Het duurde even voor de vonk van Jan van Mersbergens proza bij mij oversloeg. Dat gebeurde met Morgen zijn we in Pamplona, zijn vierde roman die in 2007 verscheen, nu tien jaar geleden. Iedere schrijver schrijft een boek waarmee hij zijn schrijverschap identificeert, dit was het zijne. Zijn hoofdpersoon Danny is een bokser. Literair komt die keuze neer op een lakmoesproef, een ultieme test om de mate te peilen van wat je literair vermag. We kennen de grote Amerikaanse schrijvers die over boksen schreven. Vaak vanuit een romantische voorliefde voor wat intellectuelen zelf juist zelden zijn: getraind, fysiek gericht, bereid klappen te incasseren, zelfs zware schade te verduren. Ook kleeft er voor hen een verleidelijke noir-kant aan boksers, zeker aan vechters die over hun top heen zijn en zich toch laten strikken om nog één keertje het lot te tarten. Omdat ze gedwongen zijn door beroerde maatschappelijke omstandigheden, omdat ze maar één ding echt kunnen: boksen. Dat is niet beter verbeeld dan in John Hustons Fat City, een film die in sfeer scherp overeenkomt met Morgen zijn we in Pamplona.

Het is niet alleen die beladen setting, het is ook hoe Jan van Mersbergen (Gorinchem, 1971) zijn boksverhaal eigenzinnig mersbergiaans kleurt. We krijgen meteen al te maken met een bokser op de vlucht; bij Van Mersbergen sta je bij de eerste zin al midden in het verhaal. Danny krijgt een lift van de verzekeringsagent Robert, die op weg is naar het Fiesta de San Fermin in de Spaanse stad Pamplona – de encierro, waar Spanjaarden en buitenlanders voor stieren uit draven in het centrum van de stad. Twee mannen in een auto: de een, Robert, wil praten, de ander, Danny, wil zwijgen. Gelijk zijn we op het vertrouwde masculiene Van Mersbergen-terrein, in de literaire man cave die zijn werk vormt, hoezeer de schrijver het in zijn knoestige oeuvre ook serieus en diep invoelend aanlegt met personages van de andere kunne.

En dan dat zo mersbergiaanse thema: vluchten of vechten. Danny is op de vlucht, maar hij niet alleen: Robert is onderweg naar een rituele situatie waarin hij moét vluchten, teneinde zijn alledaagse leven weer aan te kunnen. Vergelijkbaar met het ritueel van een even dionysisch feest: carnaval. Ook daar kun je eventjes je banden met de wereld van plicht, arbeid en verantwoordelijkheid slaken, om daarna de rest van het jaar weer volop als productieve burger mee te draaien. Natuurlijk weet je tijdens het lezen van Morgen zijn we in Pamplona dat Danny een bokser is; een bokser loopt niet weg, hij gaat de confrontatie aan. En toch verrast het dat Danny op het moment suprême niet wegloopt voor de stier die hem op de horens dreigt te nemen en erger.

Is het Danny’s aard die de overhand neemt, zijn boksersnatuur? Dat zou logisch zijn: een bokser loopt voor geen tegenstander weg, hij overwint zijn angst en trotseert dat wat komen gaat; in de ring heeft hij zichzelf leren kennen en weglopen zou hoogverraad zijn aan wie hij is. Danny deed al iets onnatuurlijks: hij vluchtte – van de consequenties van zijn daden. Nu, na deze queeste die de reis met Robert voor hem was, krijgt hij een tweede kans. Hij zal niet meer vluchten, niet voor het gevecht, en ook niet voor zijn (nood)lot. Daarmee volgt hij een patroon dat voorbestemd is – zoals hij in Pamplona door Robert weggetrokken wordt van de stier, zoals een trainer dat in de ring doet met zijn beschadigde bokser, die zelf niet wil, niet kán opgeven.

Zijn personages oefenen gewone-mensenberoepen uit en hebben daarnaast meestal een hartstochtelijke, volkse hobby.

Dus ja, het is Danny’s boksersnatuur die doorslaggevend is, maar in Van Mersbergens universum waarin de scheidslijn tussen mens en dier dun is, zijn we er dan nog niet. Iemand zegt tegen Danny: ‘Het is iets in je ogen (…). Heb je ooit een stier in zijn ogen gekeken?’ Nee, antwoordt Danny. De ander reageert: ‘Dan zie je hetzelfde. Dat wilde ik je zeggen.’

