Wij kunnen niets zonder de wereld, maar zonder ons heeft de wereld geen enkel probleem. Zo onbelangrijk is de mens, en zo belangrijk zijn de dingen. – Een voorpublicatie uit Het tegenovergestelde van een mens, de debuutroman van dichter en schrijver Lieke Marsman.
In een van Leopardi’s essays, het essay over Copernicus, ‘De Copernicus’, gaat het eerste uur van de dag (laten we zeggen een uur of acht in de ochtend) in discussie met de zon. De zon, brommerige grote bal licht, heeft die dag geen zin om nog langer om de aarde heen te draaien. Voor de ‘personages’ in dit essay is de aarde namelijk letterlijk het middelpunt van alles: eeuw na eeuw heeft de zon in een baan rondjes om ons heen gedraaid. Maar nu heeft hij er genoeg van, hij staakt.
Zon: Ik ben moe van dit continu rondjes maken om licht te geven aan een paar kleine wezentjes die leven op een handvol modder – zo klein dat ik, terwijl ik toch prima ogen heb, ze niet eens kan zien.Vannacht heb ik besloten dat ik hier geen moeite meer voor wil doen; en als de mensen licht willen zien, moeten ze maar een vuurtje aansteken of iets anders verzinnen.
Het eerste uur van de dag, het moment van ochtendgloren, is radeloos. Als de zon geen zin meer heeft om op te komen, komt zijzelf in gevaar: zonder zon geen zonsopkomst, en zonder zonsopkomst geen begin van de dag. Uiteindelijk sommeert de zon het laatste uur van de dag om naar de aarde af te dalen en een of andere wetenschapper ervan te overtuigen iets te doen waardoor de aarde om de zon zal gaan draaien. Als de zon ophoudt te bewegen, zal de aarde toch echt in actie moeten komen, anders zal de ene helft van de aarde voortaan in eeuwige duisternis leven, de andere helft in een eeuwig durende dag. Het is een prima oplossing voor de zon, en hij gaat er eens goed voor zitten.
De zon sommeert het laatste uur van de dag om naar de aarde af te dalen en een of andere wetenschapper ervan te overtuigen iets te doen waardoor de aarde om de zon zal gaan draaien.
De wetenschapper bij wie het laatste uur van de dag vervolgens op bezoek gaat is de Poolse Nicolaus Copernicus, die allang heeft gemerkt dat de zon niet op tijd is opgekomen. Hij maakt zich zorgen en reist af naar de zon voor opheldering. Hij legt uit dat hij vreest dat de mensen op aarde helemaal geen zin zullen hebben hun rol van middelpunt op te geven. Hij betwijfelt dan ook of hij een rol van betekenis kan spelen. Misschien, als hij Hercules of Roland was, in plaats van een zwakke katholieke priester…
Zon: Wat heeft dat er nou mee te maken? Wordt ons niet verteld dat een van de oude aardse wiskundigen* ooit zei dat als hij zich buiten de wereld zou kunnen begeven, dat hij dan ongetwijfeld hemel en aarde kon bewegen? Nou, jij hoeft alleen maar de aarde te bewegen, en je bevindt je momenteel op een plek die buiten de wereld ligt. Daarom, als jij niet minder slim bent dan die ouwe, zou jij haar moeten kunnen bewegen, of ze het nou leuk vindt of niet.

* Leopardi verwijst hier naar Archimedes, die beweerde dat hij, als hij een enorm lange koevoet en een vast punt buiten de aarde had, de aarde zo uit zijn baan zou kunnen wippen. Tegenwoordig wordt met een archimedisch punt een buitenstaanders-punt bedoeld, een punt van waaraf je iets in z’n geheel kunt beschouwen, waarbij geldt: afstand schept onafhankelijkheid. Een Goddelijk oogpunt, van waaruit je universele uitspraken over de wereld zou kunnen doen. Maar een universele uitspraak doen, zonder zelf deel uit te maken van die universaliteit, is tamelijk lastig.
