Profiel Ronny Naftaniel

‘Ronny Naftaniel heeft eigen, meestal originele opvattingen,’ zegt psycholoog Lex Wertheim. ‘In de privésfeer tenminste. Zodra hij namens het CIDI optreedt, schiet hij in de rol van spreekbuis van Israël. Jammer, maar begrijpelijk.’ Wertheim moest de afgelopen weken regelmatig terugdenken aan zijn besluit, eind jaren zeventig, om geen directeur van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) te worden. Ze hadden hem gevráágd, maar Wertheim koos voor een veilige carrière in de wetenschap. Zo kan hij onbekommerd rondtrompetteren dat hij gruwt van de Israëlische bombardementen op de Gazastrook en dat er wel degelijk sprake was van ‘disproportioneel geweld’. Van een CIDI-directeur wordt in het openbaar meer diplomatie verwacht – en dat is het specialisme waarin Ronny Naftaniel al bijna dertig jaar uitblinkt.

Met taaie volharding probeerde Naftaniel in de voorbije decennia het ‘misverstand’ te ontzenuwen dat zijn informatie- en documentatiecentrum te Den Haag his masters voice vertolkt. Hoe vaak moet hij dat nog zeggen? De statuten garanderen dat het CIDI ‘een onafhankelijke Nederlandse organisatie’ is die ‘opkomt voor Israëls recht op vrede en veiligheid en die voorstander is van een levensvatbare Palestijnse staat.’ Nee, het CIDI is absoluut géén door Israël gefinancierde voorpost. Onvermoeibaar hamert Naftaniel erop dat zijn club louter dankzij de vrijgevigheid van particulieren en niet-gouvernementele instanties levensvatbaar is gebleken. De elf medewerkers en de huur van het pand aan de Jagerstraat worden niet met sjekels maar met euro’s betaald. Tien jaar geleden weer eens door De Telegraaf geconfronteerd met het ‘hardnekkige gerucht’ dat hij op de loonlijst van de roemruchte Israëlische geheime dienst Mossad zou staan, bezwoer de directeur: ‘Met de hand op het hart, niet waar. Trouwens, als het wél waar was, zou ik het natuurlijk niet zeggen, maar van enige binding tussen Mossad en Naftaniel is geen sprake.’ De ontkenning maakte kennelijk onvoldoende indruk om de sluimerende achterdocht definitief de kop in te drukken. Toen Naftaniel tijdens een CDA-bijeenkomst bij opponent Jamil Jawad informeerde waar de bezeten drang bij diens Arabisch Europese Liga (AEL) vandaan kwam om Israël te ‘ontmantelen’, beperkte diens repliek zich tot venijnig gesis: ‘Ik richt me tot de zaal en niet tot Naftaniel, want hij wordt betaald door de zionistische entiteit en daar praat ik niet mee.’

Knokploegen

De gepensioneerde diplomaat Jan Wijenberg, voorheen ambassadeur in Jemen, Tanzania, Mauritius, Madagaskar, de Comoren en Saoedi-Arabië en medecombattant in Gretta Duisenbergs stichting Stop de Bezetting, vuurde twee jaar geleden vanuit zijn huidige standplaats Den Haag een serie vragen af op het CIDI, waarvan de medestanders volgens hem te beschouwen zijn als ‘agents provocateurs van een vreemde mogendheid die onze democratische waarden en onze grondwettelijke rechten aanvreten’. In zijn boze brief verlangde Wijenberg antwoord op drie vragen. ‘Is het juist dat het CIDI een archief aanlegt, compleet met foto, van opponenten van het Israëlische beleid, en dat ter beschikking stelt aan de Mossad of een andere Israëlische inlichtingdienst? Zijn de waarnemingen juist dat het CIDI en/of aanverwante organisatie(s) de beschikking hebben over een of meerdere knokploegen die opponenten van Israël in elkaar rammen? Gretta Duisenberg en haar kinderen worden in hun woonomgeving in Amsterdam al jarenlang zeer frequent erg bedreigend lastiggevallen en soms ronduit lijfelijk in gevaar gebracht. (…) Kunt u bevestigen dat het CIDI belast is met de regie van deze ernstige delicten?’ De opeenvolgende insinuaties, grotendeels ontleend aan websites van rechts-extremistische signatuur, waren zó infaam dat het CIDI besloot om de brief niet te beantwoorden. Wijenberg vatte dit uitblijven van een reactie op als een bevestiging van zijn gelijk.