Vastelaovend-hymne

Deze roman vonkt ook bij herlezing. Morgen zijn we in Pamplona is de Odessa Star van Jan van Mersbergen. Die roman van Herman Koch is in retrospectief de voorafschaduwing van Het diner, de roman waarmee hij voor het eerst grote successen oogstte. Odessa Star is zelfs beter dan Het diner, vind ik. Die vergelijking kun je niet trekken tussen Morgen zijn we in Pamplona en de roman waarmee Van Mersbergen doorbrak, zijn vastelaovend-hymne Naar de overkant van de nacht, daarvoor verschillen die twee romans (anders dan in Kochs geval) te zeer in onderwerp en manier van schrijven. Het gaat mij er hier om dat de road novel Morgen zijn we in Pamplona dezelfde voldragen thematiek heeft als Naar de overkant van de nacht. Had je zulke grootheden aan kunnen zien komen op het moment dat Jan van Mersbergen debuteerde?

Achteraf bekeken wel: als je de romans De grasbijter (2001), De macht over het stuur (2003) en De hemelrat (2005) gezamenlijk beziet als een garage – een beeld uit Van Mersbergens koker – waar boek na boek merkwaardige bouwstenen en materialen in stelling worden gebracht teneinde – alleen weten we dat dan nog niet – uiteindelijk een ideosyncratische, bezielde constructie te scheppen als Morgen zijn we in Pamplona, Naar de overkant van de nacht en De ruiter (2016). Zo’n bouwsteen – of mersbergiaanse geplogenheid – is dat de personages gewonemensenberoepen uitoefenen en daarnaast meestal een hartstochtelijke hobby hebben die ook gewoon aandoet, in de zin van volks. Zo gewoon en tegelijkertijd toch kennelijk zo ongewoon in de meeste hedendaagse Nederlandstalige romans van boven de grote rivieren. In Jan van Mersbergens oeuvre maken we meteen kennis met mensen uit de heffe des volks, zoals dat vroeger pejoratief werd gezegd wanneer in de terminologie van nu ‘de hardwerkende Nederlander’ werd bedoeld. Dankzij hem wandelt een stratenmaker de Nederlandse letteren binnen, een autocrossende bouwvakker, een laboratoriumassistent, een boer, een bokser, een straatartiest, een Poolse thuishulp en vele tot dan toe vaak stemloze anderen.

Multiculturele feelgood-novelle

Ik repte net bij het aanschouwelijk maken van Van Mersbergens eerste drie romans, waarin hij bouwde aan zijn oeuvre dat later een meesterwerk als Naar de overkant van de nacht zou bevatten, van een garage waar een bezielde constructie gefabriceerd werd. Denk aan wat de dikke bouwvakker Sjors in z’n vrije tijd doet, deels uit onbeantwoorde liefde voor de studente Bianca – ze leverde het idee – in Van Mersbergens schrijnende, multiculturele feelgood-novelle Oase (2015): hij bouwt voor een tobberace een zwaar-symbolisch drijvend kunstwerk dat het traumatische vluchtverhaal verbeeldt van de vader van hun Ethiopische vriend Sulayman.

Van Mersbergen wil met zijn boeken de wereld een klein stukje beter maken, met compassie en solidariteit als toegift, vermoed ik.

De (uit)werking van die kunstige tobbe waarmee de drie vrienden in die race niet zomaar de eerste prijs voor originaliteit winnen, is in het licht van Jan van Mersbergens oeuvre ronduit betekenisvol: de wereld blijft imperfect, maar is een klein stukje beter geworden; de pijn van het grote zwijgen over het trauma wordt tenietgedaan en de gemeenschapszin is vergroot, met compassie en solidariteit als toegift. Datzelfde wil de mensch Jan van Mersbergen met zijn boeken bewerkstelligen, vermoed ik.

Oase geeft blijk van nogal zoetig wensdenken, realiseer je je na de roes van dit op intermenselijk vlak ontroerende verhaal, maar deze novelle is dan ook het meest een parabel in Van Mersbergens oeuvre. Ach ja, af en toe wil een mens nu eenmaal de wereld onbevangen tegemoet treden, omarmen wat leeft en groeit en ons altijd weer boeit – het is Jan van Mersbergen vergeven. Temeer daar Oase een uitzondering is. Hij schrijft beslist geen ideeënromans en op ideologie of moraal kun je hem evenmin snel betrappen; de gedachten zijn in zijn proza altijd ondergeschikt aan de intrige en aan de vaak stuurloze personages die bij hem eerst en vooral hun verhaal mogen doen in hun eigen woorden – dat is de grote kracht van zijn proza.

