig kreeg Johan Polak tot twee keer toe een hartinfarct. Terwijl hij voor de tweede maal in de intensive care lag, smeekte hij Hosman om de aandelen van de uitgeverij over te nemen. &#8216;Hij zei dat hij bang was dat de uitgeverij naar zijn familie zou gaan als hij zou overlijden.&#8217; Fiscaal jurist Hosman, die al jaren aan de uitgeverij verbonden was, had kunnen weten waaraan hij begon: Johan Polak had priv\u00e9 inmiddels vele miljoenen gestoken in het bedrijf, dat daardoor boog onder een enorme schuld. &#8216;Ik was verblind, door het fonds en door de vriendschap met Johan. Het was een droom, en in een droom zie je de dingen niet zuiver.&#8217;<\/p>\n<p>De jaren tachtig waren magere jaren voor de uitgeverij, die niet kon investeren omdat de schuld moest worden afgelost. De enige manier om de zaak te redden, bleek om hem onder te brengen bij een groter, gezond bedrijf. Die deal was bijna rond, toen Hosman slecht nieuws kreeg. Johan Polak had de uitgeverij doorverkocht aan zijn neef Rob Polak jr. &#8211; een jonge advocaat in spe. Zijn vader Rob sr., Polaks broer die met de vut was gegaan om fulltime te kunnen schilderen, nam de directie na korte tijd over. &#8216;Dat was om mijn zoon te ontlasten, die er een carri\u00e8re in de advocatuur voor in gevaar bracht. Ik was als oudere broer altijd wat schamper geweest over zijn uitgeversavonturen, via mijn zoon dwong hij mij om me er alsnog in te verdiepen. Misschien wel een subtiele wraakoefening van Johan.&#8217;<\/p>\n<p>Korte tijd later werd de Zutphense boekhandelaar Ad ten Bosch de laatste die het als onafhankelijk uitgever mocht proberen. Hij had Johan Polak leren kennen via de zeer door Polak bewonderde en goed met hem bevriende dichteres Ida Gerhardt. Ten Bosch &#8216;ik mocht hem &#8220;oom nijlpaard&#8221; noemen, hij koketteerde met zijn zelfverklaarde lelijkheid&#8217;). Het was lastig, veel was verramsjt, ook uit de series waaraan Athenaeum haar faam ontleende, zoals de Grote Bellettrie-serie en Baskerville. &#8216;De onaantastbaarheid van de tijdloze, prachtig vormgegeven klassiekers was verdwenen. Bovendien, hoe goed ik het later ook deed, Johan w\u00e1s nog steeds de uitgeverij. Ik zou nooit m\u00e9\u00e9r worden dan zijn opvolger.&#8217; Ten Bosch herstelde de traditie van de klassieke vertalingen in ere en verkocht de uitgeverij tenslotte aan uitgeverij De Weekbladpers: &#8216;Ik ben dankzij het fonds van Johan een vrij man geworden.&#8217; Ook Ten Bosch ziet een destructief element in de manier waarop Polak afscheid nam van zijn uitgeefdroom. &#8216;Ik geloof dat hij het liefst had gezegd: &#8220;Nou heb ik z\u00f3&#8217;n prachtige uitgeverij opgezet en Nederland heeft hem n\u00ed\u00e9t willen hebben.&#8221; Dat had beter gepast bij zijn inktzwarte wereldbeeld.&#8217;<\/p>\n<p>Literaire vader<\/p>\n<p>Jan Siebelink ziet de andere kant van Polaks cultuurpessimisme &#8211; hij voelt zich nog steeds schatplichtig aan Polak als leermeester en als uitgever van zijn eerste grote vertaling: het decadente meesterwerk A rebours van J.-K. Huysmans. Johan Polak had hem het recente succes van de megabestseller Knielen op een bed violen van harte gegund, zegt Siebelink. Maar de uitgever had daar ongetwijfeld meteen aan toegevoegd dat hoge verkoopcijfers van een boek afdoen aan de literaire kwaliteit. Polak, die al jong zijn eerste manuscript aanschafte en altijd zeldzame drukken en handschriften bleef kopen, zag veel meer in uniciteit dan in hoge oplagen. Siebelink: &#8216;Hij geloofde in de schoonheid van het sporadische. Daarin leek hij op Des Esseintes, de hoofdfiguur in het boek van J.-K. Huysmans &#8211; de hoofdpersoon in mijn jongste boek Suezkade verwijst naar hem. Polak paste ook in de verfijnde cultuur van de negentiende-eeuwse decadentie. Liefst had hij zijn boeken uitgegeven in een oplage van 1 exemplaar. En dan misschien nog een paar voor zijn diverse schaduwbibliotheken.