Ook de katholieke politicus Dries van Agt, van 1971 tot 1977 de conservatieve KVP-minister van Justitie in het progressieve kabinet-Den Uyl en vervolgens tot 1982 minister-president, wierp zich de laatste jaren op als geduchte tegenstander van het CIDI. Na een rondreis door Israël en de Palestijnse gebieden keerde hij in augustus 2005 terug als een prominente pleitbezorger van de Palestijnse zaak. ‘Een vriend van Israël was hij nooit,’ zo becommentarieerde op de opiniepagina van de Volkskrant Naftaniel de opzienbarende ‘bekering’ van de ex-premier. ‘Dat de Israëlische bezetting en vooral de nederzettingenpolitiek de Palestijnen veel ellende heeft gebracht, valt niet te betwisten,’ schreef hij. ‘Toch getuigt het van grote eenzijdigheid om, zoals Van Agt doet, Israël af te schilderen als voornaamste boosdoener en de Palestijnen als deerniswekkende slachtoffers, zonder eigen wil of verantwoordelijkheid.’

Het ziet er niet naar uit dat het ooit goed komt tussen de directeur van het CIDI en de inmiddels 77-jarige Van Agt. Het duo zou vorig jaar met elkaar debatteren in een zaaltje van de Radboud Universiteit te Nijmegen, maar ter plekke zag de gepensioneerde politicus daarvan af, omdat eerdere discussies met het CIDI zinloos waren gebleken. ‘Het is een propagandamachine van Israël, door Israël betaald.’ Desgevraagd wil Van Agt zijn bewering over de buitenlandse geldstroom graag even afzwakken, al houdt hij dat van die propagandamachine staande. ‘Zondermeer. Dat ze geld uit Israël krijgen kan ik niet bewijzen. Ik vind wel dat je kunt spreken van een onweerstaanbaar vermoeden.’ Dat debat met Naftaniel ging trouwens de mist in omdat Van Agt in de veronderstelling verkeerde dat hij als enige de studenten zou toespreken. Toen bleek dat ook Naftaniel was uitgenodigd, verging hem de lust tot het voeren van een twistgesprek. ‘Omdat de ervaring leert dat dit soort debatten niet verhelderend is voor een publiek dat zich wil informeren over de geschiedenis en de feiten van nu. Ronny Naftaniel kwam, stak zijn verhaal af, beantwoordde vragen en ging naar huis. Daarna kreeg ik het woord. Ik stond er niet bij stil dat Naftaniel mijn weigering om en public met hem te praten publicitair zou gaan uitbaten. Van Agt wilde niet met hem debatteren, dat was natuurlijk groot nieuws, vooral doordat hij er zo over op de trom sloeg. Niet dat ik hem dat kwalijk neem. Zelf zou ik dat misschien ook hebben gedaan.’

Het voorval deed Van Agt besluiten om het debat voortaan niet meer uit de weg te gaan.