Tegelijkertijd kent het je zodanig volledig verlaten op je personages ook een achilleshiel. Het schrijven kan dan te behavioristisch aandoen, met de nadruk op gedrag en gevoelens, zonder blijk van een geesteswereld, laat staan een spatje sublimatie.

Zijn vijfde roman Zo begint het (2009) gaat ernstig gebukt onder dat euvel. Een riskante aanpak dus, maar áls het lukt, pakt het ook meteen grandioos uit en dat levert dan de karakteristiek (immer zintuiglijke) mersbergiaanse zinnetjes op, die de lezer weten te raken. Ook in Oase. Zo typeert hij de in Nederland geboren adolescent Sulayman, die gebukt gaat onder de last van de Ethiopische cultuur van zijn ouders; niets liever wil hij dan Nederlander zijn tussen de Nederlanders: ‘Hij wilde dat woestijnzand niet meer, het enige wat hij tussen zijn tenen wilde voelen waren de pluisjes van goedkope sokken.’

Stugge, zwijgzame types

Gaan we nu zo, prettig kritisch, zijn oeuvre langs, boek na boek, met als graadmeter hemzelf op zijn best, dan zijn we snel klaar met de eersteling De grasbijter. Toch herinner ik mij de portee nog, zestien jaar later, negen Van Mersbergen-romans en een novelle verder: het in het rivierenlandschap gesitueerde verhaal gaat over een eenzame boerenkinkel die zich niet kan uiten en met die beperking godbetert hoteldebotel wordt op een oud-klasgenote die zich anders dan hij ontwikkeld heeft. Geen kleurloze inhoud dus, maar er kleefde iets onbestemds aan dat proza, de staccato zinnen leken zwanger van betekenis, maar welke? Kijk ik zijn debuut nu in, dan zie ik dat de schrijver daarin al de nadruk heeft gelegd op de handelingen van zijn hoofdpersoon, niet op zijn gedachten. Het verhaal moest dus spreken.

Datzelfde kan grosso modo gezegd worden over zijn tweede roman De macht over het stuur. Weer het rivierenlandschap – een stevige constante in zijn oeuvre. Weer een weinig talige dorpeling in de hoofdrol, ditmaal de adolescente bouwakker Ronnie, wiens lust en leven autocross is. Een van zijn vrienden laat daarbij het leven, oerend hard met drank op is niet zo’n goed idee. Mij staat de macho-concurrentie bij met een kermisgast die met zijn nieuwe, snelle auto komt pronken. ‘Wie rijdt er nu in een gele auto?’ Inmiddels onthield ik zulke uitspraken waarin een non-verbale gevoelswereld doorklinkt. Zinnetjes die klinken alsof het daar op dat moment niet anders gezegd kan worden.

In de opvolger De hemelrat, over laboratoriumassistent Edward die gedumpt is door zijn jeugdliefde Elizabeth en die het dorp verlaten heeft voor de grote stad, is dit dé uitspraak (van Edwards vader) die het verschil in mentaliteit tussen platteland en grote stad typeert: ‘Wie gaat er nou met een rat naar de dokter?’ Eenzame Edward houdt namelijk een (zieke) laboratoriumrat als huisdier.

Daarna verscheen Morgen zijn we in Pamplona en de rest is historie, zo wil het zegeverhaal. Maar Zo begint het logenstraft die idylle. Tot dusver kenden we Van Mersbergen als een verteller die een stem geeft aan stugge, zwijgzame types belast met zware gevoelens waarvoor ze geen woorden hebben. Dat op de wijze van beenderig schrijvende Amerikaanse realisten; er is in dit down to earth-proza geschrapt bij het leven, ten gunste van suggestie en emotie. Maar het roer moest kennelijk om, vond de schrijver, want in de ondiepe real life soap Zo begint het, waarin hij noteert wat zijn personages denken, doen, overkomt en overkwam, zijn de zo kenmerkend mersbergiaanse mannelijke zwijgers ditmaal naar de achterpanelen verdrongen. Het verhaal – much ado over een levensgevaarlijke viervoeter die een baby heeft doodgebeten – wordt nu verteld vanuit drie ontstellend gewone vrouwen die helaas in Van Mersbergens weergave maar niet bijzonder willen worden: de jonge moeder Emma, de jonge moeder Evana en de Poolse thuishulp Edyta. Genoeg.