Copernicus kan hoog en laag springen, alle argumenten aandragen die hij maar wil – de zon weet ze allemaal te weerleggen. Zijn laatste argument is dat hij vreest dat hij verketterd zal worden. Als priester wist hij maar al te goed wat de gevolgen konden zijn van ingaan tegen een Bijbels wereldbeeld. De zon houdt voet bij stuk en doet een voorspelling, namelijk dat Copernicus niet in de problemen zal komen, en raadt hem aan het boek dat hij over het onderwerp zal schrijven aan de paus op te dragen. Daarmee komt het stuk tot een einde, de lezer weet: vanaf nu zal de aarde om de zon draaien.

Iedereen is het middelpunt van zijn of haar eigen wereld
Zijn boek Over de omlopen van de hemellichamen aan de paus opdragen om de kans op excommunicatie te verkleinen – dat is precies wat Copernicus in werkelijkheid gedaan heeft. Hij wist natuurlijk niet dat de reden dat hij inderdaad niet verketterd zou worden was dat hij daags na het uitkomen van het boek zou sterven. Hij zou inderdaad nooit voor zijn gedachtegoed hoeven boeten – dat zou Galileo Galilei zo’n honderd jaar later voor hem doen.
In Leopardi’s essay vindt de zon een heel praktische oplossing voor het geocentrisme van de aarde: hij zorgt ervoor dat de aarde haar centrale rol wel móét opgeven, en dat is dat. Maar in werkelijkheid duurde het natuurlijk veel langer voordat Copernicus’ ontdekking geaccepteerd werd. Pas in 1835 werd zijn werk door de Katholieke Kerk van de lijst met verboden boeken gehaald.
Bovendien betekende het einde van geocentrisme niet ook het einde van egocentrisme. Ook toen de mensheid als geheel zichzelf niet langer als middelpunt van het heelal zag, bleven alle individuele mensen zichzélf wel als middelpunt van hún universum zien. Iedereen is voor altijd gedoemd tot egocentrisme, omdat iedereen simpelweg middelpunt van zijn of haar eigen wereld is. Het is onmogelijk om de wereld te bekijken door andermans ogen, hoe empathisch je ook bent.
Het is onmogelijk om de wereld te bekijken door andermans ogen, hoe empathisch je ook bent.
Je kunt je voorstellen dat ontdekken dat de aarde niet het middelpunt van het heelal was leidde tot paniek: van hoofdzaak werd de mens opeens tot bijzaak. Bovendien riep het een heleboel nieuwe vragen op: waar eindigde dat heelal eigenlijk? Was er een ander middelpunt? Bestond God eigenlijk wel? Het heelal gaf geen antwoorden.
De eeuwige stilte van deze ruimte verschrikt mij, schreef Blaise Pascal hierover in zijn Pensées. Het is een zin die bijna dagelijks door mijn hoofd spookt. Omdat ik hem zo goed begrijp, vermoed ik, ook al is hij bijna vier eeuwen oud. Ik vind door een stille straat lopen soms al angstaanjagend, hoe moet Pascal zich gevoeld hebben ten overstaan van een nieuw ontdekt, oneindig groot en zwijgend heelal?*
Toen Copernicus bewezen had dat de mens niet het middelpunt van het heelal was, en dus hoogstwaarschijnlijk ook niet Gods oogappel, moest er iets verzonnen worden om de angst die dit veroorzaakte te temmen, om dan in ieder geval de uitzonderingspositie van de mens op aarde zeker te stellen.
* Het idee van eeuwige, oneindige stilte fascineerde ook Leopardi, alleen werd deze stilte voor hem niet veroorzaakt door het bestaan van een oneindig groot heelal waarin niemand antwoord geeft, maar door de mogelijkheid van de afwezigheid van alles — óók het heelal. Bovendien was Leopardi niet bang voor deze stilte, maar zag hij het als een ideaal. Omdat hij vond dat alles slecht is (‘Dat wil zeggen, alles wat is, is slecht. (…) Buiten niet-bestaan, bestaat er niets goeds.’) was oneindige stilte voor hem het hoogst haalbare. Stilte was voor hem idealiter dus niet de afwezigheid van geluid, maar het ontbreken van iets wat geluid zou kunnen maken.