Stencilmachine

Ronald Maurice Naftaniel kwam zestig jaar geleden ter wereld in Amsterdam en groeide op in een gezin zonder broers of zussen. Vader was een Joodse zakenman die nazi-Duitsland ontvluchtte na de Kristallnacht in 1938 en direct na aankomst in Nederland met lotgenoten werd geïnterneerd in een opvangkamp in Westerbork. Daar bracht hij de oorlogsjaren door en hij ontmoette er de Arnhemse die zijn vrouw zou worden. Hoewel zoon Ronny op zijn dertiende het ceremoniële toetredingsritueel tot de wereld der mannen onderging en aldus van jongen tot bar mitswa werd, speelde het geloof tijdens zijn jeugd nauwelijks een rol. De synagoge werd bij hoge uitzondering bezocht, de zaterdag stond allerminst in het teken van de sabbat. De religieuze belangstelling kwam pas later, na het doorlopen van het behoudzuchtige Amsterdams Lyceum waar hij in wit spijkerpak, met donkere bril (die hij weigerde af te zetten; voor straf werd hij de klas uitgestuurd), profane beschouwingen in de schoolkrant en linkse praat opviel als een rebelse provo. Vanzelfsprekend marcheerde hij mee als tegen de oorlog in Vietnam werd gedemonstreerd. De diepere belangstelling voor het Jodendom viel samen met vriendschappen die op zijn weg kwamen nadat hij economie was gaan studeren. Overigens een klassiek voorbeeld van een foute keuze, naar hij jaren later tegenover Trouw verzuchtte: ‘Ik ben wel cum laude afgestudeerd, maar heb met die studie nooit veel affiniteit gehad. Eigenlijk wilde ik iets politieks gaan doen en economie leek me een goede achtergrond. Het merkwaardige is dat ik ook nog bedrijfseconomie heb gedaan, terwijl ik mezelf nooit goed in het bedrijfsleven heb kunnen plaatsen.’ Als werkstudent doceerde hij twee jaar statistiek aan de Christelijke Sociale Academie in Amsterdam. De avonden bracht hij frequent door in het mede door hem opgerichte joods jongerencafé Gotspe aan de Zeedijk, een rokerige uitvalsbasis voor onder anderen de zingende rabbijn Shlomo Carlebach, mits discussies over prangende internationale kwesties de muziek het zwijgen oplegden. Naftaniel leerde er zijn latere echtgenote Jet Joëls kennen.

Op 6 oktober 1973, terwijl het openbare leven in het land vanwege Jom Kipoer (Grote Verzoendag) stil lag, openden Syrië en Egypte een gecoördineerde verrassingsaanval op Israël. ‘Ik was net terug uit Israël, waar ik zeven jaar had gewoond,’ zegt Lex Wertheim. ‘Die Jom Kipoer-oorlog was voor mijn vriend Joop Meijers en mij aanleiding om de Werkgroep Israël op te richten. Als in die tijd iemand op de radio over de Palestijnse kwestie werd geïnterviewd, dan was dat óf een vertegenwoordiger van het Palestina Komitee óf iemand van de Nederlandse Zionisten Bond, meest een bejaarde heer die vertelde hoe verschrikkelijk de Tweede Wereldoorlog was geweest. Het werd tijd dat sympathisanten van Israël vanuit de progressieve hoek een ander geluid lieten horen.’ De oprichtingsvergadering van de Werkgroep Israël vond plaats op zondagmiddag 4 november 1973. Wertheim weet die datum nog zo precies, omdat Nederland die dag verplicht de auto moest laten staan. De maatregel was het gevolg van de boycot van het olieproducerende deel van de Arabische wereld dat niet meer wilde leveren aan vrienden van de vijand. Al snel circuleerde er een guitig bedoelde variant op politieke bumpersticker: ‘Wij staan stil achter Israël.’ Daar werd van gemaakt: ‘Wij staan achter Israël. Helpt u duwen?’

Ronny Naftaniel sloot zich vrijwel vanaf het begin aan bij de Werkgroep. Hij toonde zich buitengewoon bedreven in het plakken van posters. Binnen een jaar na de oprichting rolde het eerste nummer van het tweemaandelijkse blad Nabij uit de stencilmachine. ‘Er wordt namelijk te veel gekletst in Nederland’, meldde het door ‘R. Naftaniel’ ondertekende voorwoord. ‘Mensen hebben aan feiten geroken; halve verdraaiingen zijn het gereedschap geworden van groepen die elkaars bloed kunnen drinken. De Werkgroep Israël heeft ons inziens deze vampierachtige neigingen niet. Wij proberen feitenmateriaal naar voren te brengen. Zo objectief mogelijk.’ Medeoprichter Lex Wertheim hield de werkgroep na 1977 voor gezien omdat hij vreesde dat onder invloed van de verkiezing van havik Menachem Begin tot president van Israël de vriendenclub naar rechts zou opschuiven. Voor anderen, zoals de latere televisiejournalist Fons de Poel die in weerwil van zijn katholieke achtergrond hevig gefascineerd werd door het zionistische ideaal, bleek de omwenteling juist een impuls om zich aan te sluiten. Als ‘dromerige jonge dichter’ werd De Poel in Nijmegen actief bij een van de tien plaatselijke afdelingen van de Werkgroep Israël. ‘Wij waren er vooral om links Nederland te bestoken met pro-Israëlische standpunten,’ zegt De Poel. In die tijd maakte hij kennis met Ronny Naftaniel. ‘Hij kwam regelmatig naar Nijmegen om met ons te praten. Wij beschouwden hem als een enorme held, een rolmodel, een aantrekkelijke, charmante man die onwaarschijnlijk hoffelijk was in al zijn uitingen.’