Curieuze exercitie

De kwaliteit die hij levert, is dus binnen zijn oeuvre niet consistent. Na Zo begint het kwam tenslotte zijn fenomenale vastelaovend-roman. Is hij een bokser – in zijn werk dan – die valt en weer opstaat, en maar doorgaat, mislukking of niet, net zolang tot hij de juiste vorm te pakken heeft? Dat klinkt lekker romantisch, maar ook te makkelijk – ik ben niet overtuigd. Hij is zeker een schrijver die van alles wil uitproberen, al is het maar om dat verdomde massapubliek eens een keer te bereiken, de hordes die Saskia Noorts polderthrillers consumeren en de laatste twee romans van Griet Op de Beeck. Vandaar zijn ‘boek bij de film’ Een echte Vermeer (2016), dat hij op basis van het filmscript schreef over de erkenningsbehoeftige meestervervalser Han van Meegeren en zijn geliefde Jólanka. Het was niet alleen zijn kans een ander literair genre te beoefenen, dat van de romance: het perspectief (en z’n sympathie) in het liefdesverhaal Een echte Vermeer ligt bij Jólanka.

Zo’n curieuze exercitie herhaalde hij een jaar later, toen hij onder het al op de achterflap van Dagboek uit de rivier door hem prijsgegeven pseudoniem Frederik Baas een ‘literaire thriller’ afleverde (lees hier de recensie uit de Detective & Thriller Gids 2017). Ook dit hybride genre, waarover door literatuurminnaars doorgaans met hoon wordt gesproken, maar dat door een groot lezerspubliek gevréten wordt, neemt hij bloedserieus. Ten bewijze daarvan voldoet Baas’ proza formeel niet aan het literaire keurmerk Van Mersbergen: in Dagboek uit de rivier wordt bij het leven verklaard, daar waar Van Mersbergen het juist graag bij het suggestieve houdt. De ik-persoon en verteller in deze thriller is schrijver – zo’n navelstaarderig beroep zonder haken in het échte leven zou Van Mersbergen nooit een personage toebedelen – en hij formuleert zijn wensenpakket aldus: ‘Mijn nieuwe boek moet ook persoonlijk zijn, en herkenbaar, en universeel.’

Wat bezielt Van Mersbergen om zo te experimenteren met lectuur? Eens lachend naar de bank willen gaan?

Betrek je die voornemens op deze thriller, dan zie je dat Frederik Baas ze vertaalde als: houd het simpel. De gevoelens zijn helder beschreven, worden fors benoemd. Dagboek uit de rivier bezingt vrouwvriendelijk de intuïtieve kracht van de moeder. Er wordt in dat verband gesproken van ‘de oerkracht’, ironisch genoeg een Van Mersbergens grommende mannetjesputterproza reminiscerende term. Kortom, dit feelgood-boek waarin de vermissing van een jonge vrouw in de Frans-Belgische Ardennen wordt opgelost, is als een thriller geschreven, trouw aan de genrewetten, met vakkundig opgevoerde spanning. Daarmee is het iets anders dan een Van Mersbergen-roman, maar het is evenmin een pastiche. Bovenal wordt duidelijk dat Baas gewoonweg te veel in huis heeft om een simpele polderthriller uit zijn mouw te schudden. Hier verschuilt zich een betere schrijver.