&#8217;<\/p>\n<p>Een onpraktische houding voor een uitgever, die juist hoort te denken in oplagecijfers, beaamt Siebelink. Maar Polak was wel een belangrijke stimulans voor zijn schrijverschap. &#8216;Hij vond meteen dat ik een mooie schrijver was. Maar altijd bezwoer hij me om niet te snel te zijn, om volmaaktheid na te streven. Ikzelf ben van nature gehaast; als iets klaar is, wil ik dat het meteen verschijnt. Hij had gelijk, al kan zo&#8217;n houding er ook toe leiden dat je niet meer durft, omdat de lat te hoog ligt.&#8217;<\/p>\n<p>De band met Johan Polak ontstond tijdens de vertaling van A rebours. &#8216;Ik heb er jaren over gedaan, maar het is dan ook zo&#8217;n beetje de bijbel van de decadentie.&#8217; Het boek verscheen uiteindelijk als Tegen de keer in de Grote Belletrie-serie, prachtig vormgegeven door Jacques Janssen, die na Merlyn het hele Athenaeum-fonds zijn strakke, tijdloze uiterlijk gaf. &#8216;Ondertussen had ik op een avond ook zomaar mijn eerste verhaal geschreven. &#8220;Witte chrysanten&#8221; was de oerversie van Knielen op een bed violen. De volgende dag ging ik er meteen mee naar Johan.&#8217; Polak was heel enthousiast en raadde Siebelink aan om vooral door te gaan met schrijven. Maar, voegde hij daar meteen aan toe, hijzelf zou het resultaat niet uitgeven. Het leek hem meer iets voor zijn jonge collega Peter Loeb. Bij diens uitgeverij verscheen toen het debuut van Siebelink: de verhalenbundel Nachtschade.<\/p>\n<p>Anders dan Oscar van den Boogaard beschouwt Siebelink Polak wel als een literaire vader, die hem introduceerde in een bijzondere wereld, bewoond door literaire grootheden met wie hij bevriend was, zoals Marguerite Yourcenar, het eerste vrouwelijke lid van de Academie Fran\u00e7aise, en de Amerikaanse decadente schrijver James Purdy. &#8216;Johan was een raadselachtige man en de verpersoonlijking van de literatuur. We hadden iets met die decadentie, wij waren vertrouwd met de wereld die Huysmans schetste. Hij had zelf ook diens hang naar kunstmatigheid.&#8217; Polak citeerde Mallarm\u00e9, Verlaine en Rimbaud uit het hoofd, in het Frans \u00e9n in zijn favoriete vertalingen, zegt Siebelink. &#8216;Hij combineerde dat soms kokette vertoon van eruditie met een schaamteloze nederigheid. Nooit vergat hij te vermelden dat hij dan wel veel kon citeren, maar verder echt helemaal niets voorstelde.&#8217;<\/p>\n<p>Omdat Polak een hypochonder was en omdat hij graag overdreef, geloofde niemand hem als hij weer eens zei dat hij op het punt stond dood te gaan. Maar hij was wel degelijk ziekelijk, ondervond Siebelink. &#8216;Ik at eens bij hem in zijn villa in Muiderberg en toen ik tegen een uur of tien weg wilde gaan, zei hij: ik wil dat je blijft. Hij had pijn doordat hij niet kon plassen, hij bleef een halfuur weg en dan had hij er weer een druppel uitgeperst. Ik heb &#8216;s nachts bij hem gewaakt. Toen hij was ingedommeld, ben ik zijn bibliotheek binnengegaan, die grensde aan de slaapkamer. Verboden gebied, al helemaal zonder witte handschoenen. Ik heb de kostbaarste boeken bekeken, onder andere een plaquette van Mallarm\u00e9, gedichten ge\u00efllustreerd door \u00c9douard Manet. Er waren nog maar twee gave exemplaren van op de wereld: \u00e9\u00e9n in de bibliotheek van het Vaticaan, en \u00e9\u00e9n bij Johan Polak. De volgende dag belde hij me, niet om me te bedanken voor mijn goede zorgen, maar om me streng te berispen. Ik had de boeken kennelijk niet helemaal tot op de millimeter ingeschoven. Hij wist precies waar ik met mijn vingers aan gezeten had.