Sigaarfournituren

Bertus Hendriks, medeoprichter van het Palestina Komitee, voerde in zijn activistische periode menig debat met Naftaniel. Met een glimlach blikt hij nu terug op de felheid die het politieke discours toen kenmerkte. Als Midden Oosten-specialist bij de Wereldomroep werd Hendriks later geprezen vanwege zijn onpartijdige benadering van de complexe werkelijkheid. Destijds had hij vooral oog voor het lot van de Palestijnen. ‘Als zodanig werd ik letterlijk en figuurlijk kritisch gevolgd door leden van de Werkgroep Israël,’ herinnert Hendriks zich. ‘Als ik ergens was uitgenodigd om een lezing over het Palestijnse vraagstuk te geven, zat er meestal iemand van de Werkgroep Israël in de zaal om me te bestoken met lastige vragen. Het maakte niet uit of dat in Lochem, Hoogeveen of Zierikzee was, ze wáren er gewoon. Op een gegeven moment reden Naftaniel en ik gewoon samen naar zo’n bijeenkomst; ik heb hem verschillende keren een lift van en naar Amsterdam gegeven. Dat gaf gelegenheid om in de auto nog eens uit te leggen waarom hij er niets van had begrepen.’ Hoewel ze elkaar onmogelijk konden overtuigen, herinnert Hendriks zich dat de verstandhouding op het persoonlijke vlak wederzijds respectvol was. Voorbeeldje. In 1975 namen de Verenigde Naties de roemruchte resolutie aan die zionisme op één lijn stelde met racisme. Vrienden van Israël gaven lucht aan hun verontwaardiging tijdens een massabijeenkomst in de Amsterdamse RAI. Bertus Hendriks was benieuwd wat de sprekers te melden hadden, maar na afloop voelde hij zich belaagd door geëmotioneerde bezoekers die hem herkenden. ‘Ze kwamen in een kring om me heen staan, een van hen zag kans om mij een trap te geven. Wat ik nooit zal vergeten is hoe Ronny Naftaniel mij tegen de omstanders in bescherming nam.’

In 1982 werd de Werkgroep Israël opgeheven, naar het laatste jaarverslag verbitterd vaststelde omdat het onmogelijk was gebleken een ‘doorbraak binnen links Nederland’ te bewerkstelligen. ‘De Werkgroep Israël en het Palestina Komitee hebben elkaar stelselmatig tegengewerkt, met als gevolg dat de Werkgroep Israël binnen samenwerkingsverbanden niet werd geaccepteerd en het Palestina Komitee niet voor subsidie in aanmerking kwam. Kortom, een aanvaarding van de ideeën van het Palestina Komitee in de Nederlandse samenleving heeft niet plaatsgevonden, maar de Werkgroep Israël is er evenmin in geslaagd een brugfunctie te vormen tussen – zeg maar – Joods en links Nederland.’

Op het moment dat die woorden op papier werden gezet, zat Ronny Naftaniel niet meer bij de Werkgroep Israël. De studie had hij nog enige tijd weten te combineren met het runnen van zijn vaders firma voor sigaarfournituren, maar die kortstondige loopbaan bij ‘Handelsvereniging voorheen B. Stuiver’ leerde hem dat het hem ontbrak aan de gedrevenheid die nodig is om succesvol zaken te doen. Als net afgezwaaide doctorandus ging hij in 1976 aan de slag bij het CIDI, dat net als de Werkgroep Israël vlak na de Jom Kippoeroorlog in oktober 1973 was opgericht.