Zoals de mens is er niet een
We zijn dan wel niet de centrale wezens van het heelal, we zijn wel de meest bijzondere! Op basis van de natuurwetenschappelijke resultaten die men behaalde (wie doet dat ons na!) sprak men zichzelf moed in.
Zodoende groeide de aandacht voor het menselijk bewustzijn: door dat wat mensen van dieren en dingen onderscheidt tot hoogste goed te bombarderen, kon men zichzelf opnieuw met een uitzonderingspositie feliciteren. Het succes van Descartes, die het bestaan van het individuele bewustzijn aantoon- de en centraal stelde bij het verwerven van kennis, lijkt me dan ook geen toeval. Volgens Descartes waren dieren niet meer dan machines. Dieren, zei hij, hebben geen ziel en geen gevoelens, het zijn een soort automaten. Latere filosofen kenden dieren weliswaar wel bewustzijn toe, maar geen zelfbewustzijn: bewustzijn van het feit bewustzijn te hebben.
Door dat wat mensen van dieren en dingen onderscheidt tot hoogste goed te bombarderen, kon men zichzelf opnieuw met een uitzonderingspositie feliciteren.
Descartes’ cogito ergo sum (ik denk, dus ik ben) vormde bovendien een opmaat naar het onderscheid tussen subject en object dat aan de gehele westerse filosofie en wetenschap die volgden ten grondslag lag. Het enige waarvan ik zeker weet dat het bestaat is datgene in mij wat denkt, volgens Descartes. Dit ‘denkende’ noemde hij geest, en het stond volgens hem volkomen los van het lichaam. De geest was onstoffelijk en het domein van het bewustzijn, het lichaam daarentegen was stoffelijk en hoorde thuis bij de objecten. Het was de geest die ons tot mensen maakte en die kon registreren en nadenken over wat er in de wereld van de objecten gebeurde.
Deze cartesiaanse tweedeling tussen subject en object had verstrekkende gevolgen: het zorgde er bijvoorbeeld voor dat mensen zichzelf niet langer zagen als onderdeel van de natuur. De natuur, dat was het domein van de objecten. En het was aan de mens, cultureel wezen dat naast een lichaam ook een geest bezat, om die te leren kennen en te controleren.
Maar wat betekent het de werkelijkheid te kennen, precies zoals ze is? Hierover heeft veel discussie bestaan. Wat maakt dat we een boom als boom kunnen kennen? Die boom zelf, door te bestaan, zou je denken. Maar je zou ook kunnen zeggen dat een boom alleen een boom is omdat de mens haar als zodanig waarneemt, en in dat geval is het de mens die de boom tot boom maakt. De boom verschijnt op een bepaalde manier aan ons, en wij herkennen daar de eigenschappen in die ons ertoe in staat stellen wat we zien ‘boom’ te noemen.
Het was Immanuel Kant die in de Kritiek van de zuivere rede voor het eerst iets dergelijks schreef. Men had steeds tevergeefs geprobeerd essentie of betekenis in de dingen te zoeken, maar de dingen gaven niets prijs. We moeten het omdraaien en aannemen dat betekenis in het hoofd van de mensen zit! concludeerde Kant. Het bewustzijn gééft betekenis aan de dingen: hoewel deze dingen onze zintuigen informatie verschaffen, is het het menselijk bewustzijn dat een betekenisgevende bijdrage aan de wereld om ons heen levert door deze informatie juist te verwerken aan de hand van zijn begrip van ruimte, tijd en causaliteit. Objecten leveren slechts het materiaal waarmee het bewustzijn aan de slag gaat, ordent en begrijpt. Dit is tegenwoordig een gangbare gedachte, maar in Kants tijd was het radicaal: tot die tijd had men het bewustzijn meer gezien als een mandje om de eigenschappen van dingen in te verzamelen. Zelf noemde Kant het zijn copernische revolutie.

