Sander Donkers snapt het niet, het referendum. Hij weet bijna niks van Oekraïne, en hij is zeker niet de enige. Als ze wílden dat we het begrepen, hadden ze het wel beter uitgelegd.

Het is weinig verheffend, maar tegenover dat referendum heb ik van het begin af aan de houding gehad van een puber die in de zomervakantie door zijn ouders wordt meegesleurd naar een museum voor abstracte kunst. Met hangende schouders en ferme tegenzin slof ik er achteraan, mokkend dat ik niet in de branding naar dat meisje in die witte bikini kan liggen staren. Écht? Djiez. Moet dit? WTF!?… *rolt met ogen*

Natuurlijk geeft dat geen pas. Een referendum is, net als abstracte kunst trouwens, een belangrijke verworvenheid, een sieraad voor een vrije, open samenleving. En het is nogal kleinzielig om er alleen maar tegen te zijn omdat het ons door de strot werd gedrukt door twee mannen die van ons, laten we eerlijk zijn, al lang een stevige mediapauze hadden verdiend vóórdat ze met matrozenpet, manchetknoop en megafoon vol in de overdrive schoten.

Eigenlijk zou je minstens een paar maanden Oekraïnica én Europese Handelsverdragkunde moeten studeren aan de universiteiten van Dnjepropetrovsk én Brussel.

Maar ik voel ook weerzin omdat ik het niet snap. Niet écht, tenminste. Ik weet bijna niks van Oekraïne, en ik ben zeker niet de enige. Toen we er vier jaar geleden een EK gingen voetballen, leek het ons veiliger om een spelershotel te boeken dat een paar duizend kilometer verderop in Polen lag. Kort daarna was er een hoop gedoe op een plein, waar we ook hier allemaal tijdelijk enorm enthousiast over deden. Toen werd het er oorlog.
Afhankelijk van wie je leest, zijn de Oekraïners allemaal ongeneeslijk corrupt of snakken ze allemaal enorm naar westerse waarden. Mijn persoonlijke ervaring blijft beperkt tot heel beleefde Oekraïense jongedames die zich via de e-mail aanprijzen als geschikte huwelijkskandidaat. Vrouwen die door een merkwaardig toeval allemaal ‘Spam’ van hun voornaam heten, maar er steevast zeer verzorgd uitzien en staan te popelen om een gezinnetje te stichten.

Dat is toch wat mager, qua kennis. Eigenlijk zou je voor een afgewogen keuze over het associatieverdrag minstens een paar maanden Oekraïnica én Europese Handelsverdragkunde moeten studeren aan de universiteiten van Dnjepropetrovsk én Brussel. Maar sorry, daarvoor ben ik gewoon even te druk met het bekijken van YouTube-filmpjes met oude Johan Cruijff-doelpunten.

Volgens de veel te weinig geraadpleegde referendumdeskundige Toon van ’t Debat komt de keuze ongeveer hier op neer: een ‘nee’-stem staat gelijk aan het trillend van angst de voeten van Vladimir Poetin kussen en hem een vrijbrief geven om vooral te doen as he pleases in zijn regio. Wie ‘ja’ stemt, kan net zo goed meteen zelf die kruiwagens vol met onze belastingcenten leegkieperen in de zakken van de hologige oligarchen aldaar. Waarna het een kwestie van wachten is totdat de naar koolsoep riekende Slavische horden bij Lobith ons land binnenvallen om hier tot in lengte van dagen te potverteren, zoniet erger, met onze dochters en zo.

Nu lult Toon wel vaker uit zijn nek. Zo hoor ik ’m ook vaak beweren dat het referendum helemaal niet gaat over het verdrag, maar gewoon bedoeld is om de Europese elite een democratisch poepje te laten ruiken. Wat het er allemaal niet overzichtelijker op maakt.

Voor die hordes ben ik niet zo bang. Een paar jaar geleden werden Bulgarije en Roemenië, in tegenstelling tot Oekraïne, daadwerkelijk líd van de EU. Stiekem verheugde ik me op de weemoedige klanken van straatmuzikanten met een cimbalom voor de Etos in Zaltbommel en op het dubbeltonige mysterie van de voix Bulgares tijdens de braderie van Noord-Scharwoude. Maar alles wat ik van de beloofde invasie merkte, was het zwijgzame echtpaar dat bij mijn laatste verhuizing nog voor ik het grofvuil kon bellen hun busje al had volgeladen met mijn afgedankte huisraad, en dat was best handig.

Maar verder snap ik het dus niet. Voordeel daarvan is dat men je niet kan verwijten neer te kijken op die domme boze burger die er ook niets van snapt, nadeel is dat ik het waarschijnlijk niet meer ga begrijpen voordat ik in het stemhok sta. Zeker niet nu de enige landgenoot die álles kon uitleggen, ook als-ie het zelf niet snapte, ons vorige week zomaar is ontvallen. Iets dat, in het grote licht der dingen, natuurlijk veel erger is dan chagrijn over een heilloos potje volksraadpleging.