Nausicaa marbe

Columniste Nausicaa Marbe verraste dit jaar met haar literaire thriller – of spannende roman – Smeergeld.

Uw vorige boek verscheen in 2001. Waarom moesten we zo lang wachten op een nieuw boek?

‘Uit angst voor de plot. Ik las geweldige Angelsaksische plot driven novels en heb lang

gedacht dat ik nooit zo’n goede plot kon verzinnen. Nadat ik tien jaar heel veel goede series heb gekeken, w

ist ik zo langzamerhand hoe je een verrassende plot in elkaar moest zetten en clichés kon vermijden. Van series heb ik meer geleerd dan uit boeken. Op een gegeven moment begon het te kriebelen en dacht ik: ik kan het wél. Het verhaal van Smeergeld heb ik in een middag bedacht.’

De hoofdpersoon Job leeft met een geheim. Zou u dat kunnen?

‘Ik ben een enorme flapuit, dus nee, dat zou mij niet lukken. Daarom vond ik het ook zo leuk om over iemand te schrijven die meer

geheimen tegelijk kan bewaren. Zijn vrouw, Gaby, vind ik interessant omdat ik zelf niet altijd wist wat zij wist. Ik kon van haar een gelaagd, dreigend personage maken. Ook heb ik met de gedachte gespeeld dat de komst van de ex-minnares en de vriendschap met haar een complot van Gaby was. Maar dan waren de echtgenoten gelijkwaardige tegenstanders van elkaar geworden en dat was niet de bedoeling: ik vond het juist mooi om Job de eenzame alleenheerschappij te geven over de situatie.’

Zat de columnist, die u ook bent, u niet in de weg tijdens het schrijven?

‘Nee, dat zijn twee totaal verschillende werelden. Mijn journalistieke werk draait om opinies over politiek en ik zou niet willen dat die me in de weg staan bij het schrijven van literatuur. Al geeft dit boek ook maatschappij

kritiek op corrupte bestuurders, op politici zonder principes, op geldbeluste mensen, op de arrogantie van jonge honden die oudere werknemers kleineren, op overdreven veiligheidsmaatregelen. Maar nooit op een manier waarop ik in mijn columns zou schrijven: het mocht nooit een taal worden die buiten de mijmeringen van de hoofdpersoon zou treden.’

Er wordt in

‘Smeergeld’

vaak bij huizen naar binnen gegluurd. Doet u uw gordijnen dicht ’s avonds?

‘In de winter wel, in de zomer zo laat mogelijk. Maar zelf ben ik absoluut een gluurder: als ik de hond uitlaat, kijk ik graag bij mensen naar binnen. Je kunt zoveel signalen over leven en relaties oppikken uit hoe mensen zitten: dan zie ik een huis met gesloten tussendeuren en denk ik dat de ouders ergens achterin schuilen om de televisie van de kinderen niet te hoeven horen. Of neem een prachtig huis waar het helemaal donker is, en waar alleen achterin een klein lampje brandt waar iemand de krant zit te lezen met een borreltje. Is dat eenzaamheid? Zuinigheid? Onwennigheid van een oudere met het veranderende ritme van de dag? Daar verzin ik meteen een romanscène bij. Elke huiskamer verbergt een romanplot. Het heeft iets guls als bewoners dat willen delen met de wereld. Maar tegenwoordig gaan de meeste gordijnen dicht. Iedereen is bang dat de flatscreen en de laptop inbrekers aantrekken.’

Heeft u een vaste manier van schrijven?

‘Ik heb dit boek in zes maanden geschreven: als de kinderen om acht uur ’s morgens vertrokken, nam ik nog een kopje koffie, kleedde ik me aan – soms ook niet – en zat ik om kwart over acht aan tafel. Een half uur voordat ze uit school kwamen

, liet ik nog snel de hond uit en als de kinderen ’s avonds naar bed waren, schreef ik weer door. Ik werk aan de eettafel, dat vind ik het leukst: zo heb ik veel ruimte om me heen, loop ik makkelijk naar de keuken en voor de hond vind ik het ook gezellig. Het schrijven van een boek moet voor mij ook voelen als een pageturner: ik moet op mijn horloge kunnen kijken en denken: wat jammer dat ik al moet ophouden. Zoals je een boek het liefst in een dag zou willen uitlezen, zo wil ik ook schrijven. Anders wordt het een worsteling waar ik vreselijk ongelukkig van word.’