De natuur kent geen (mensen)rechten
Maar in tegenstelling tot Copernicus zorgde Kant er zo voor dat de mens zichzelf nóg belangrijker kon vinden. Zeggen dat de natuur pas betekenis heeft in relatie tot mensen gaf mensen de kans deze natuur als minderwaardig te zien. Het gevolg is dat we voortdurend het idee hebben dat objecten ons toekomen: een stuk land, de regenwouden, olie in de grond… ze betekenen alleen iets voor ons, dus mogen we ermee doen wat we willen.
Gevolg: filosofen die een object-gerichte filosofie aanhangen zeggen dat de menselijke arrogantie die door Kants copernische revolutie in de hand werd gewerkt een van de oorzaken is van de enorme vervuiling en de klimaatverandering waar we nu mee kampen. Deze arrogantie werd bovendien versterkt door de successen die de natuurwetenschappen boekten: op- eens leek alles maakbaar (op een gegeven moment lukte het zelfs om een atoom te splitsen – de ultieme daad van maakbaarheid en menselijke dominantie). Het feit dat men allereerst reageert op de klimaatcrisis door te onderzoeken of we met een slimme technologische oplossing kunnen komen, duidt er bovendien op dat deze arrogantie nog altijd niet afneemt.
Om dit probleem tegen te gaan zouden we het onderscheid tussen cultuur en natuur moeten opheffen, schrijft de Franse filosoof Quentin Meillassoux. De wereld die zo zou ontstaan noemt hij The Great Outdoors, een wereld waarin het menselijk bewustzijn geen rol meer speelt, of in ieder geval geen sleutelrol. In The Great Outdoors zijn mens en natuur gelijkwaardig. Enerzijds accepteer je zo dat objecten de mens niet nodig hebben om onderling betekenisvolle relaties aan te gaan (denk bijvoorbeeld aan een boom die door de bliksem getroffen wordt, een zeebeving die een eiland doet zinken), anderzijds dat het menselijk bewustzijn zelf ook terug te brengen valt tot objecten (neuronen, atomen, quarks). In The Great Outdoors heeft alles, óók de dingen die door mensen gemaakt zijn en óók mensen zelf, betekenis vanwege zichzelf, niet vanwege mensen die door middel van taal of wetenschap betekenis toekennen. Dit leidt tot een hiërarchieloze wereld. Deze gelijkschakeling van mens en natuur zou er onder andere toe kunnen leiden dat ook bepaalde objecten rechten krijgen. Zoiets probeert men nu al voor elkaar te krijgen voor de regenwouden van Zuid-Amerika, in Nieuw-Zeeland is er sinds kort een rivier die rechten heeft. Wie weet, krijgen dieren en planten ooit ook wat we nu nog ‘mensenrechten’ noemen.
Wie weet, krijgen dieren en planten ooit ook wat we nu nog ‘mensenrechten’ noemen.
Om je iets voor te stellen bij een wereld waarin mensen niet belangrijker zijn dan al het andere, zou je je in kunnen beelden wat er met de aarde zou gebeuren als de mensheid opeens verdween. Dit is wat Alan Weisman doet in zijn boek The World Without Us. In een wereld zonder mensen gebeurt van alles. Meillassoux stelt zich op zijn beurt de aarde vóór het bestaan van de mens voor: hoe ging het er in de werkelijkheid van vóór de mensheid aan toe? En wat kunnen we daarvan leren?
Het is best moeilijk om de wereld om ons heen te zien als een plek waartoe we ons niet op een betekenis-uitdelende manier hoeven te verhouden. Toegeven dat objecten hun eigen leven leiden, betekenisvolle relaties aangaan met elkaar of met zichzelf, is toegeven dat er een wereld is waar we geen invloed op en dus ook geen controle over hebben. Het is toegeven dat niet alles maakbaar is. Voor een wezen dat zichzelf al eeuwenlang boven alles verheven voelt is dat een ongemakkelijk besef.