&#8217;<\/p>\n<p>Van cultfiguur tot allemansvriend<\/p>\n<p>In de jaren tachtig verloor Jan Siebelink Johan Polak uit het oog. Die had het inmiddels druk met heen en weer reizen tussen ex-fotomodel en grote liefde Rik van Dam, Polaks &#8216;aangenomen zoon&#8217; in Amsterdam, en Frans Goddijn, &#8216;verdienstelijk schoonmaker van bestek in een Arnhems familiehotel&#8217;. De boekhandel was met succes overgedragen aan personeel en management, in een bijzondere, democratische constructie die vijandige overname van de boekhandel tot op de dag van vandaag onmogelijk maakt. De uitgeverij was na vele omwegen in goede handen overgegaan. Johan Polak ontwikkelde zich van een cultfiguur in kleine kring tot een nationale televisiepersoonlijkheid. Jan Siebelink keek er met kromme tenen naar. De vertrouwde en geperfectioneerde act van zelfverklaarde nietswaardigheid en lelijkheid was nu in talkshows te zien. De exclusiviteit was verdwenen, vond Siebelink. &#8216;Johan werd van een negentiende-eeuwse dandy een hedendaagse allemansvriend. Het was om zijn bundel essays aan de man te brengen, maar het leek ook een afscheid van zijn hooggestemde idealen.&#8217; Eigenlijk had de uitgever willen promoveren op Quintillianus en had hij de aanvechting om op zijn oude dag echte boeken te gaan schrijven, zegt Siebelink. Maar het kwam er niet van. &#8216;In plaats daarvan klaagde hij voortdurend over geldgebrek. Dat hij alw\u00e9\u00e9r drie prachtige schilderijen had moeten laten veilen om een brood te kunnen kopen. En hij bundelde zijn krantenstukjes.&#8217;<\/p>\n<p>Die stukjes schreef Polak samen met Frans Goddijn, onder het pseudoniem Rob Spui. Ze werden vaak bedacht door Goddijn en vervolgens door Polak &#8216;met een literaire saus overgoten&#8217;, zoals hij het zelf zei. Goddijn: &#8216;Hij was een leermeester \u00e9n we hadden een relatie. Die pedagogische eros kon hij met meerdere mensen delen. Die realiseerden zich allen dat ze niet de enige waren in zijn leven. Maar in h\u00fan leven was hij wel de enige die zo belangrijk was.&#8217; Het duo vormde een maatschap, gevestigd in een kantoor boven de groenteboer in de Arnhemse Steenstraat. Dat was ook om nieuwsgierige vragen naar de aard van hun relatie te pareren &#8211; Goddijn woonde samen met vrouw en kinderen. &#8216;Als ze aan ons vroegen: wat z\u00edjn jullie nou van elkaar? Dan konden we antwoorden: nou, wij zijn de maatschap Polak &#038; Goddijn.&#8217; Polak liet visitekaartjes drukken en stak zijn partner in exact dezelfde sombere, grijze maatpakken die hij zelf droeg. &#8216;Als we door de binnenstad van Nijmegen liepen met onze schooltassen dachten voorbijgangers dat we mormonen waren. Een soort Gilbert &#038; George waren we, maar dan met meer plezier. We genoten van dat toneelstuk.&#8217; Het duo huurde voor het stukjes schrijven af en toe een suite af in het Belvoir-hotel, bij de Waalbrug in Nijmegen. Polak voelde zich hier veilig en op zijn gemak, terwijl er in het Westen steeds rumoer was. Zo was Gerard Reves partner Joop Schafthuizen tot Polaks grote ongenoegen van plan diens brieven aan Reve op de veiling te brengen. Werd de ruzie over het veilen van de brieven aan Reve &#8211; die uitliep op een ordinaire scheldpartij &#8211; zijn zwakke hart fataal? Goddijn denkt van niet. &#8216;Hij was er eerst  erg treurig over. Daarna heel boos. Tenslotte zei hij: &#8220;Het maakt me echt geen bal uit wat er met die brieven gebeurt.&#8221;&#8216; Zoals zo vaak bleef onduidelijk hoe hij er \u00e9cht over dacht, zegt Goddijn. &#8216;Je kunt ook zeggen: alledrie de reacties waren even waar. Johan kon in alle oprechtheid drie verschillende wegen bewandelen. Dat gold ook voor relaties.