Hemel en hel ineen

Wat bezielt Van Mersbergen om zo te experimenteren met lectuur? Eens lachend naar de bank willen gaan of een mogelijkheid om productiever te zijn dan goed is voor je literaire status – zie het onterechte wantrouwen bij literaire jury’s jegens de ‘veelschrijver’ Herman Brusselmans, die tot voor kort tweemaal per jaar een boek publiceerde – kan niet de reden zijn. Want met Zo begint het en Oase volgt hij óók een ander spoor, zij het binnen de literatuur. Ik zie al die uitstapjes als manieren om even van zichzelf af te zijn. Om even te vluchten, zoals zijn mannen die ergens voor op de loop zijn en die tegelijkertijd verlangen naar verbondenheid, liefst binnen een gemeenschap, of dat nu een kermis is, carnaval, het nachtleven of stierenrennen. Ritueel, semi-religieus opgaan in het geheel om ‘eindelijk jezelf’ te kunnen zijn, zoals de ik-persoon Ralf in Naar de overkant van de nacht. Het zijn uiterst dubbelzinnige figuren, deze rusteloze mannen die zich nochtans willen hechten. Vasteloavend, waar vriendschappen voor een nacht worden beklonken in die roes van bier, jenever en zoete likeurtroep, blijkt voor de stratenmaker Ralf de katalysator. Hij zit vast in een bestaan met een uitgeputte vrouw en meer verantwoordelijkheid dan zij samen kunnen dragen voor vier kinderen met handicaps en psychische averij. Zijn vrouw moet nu alleen ‘de situatie’ (zoals de buren dat noemen) thuis beredderen: ‘Ik volg mijn bekertje op de smerige planken. Eerst (…) wordt het vertrapt. Dan schiet het naar de andere kant van de groep, mijn ogen schieten ook die kant op. Een bloemetjesschoen tikt ertegenaan, nog een keer. Dan ligt het bekertje stil in het midden van de kring, een plat stuk doorzichtig plastic waar er duizenden van zijn, maar die ene was van mij, gaar en gedeukt, zoals Sara gaar en moe was, maar toch van mij.’

Paradoxaal genoeg hervindt Ralf zich door het dubbelzinnige ritueel van vastelaovond – hemel en hel ineen, met hulp van anderen een onmogelijke uitputtingsslag volhouden – en de bevrijding van zijn ego. Hij breekt, zijn gevoel komt los, tegen zijn taciturne mannelijke aard in: ‘Ineens zeg je iets wat je anders zou binnenhouden. Overal waar je kijkt staan mensen te huilen, met iemand naast hen die troost. Soms kennen die mensen elkaar niet eens. Dijkdoorbraken van verdriet.’

In Naar de overkant van de nacht ging Van Mersbergen ongekend diep. Zo’n boek kun je maar éénmaal schrijven.

In die uitzonderlijke roman ging Jan van Mersbergen zelf ook ongekend diep. Zo’n boek kun je maar éénmaal schrijven; hij zat er daarna merkbaar doorheen.

Hollandse western

In zijn zevende roman De ontsnapping (2014), over de reis die twee vaders met hun tienjarige zonen maken, is dat niet alleen stilistisch merkbaar; de zinnen zijn meestal simpel, transparant, vermoeid. Ook zijn de mersbergiaanse mannenmannen kwetsbaarder dan ooit. Ze zijn doodsbang te falen, als vader. In vergelijking daarmee is vluchten makkelijker, in jenever, in seks, in het nachtleven. Inhoudelijk weer een raak verhaal, maar ook een eindpunt, vermoedelijk. Ze zijn óp, deze echte mannen, al (of: en in lijn met hun masculiniteit) hebben ze dat zelf niet door.

Luidt De ruiter (2016), de laatste roman die Jan van Mersbergen onder zijn eigen naam publiceerde, een nieuw begin in? Zijn literair overtuigende verteller in deze Hollandse western is een oud en afgeleefd, scherp observerend, voelend en ruikend paard, dat aanloop krijgt van het stadsmeisje Sandra en van ellende: een heel fout vriendje, die zij hormonaal niet kan weerstaan. Het paard ruikt, hoort, voelt, ziet, maar (ver)oordeelt niet. Het dier is ook niet heldhaftig, eerder schrikachtig. Je gaat empathie voelen voor het paard en het menselijk achten, maar het blijft een dier. Het wijze paard belichaamt de zintuiglijkheid ten top in Van Mersbergens door dierlijke mensen bevolkte oeuvre, en zijn animale gewaarwordingen relativeren de narcistische positie van de mens in de wereld. Het paard blijft in het magistrale einde van De ruiter, zoals in het slot van Ridley Scotts film Thelma & Louise, met zíjn meisje op de rug ‘hangen’ in de literaire eeuwigheid, in een verkillend mooi, verstild shot. Verlost van deze grimmige wereld en tezelfdertijd daarin onuitwisbaar gegraveerd, op hun mooist, hun vitaalst, in het eenzame moment van soevereine vrijheid.

Hoe moet Jan van Mersbergen verder na deze waarlijk kosmische ontlading? Dat laten we aan hem, in het volste vertrouwen. Zolang hij maar volledig zijn mersbergiaanse zelf blijft.