Triomfen

Stille inspirator op de achtergrond bij de totstandkoming van de organisatie was de Israëlische ambassadeur Chanan Bar-On, die een mogelijkheid zocht om tegenwicht te bieden aan de pro-Arabische propaganda. In overleg met vertegenwoordigers van de joodse kerkgenootschappen, de Nederlandse Zionistenbond, de charitatieve organisatie B’nai B’rith en het Genootschap Nederland-Israël ging het informatie- en documentatiecentrum van start in een zijkamer ten huize van de illustere Haagse jurist en zakenman Bob Levisson (1913-2001) die tot 1980 als directeur optrad. De eerste schrijfmachine, het antwoordapparaat en het kantoormeubilair van de organisatie waren betaald door de Israëlische ambassade, die incidenteel ook ‘speciale projecten’ financierde, maar het overgrote deel van het budget kwam van donateurs.

In de beginperiode hield het CIDI nog vol dat het geen politieke mening, maar puur ‘informatie’ doorgaf, maar directeur Naftaniel maakte er geen geheim van dat hij daar anders over dacht. Hij ging ervan uit dat als hij de vrijheid nam om eerlijk te zeggen hoe hij aankeek tegen ontwikkelingen, zijn woorden des te geloofwaardiger zouden overkomen. Aanvankelijk hield hij liever zijn mond als hij meende dat het Israëlische beleid indruiste tegen wat hij zélf vond. ‘Toen Rabin besloot vierhonderd Hamas-leden op een heuveltop te zetten, was ik daar tegen,’ bekende hij aan het Nieuw Israëlitisch Weekblad. ‘Zet ze gevangen en laat ze voorkomen, vond ik. Ik was toen niet in staat Rabins beleid te verdedigen en besloot dus geen commentaar te geven. Er was al zo veel kritiek op Israël, Israël kon mijn kritiek daar niet nog eens bij hebben.’

In de loop der jaren werd de toon van zijn talrijke bijdragen aan de opiniepagina’s van dagbladen nog genuanceerder dan die al was. Het verdedigen van Israël in tijden van crisis vergt voorzichtigheid. De ervaring leert dat een achteloos opgeschreven zinnetje in de trant van: ‘sommigen spreken van bezette gebieden’ direct twintig ingezonden brieven van verontwaardigde lezers oplevert. Tot de triomfen behoorde een geslaagde actie tegen bedrijven die Arabische zakenpartners paaiden met de schriftelijke garantie dat de onderhandelingen zouden worden gevoerd door ‘niet-Joodse’ vertegenwoordigers. Het CIDI opende een langdurige juridische procedure (met het gewenste resultaat) tegen het evangelistenechtpaar Goeree dat in een oplage van twintigduizend exemplaren traktaatjes verspreidde waarin het Joodse volk verantwoordelijk werd gesteld voor de moord op zes miljoen joden in de Tweede Wereldoorlog. Toen de president van de Israëlische luchtvaartmaatschappij El Al zich tien jaar geleden in de Knesset beklaagde over ‘een groeiende anti-Joodse stemming in Nederland’ noemde Naftaniel dat ‘volledig misplaatst’ en ‘uit de lucht gegrepen’. Hoewel Naftaniel onvermoeibaar benadrukt dat Israël niet als buikspreker van het onafhankelijke CIDI functioneert, prees de Israëlische ambassadeur Eitan Margalit vijf jaar geleden in een Zembla-documentaire het uitstekende contact dat hij met geestverwanten onderhield. ‘Wij monitoren de pers bijvoorbeeld. Als wij het nodig vinden om te reageren op een kritisch artikel, brengen wij dat bij het CIDI onder de aandacht – en andersom.’

Behendige lobbyist

Bertus Hendriks beschouwt zijn vroegere opponent Naftaniel als een behendige lobbyist die met een kleine staf opereert naar analogie van de American Israel Public Affairs Committee, in de Verenigde Staten een denktank die ernstig meetelt. ‘Het zionisme is de belichaming van het verlangen om een joodse staat te creëren. In die zin is het CIDI zondermeer zionistisch,’ vindt Hendriks. ‘Het CIDI zal niet de positie accepteren van een man als Uri Avneri van het vredesblok Gush Shalom, een politicus die evolueerde van een fanatiekeling tot een idealist die het geloof in het zionisme heeft laten varen. Het CIDI zal niet uitdragen dat de oplossing voor Israël ligt bij één burgerschap voor al haar inwoners, zonder onderscheid tussen Joden en Arabieren, waarbij het Joodse karakter van de staat tot uiting komt in het feit dat de meerderheid Joods is.’