&#8217; Als tegenzet liet Polak in zijn testament opnemen dat de brieven van Gerard Reve aan hemzelf de eerstkomende 125 jaar niet mochten worden gepubliceerd. Er waren trouwens m\u00e9\u00e9r redenen voor opwinding geweest. De historicus H.L. Wesseling had hem beschuldigd van plagiaat: de achtergronden waarmee Polak in zijn essaybundel Bloei der decadence het Parijs van Baudelaire inkleurde, zou een sterke overeenkomst vertonen met Wesselings beschrijving van het Parijs van Emile Zola. Polak reageerde, geheel in stijl, overdreven schuldbewust: &#8216;Ik heb plagiaat gepleegd. Ik heb gejat. Ik ben de laagste der kruimeldieven.&#8217;<\/p>\n<p>Grote vakantie<\/p>\n<p>Het boek dat Polaks laatste zou worden, de essaybundel Het oude heden, lag op maandag 25 mei 1992 n\u00e9t in de boekwinkels, vertelt Goddijn. Onderweg van het treinstation Arnhem naar kantoor zagen Polak en Goddijn bij boekhandel Hijman een exemplaar in de etalage. Maar de mannen liepen door, het was al laat in de ochtend en ze wilden een aantal stukken in het vooruit schrijven. Het was de heetste meimaand van de eeuw en het was smoorheet in het kantoortje van de maatschap in de Steenstraat &#8211; Johan Polak hield ramen en gordijnen liefst gesloten. Hij was erg moe, en Frans Goddijn had voorgesteld om binnenkort eens een tijdje rust te houden. Goddijn: &#8216;Johan antwoordde plagend dat voor hem &#8220;alleen nog de Grote Vakantie&#8221; in het verschiet lag.&#8217; De dood was &#8211; niet ongewoon voor de hypochonder Polak &#8211; vaker onderwerp van gesprek tussen hen. &#8216;Johan zei: Frans, als ik doodga, dan treed jij in mijn rechten. Vraag advies, maar weet dat \u00e1lle mensen die je raad geven uiteindelijk maar op \u00e9\u00e9n ding uit zijn: je ondergang.&#8217; Polak vertrouwde veel toe aan anderen, maar hij liep erop vooruit dat zijn vertrouwen zou worden beschaamd. Vandaar de verschillende woningen, de identieke bibliotheken op verschillende locaties, de parallelle relaties, zegt Goddijn. &#8216;Zijn oneindige wantrouwen verbind ik met de jodenvervolging, met de angst om te worden opgepakt, terwijl de anderen even opkijken en zeggen: goh. En weer verder gaan met hun dagelijkse zaakjes.&#8217; Die maandagavond, alleen in het kantoortje boven de groenteboer, overleed Johan Polak. Het laatste wat de uitgever die dag had neergeschreven, was een citaat over vriendschap van zijn meest geliefde dichter J.H. Leopold. &#8216;Een vriend is niet, \/ Die u aan &#8216;t hart wil \/ sluiten in uw geluksuren \/ en zich niet genoeg doen kan \/ maar die den balling bij zich \/ binnenroept en dan \/ de deur toeslaat tegen de \/ wolven buiten.&#8217;<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Johan Polak (1928-1992),  erudiet uitgever, mecenas en voorvechter van homo-emancipatie, maakte een kunst van zijn bescheidenheid. \u2018Tracht niet te diep in mij door te dringen. Ik ben een fa\u00e7ade.\u2019 Jan Siebelink, Frits Bolkestein en anderen over Polak. \u2018Hij was een sprookjesachtige figuur. Een man buiten de tijd.\u2019<\/p>\n","protected":false},"author":1023,"featured_media":0,"comment_status":"open","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"content-type":"","footnotes":""},"categories":[399,27],"tags":[],"acf":[],"author_name":"Mischa Cohen (archief)","_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/101443"}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/types\/post"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/comments?post=101443"}],"version-history":[{"count":0,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/posts\/101443\/revisions"}],"author":[{"embeddable":true,"name":"Mischa Cohen (archief)","href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/users\/1023"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/media?parent=101443"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/categories?post=101443"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/www.vn.nl\/wpg-api\/wp\/v2\/tags?post=101443"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}