Staatssecretaris Mansveld stapt op, maar het Fyra-rapport roept vooral vragen op over de gehele bestuurscultuur in Nederland. De halfhartig uitgevoerde liberaliseringen geven het slechtste van twee werelden.

De parlementaire enquête over het Fyra-drama was zonder twijfel een van de meest kleurrijke in het genre. Denk alleen maar even aan de brede bretels met doodshoofden die Tineke Netelenbos om de stevige torso van president-commissaris Jan Timmer van de NS gespannen dacht te zien. Om haar te intimideren, zo concludeerde de oud-minister van Verkeer en Waterstaat tijdens een van de vele onsmakelijke worstelpartijen tussen staat en vervoerder. De echtgenote van Timmer werd er zelfs bij gehaald om te verklaren dat haar man in zijn garderobe alleen brede bretels heeft hangen met vriendelijke smiley’s.

De langverwachte presentatie van het eindrapport over de snelle trein die nooit kwam, liep vanmiddag in de oude zaal van de Tweede Kamer verder volgens beproefd recept. Zoals gebruikelijk ging de meeste aandacht naar de koppen die mogelijk zullen rollen. meteen na de persconferentie kwam de top van de PvdA bijeen om te beslissen over het lot van PvdA-staatssecretaris Wilma Mansveld. En twee uur later werd duidelijk dat de staatssecretaris opstapt. Op diverse momenten heeft ze de Tweede Kamer onvolledig en onjuist geïnformeerd,  een ‘politieke doodzonde’ zoals dat dan altijd heet.

Maar vanuit democratisch perspectief is eigenlijk zorgelijker dat de enquêtecommissie onder leiding van Madeleine van Toorenburg (CDA) een patroon zichtbaar maakt: ook alle bewindslieden vóór Mansveld maakten zich schuldig aan het verkeerd inlichten van het parlement, waaronder huidig minister Melanie Schultz (VVD), tussen 2010 en 2012 verantwoordelijk voor het treinvervoer. Camiel Eurlings, minister tussen 2007 en 2010 heeft de Kamer volgens de commissie zelfs ‘misleid’, toen hij de financiële positie van NS-dochter HSA ‘bewust minder helder’ presenteerde. De voormalige CDA-kroonprins kan een eventuele terugkeer naar de Haagse politiek wel vergeten.

Alle aandacht voor de poppetjes zou ons bijna het zicht op de hoofdconclusie ontnemen: op alle cruciale momenten in het drama is het belang van de reiziger opzij geschoven ten faveure van deelbelangen, constateert de commissie. Of dat nu de schatkist was of de positie van de NS. Dat roept grote vragen op over de gehele bestuurscultuur in Nederland. Streeft de overheid eigenlijk wel het algemeen belang na?

Gelukkig dringt de commissie ook door tot de diepere oorzaken van de malaise en spreekt van de ‘fundamentele weeffout’ die rond de eeuwwisseling is ontstaan: ‘De wens om te komen tot een marktgerichte spoorsector gaat moeilijk samen met een nationaal spoorbedrijf dat grote monopoliemacht heeft en dat volledig in handen van de Staat is.’ Een halfhartig uitgevoerde liberalisering, zoals vaker geconstateerd. En die zorgt ervoor dat de NS ‘de tucht van de markt noch de tucht van de Staat’ ervaart. Het slechtste van twee werelden dus.

Van Toorenburg concludeert dat het algemeen belang hierdoor ‘niet optimaal’ kan worden gediend. Maar hoe het wel moet, dat laat ze open. De commissie maakt geen keuze, maar stelt voor een scala aan scenario’s te onderzoeken. Dat lijkt misschien slap, maar is eigenlijk ook wel te begrijpen. De vraag naar meer of minder marktwerking op het spoor is ideologisch zo zwaar beladen. Van een parlementaire commissie met in haar midden uitersten als Ton Elias (VVD) én Henk van Gerven (SP) kun je nauwelijks vragen daarin richting te geven.