Als de wereld naar de kloten gaat, kan het de wereld niets schelen, zeggen klimaatsceptici, en dus mogen we doen wat we willen. Maar het kon de wereld al die tijd al niets schelen. Net als de zon in het essay van Leopardi, zou de aarde op ons neerkijken als ze kon. Wij kunnen niets zonder de wereld. Maar zonder ons heeft de wereld geen enkel probleem.

De mens is eenzaam als de mensheid in z’n geheel
Die laatste gedachte is beangstigend, net zo beangstigend als de idee dat onze aarde niet het centrum van het universum is, ooit was. En in die angst ligt misschien wel de oorzaak voor het feit dat veel mensen klimaatverandering niet serieus nemen. Natuurlijk, je zou het feit dat het de mens is gelukt haar eigen leefomgeving naar het randje van de afgrond te duwen als bewijs kunnen zien van hoe machtig we wél zijn (we kunnen nu zelfs het klimaat beïnvloeden!), maar dan moet je tegelijkertijd toegeven dat we een probleem hebben gecreëerd waarvoor we misschien wel géén oplossing kunnen vinden.
En dus: angst. Niemand wil machteloos zijn. Wie machteloos is, is onbelangrijk. Stel je voor dat je de enige overgebleven persoon op aarde was, de laatste droevige cartesiaan voor het haardvuur: wat je ook zou bedenken, het zou er voor niemand meer toe doen. Dat zou je nogal eenzaam maken, want wat is eenzaamheid meer dan het verdrietige besef dat je voor niemand iets betekent? Niets boezemt ons zoveel angst in als de mogelijkheid onbeduidend te zijn.*
Waar het op neerkomt is dat de mensheid als geheel ook eenzaam is. We kunnen er niet tegen dat er niemand iets terugzegt, dat die verdomde objecten niets doen met de betekenis die wij ze toedichten, dat we nog altijd geen dieren hebben horen praten – ja, misschien zo nu en dan in de vorm van het schrille gegil dat onze slachthuizen vult, maar niet met woorden, niet met een oplossing voor de dingen waar we al tijden mee zitten. Zelfs de hemel is leeg. En dus zetten we ons af door al die zwijgende natuur om ons heen te vernietigen, als een wanhopige geliefde die maar niet wordt terug ge-sms’t en het in het café op een zuipen zet.
* Kierkegaard merkte op dat we zelfs zo bang zijn voor eenzaamheid, dat we haar alleen maar weten te gebruiken als straf voor misdadigers.
De eeuwige stilte van deze ruimte verschrikt mij.
Neem een hond, zou je tegen Pascal willen zeggen. Maak een wandeling. Maar Pascal neemt een nieuwe auto, een heel dunne telefoon en aandelen in vulkanische namaak-as.
Ik vind het leuk om na te denken over al deze filosofen, mensen als Leopardi en Kant en Copernicus die bestaan hebben en zich boos maakten of bang waren of zich verwonderden. Maar de laatste tijd sta ik er steeds vaker bij stil dat de geschiedenis evenzeer een geschiedenis van dingen als een geschiedenis van mensen is. Appels die van bomen vielen en gegeten werden of wegrotten, bergen die ’s winters onder een dik pak sneeuw lagen, zwaarden die koningen doodden, atoombommen die ontploften, reusachtige schepen die wel of niet een nieuw werelddeel bereikten, vrolijk wapperende vlaggen, overstromingen, graankorrels en grafzerken.

Het tegenovergestelde van een mens, is de debuutroman van schrijver en dichter Lieke Marsman. ‘Een roman die ons aan het denken zet over de pijnlijk bescheiden plek die we innemen op de wereld: wie zal ons missen als we ten onder zijn gegaan aan smeltend poolijs?‘ Het boek is uitgegeven bij Atlas Contact en verschijnt donderdag 1 juni.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.