De paradox van dehumanisering, iemand vernederen of straffen met het ontkennen van hun menselijkheid kan slechts bij de gratie dat iemand mens is.

Ook afgelopen weekend zorgde het slaafje (zw/w) van de goedheiligman weer voor beroering in ons kikkerlandje, terwijl er elders in de wereld gehandeld werd in daadwerkelijke, levensechte, ja, niet-fictieve slaven.

In Libië, om precies te zijn, dat wetteloze helleoord waar migranten uit Niger, Ghana, Nigeria of Syrië voor een paar honderd euro geveild worden. We weten het dankzij een CNN-reportage die een week of twee geleden de wereld schokte. Of nou ja, schokte, schokte… Niemand ligt er eigenlijk wakker van, behalve de maakster van de reportage, die onlangs bij Nieuwsuur haar verontwaardiging en verbazing uitte over het feit dat dit – slavenhandel! – in 2017 kon gebeuren.

Hoewel er niets ongewoons is aan slavernij anno 2017 – we hebben alleen collectief besloten ons niet af te vragen wat ‘Made in Cambodia’ precies betekent – was de verontwaardiging groot. De Franse president Emmanuel Macron noemde de Libische slavenveilingen ‘een misdaad tegen de menselijkheid’. Ach ja, de menselijkheid. Ik heb me altijd afgevraagd hoe het daarmee zit in gevallen van slavernij. Hoe ziet een slavendrijver of handelaar de slaaf? Als dier? Als ongedierte? Als mens? Als onmens? Door de hele geschreven geschiedenis heen (en dus vast nog veel langer, maar dan onbeschreven) bestaat het fenomeen van de slavernij, en daarmee vaak ook het misschien nog wel vreemdere fenomeen van de vrijgemaakte slaaf. Hoe werkt dat? Hoe kun je iemand het ene moment als product zien, als handelswaar – en het volgende moment weer als mens?

Hoe vaak werden slaven wel niet verkracht? En verkrachten – dat doe je toch eigenlijk alleen met iemand die je als menselijke seksuele partner ziet? Of geldt hier de logica van de geitenneuker: dat je je lul erin kunt steken, betekent nog niet dat je met een mens te maken hebt?

Alleen een mens kun je kwetsen door hem te vergelijken met een aap

Ik stuitte op een essay in The New Yorker waarin psycholoog en cognitiewetenschapper Paul Bloom probeert te begrijpen of ‘dehumanisering’ aan menselijke wreedheid ten grondslag ligt. De breed gedeelde opvatting luidt, heel algemeen geformuleerd: mensen die moorden, martelen, verkrachten of zich te buiten gaan aan seksisme, discriminatie of racisme, zijn blind voor de menselijkheid van hun slachtoffers. Bloom twijfelt daaraan en hij opent zijn argumentatie met een voorbeeld van veelvoorkomend racisme: voetbalwedstrijden waarbij zwarte spelers vanaf de tribune apengeluiden of zelfs bananen naar hun hoofd geslingerd krijgen. Het doel daarvan is zo’n speler te ontregelen of te vernederen – en paradoxaal genoeg volgt daaruit dat die hooligans de zwarte speler dus wel degelijk als mens zien. Alleen een mens kun je kwetsen door hem te vergelijken met een aap.

In het feministische discours wordt vaak van de ‘objectivering’ van vrouwen gesproken. Bloom haalt de filosofe Kate Manne aan, die betoogt dat misogynie juist níet voortkomt uit objectivering of ontmenselijking van vrouwen. Juist hun menselijkheid, stelt zij, is voor de vrouwenhater het probleem. Het feit dat vrouwen in staat zijn mannen af te wijzen, te beledigen of te vernederen, kortom: dat zij in staat zijn onafhankelijk van een man te opereren, kan de afgrijselijkste vormen van ‘bestraffing’ tot gevolg hebben. En ‘straf’ heeft alleen zin als je er vanuit gaat dat je slachtoffer het concept ‘straf’ ten volle begrijpt. En daarvoor moet je slachtoffer toch echt een mens zijn.

Uiteindelijk gaat misschien wel al het gedrag dat we geneigd zijn ‘dehumaniserend’ te noemen, in essentie om macht. Macht over andere mensen. Mensen, ja. Geen dieren.

Blooms essay dook in mijn hoofd op toen ik in NRC Handelsblad van afgelopen zaterdag een opiniestuk las van publicist Kiza Magendane, waarin hij onder meer betoogt dat de hierboven al aangestipte slavenhandel in Libië, een rechtstreeks gevolg is van Europees migratiebeleid. Hij heeft het ook over de EU–Afrika–top die afgelopen week plaatsvond en waarvan het thema weliswaar ‘de toekomst van de Afrikaanse jeugd’ was, maar die op last van Europese leiders toch vooral ging over het terugdringen van migratie naar Europa. Het machtige Europa is bereid aardig wat geld neer te tellen om Afrikaanse landen te stimuleren hun ongewenste jeugd bij zich te houden.

Magendane analyseert scherp: ‘Wie kritisch kijkt, weet natuurlijk dat Afrika geen Europees geld nodig heeft, maar eerlijke handel. Alle economische modellen laten zien dat als de EU haar eigen markt niet draconisch zou beschermen en ophoudt met dumpen van haar overproductie in Afrika, het miljarden in de Afrikaanse schatkisten zou opleveren.’ Maar verderop schrijft hij dat ‘onze Europese leiders omwille van korte termijn electorale redenen blind zijn voor de consequenties van hun migratiebeleid’. Blind. Anders gezegd: ze zien het dus niet, die leiders, en als hun critici maar hard genoeg hun best doen om het licht in hun ogen te laten terugkeren, zullen ze het op den duur wél zien – en van gedachte veranderen. En in de geest van de Kameroenese denker Achille Mbembe stelt Magendane: ‘Door middel van “othering” wordt de “ander” niet als mens maar als een subject gezien. Als “migrant”, als “gelukzoeker”. In werkelijkheid is de ander een mens van vlees en bloed, een individu, verlangende naar hetzelfde boek en dezelfde cappuccino als wij.’

De migrant heeft iets te winnen; wij – denken we – hebben alleen maar iets te verliezen

Opnieuw: als critici maar hard genoeg hun best doen, kunnen we met z’n allen eindelijk weer de menselijkheid van die Afrikaanse migranten zien.

Helaas. Sinds dat New Yorker-essay van Bloom kan ik dergelijke – toch enigszins geruststellende – ideeën niet meer lezen zonder er mijn twijfels bij te hebben. Is het probleem werkelijk dat wij migranten niet meer als mens zien? Juist de begrijpelijkheid en de volstrekte terechtheid van het verlangen naar een beter leven, dat de motor van economische én politieke migratie is, maakt dat wij zo’n migrant prima als mens kunnen zien, ons prima met hem kunnen identificeren. In zijn plaats zouden wij hetzelfde doen. En precies dát maakt de migrant zo eng voor de Europeaan. De migrant heeft iets te winnen; wij – denken we – hebben alleen maar iets te verliezen: onze tanende, ja, almaar tanende macht over een continent dat we ooit als ons bezit beschouwden, en waarvan de bewoners de door ons zo fel beleden vrijheden nu komen halen bij de bron.

De migrant is voor de Europeaan wat de vrouw voor de seksist is: een helaas maar al te menselijke mens.