Achter de naam van de stichting Een ander Joods geluid zou ‘… dan het CIDI’ kunnen staan, want de bezorgers van de alternatieve boodschap wilden het monopolie doorbreken van de enige woordvoerder die in Joodse kwesties bereikbaar leek te zijn. Zodra in het Midden-Oosten de vlam weer eens in de pan sloeg, was Ronny Naftaniel al onderweg naar Hilversum om bij Nova, Radio 1 of Goedemorgen Nederland de hete actualiteit van deskundig commentaar te voorzien. Het lijkt erop dat Naftaniel inderdaad minder prominent in de media figureert dan een paar jaar geleden. Zijn mening straalt nog steeds gezag uit, al is het soms akelig voorspelbaar wat hij als vriend van Israël zal gaan zeggen.

‘Er wordt wel gezegd dat de afkorting CIDI staat voor Centrum Indoctrinatie en Desinformatie Israël,’ grapt voorzitter Jaap Hamburger van Een ander Joods geluid. Met een bestuursdelegatie ging hij bij het CIDI op bezoek om te bespreken in hoeverre de verschillende visies samenwerking uitsluiten. Hamburger: ‘De conclusie was dat Israël volgens ons een eigenstandige agenda voert en in de aanval is, terwijl het CIDI stelt dat Israël zich verdedigt tegen aanvallen van buitenaf. Ronny Naftaniel is voorstander van twee aparte staten, maar hij zou daarin wat specifieker mogen zijn. Ik heb hem nooit publiekelijk horen zeggen dat de nederzettingen een onoverkomelijk obstakel zijn om tot twee staten te komen. Evenmin zal hij zeggen dat een dergelijke oplossing impliceert dat Jeruzalem ook de hoofdstad van een Palestijnse staat moet worden.’

De felheid waarmee SP-kamerlid Harry van Bommel werd gekapitteld omdat die zo onverstandig was in een demonstratie tegen het Gaza-offensief ‘intifada’ te scanderen, doet Hamburger vermoeden dat het diskwalificeren van critici van Israël een beproefde tactiek van het CIDI is. ‘Als alle pijlen op Van Bommel worden gericht, hoeven we het ten minste niet over de Gazastrook te hebben. Vervolgens wordt gesuggereerd dat de opleving van het antisemitisme het grote maatschappelijke probleem van deze tijd is. Daar is het CIDI behoorlijk instrumenteel in. Je hoort mij niet zeggen dat Ronny Naftaniel dom opereert, al zou ik er niet graag een voorbeeld aan nemen.’

In oktober vorig jaar vierde de directeur van het CIDI zijn zestigste verjaardag. De kans op een plaats op de kandidatenlijst van de PvdA-fractie bij een toekomstige parlementsverkiezing wordt steeds kleiner. Waarschijnlijk is hij gedoemd tot aan zijn pensionering de ‘beroepsjood’ te blijven waar columnist Max Pam hem ooit voor versleet. Lange tijd leek ‘de niet gekozen burgemeester van Joods Nederland’ (televisieproducent Harry de Winter over Naftaniel) af te stevenen op een politieke loopbaan, maar meer dan het vice-voorzitterschap van de PvdA-afdeling te Amstelveen zat er niet in – en zelfs daar stopte hij onlangs mee. ‘Dat vind ik het meest ongelooflijke aan Ronny,’ zegt Fons de Poel. ‘Ik had nooit verwacht dat hij zó lang bij het CIDI zou blijven.’

‘Binnen de PvdA wordt niet langer uitsluitend pro-Israël gedacht,’ weet Hamburger. ‘Toen we op het Binnenhof een afspraak hadden met Martijn van Dam, de pas benoemde buitenlandwoordvoerder van de PvdA, kwamen we in de gang Ronny Naftaniel tegen. Hij was al geweest, in zijn eentje. Wij gingen naar binnen met het bijna voltallige bestuur. Niet lang daarna schreef Naftaniel een commentaar in het CIDI Nieuws onder de kop: Martijn van Dam heeft van het Midden-Oosten niets begrepen. Dat vond ik wel grappig.’