Op de derde dag opent zich een afgrond onder het schip, onzichtbaar voor het oog maar niet voor de verbeelding. Vlug groeit de diepte van een paar honderd meter naar vierduizend en later zelfs vijfduizend meter. Hier, op de overgang van het Europese continentale plat naar de Atlantische diepzee, ritselt het van leven. Vinvissen aan de horizon – eerst de hoge pluim spuitwater en dan de glanzende, donkere lijven die opduiken en weer verdwijnen. Alles kalm, geen haast. Nog trager zijn de grienden die later die middag aan stuurboord verschijnen.
Tegen de continentale helling wordt voedselrijk water opgestuwd, wat de aanwezigheid van zoveel leven verklaart. De apathisch drijvende haaien, de scholen dolfijnen die rond de boeggolf buitelen, zo energiek als niks anders vandaag.
Het water is zo kalm dat het lijkt of we per zeppelin reizen.
Op de overgang naar de diepzee kan het lelijk spoken, vertelt me de bootsman, maar vandaag ligt de oceaan glad en blinkend als kwik rond het schip; elke vin en elke pluim is van grote afstand te zien. Zo kalm is het water dat het lijkt of we per zeppelin reizen. Onbewogen beweging, zoals die fantastische luchtschepen van weleer die niet schommelden en geen lawaai maakten, zo reist ook dit schip.
Meststoffen uit de Mississippi
Drie dagen geleden vertrok het onderzoeksschip Pelagia uit Texel met bestemming Azoren, 1650 zeemijl ten zuidwesten van het Waddeneiland. Het schip, dat vaart in dienst van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ), is aan het einde gekomen van een maandenlange omzwerving over de wereldzeeën, verdeeld in twaalf etappes. Elke etappe zijn er nieuwe groepen geologen, zeebiologen, oceanografen en ecologen aan boord gekomen.
Ze ontdekten op honderd meter diepte een vrijwel onaangetast koraalrif bij de Sababank, waar ze rond andere Caribische eilanden juist zagen hoe het koraal werd verwoest door blauwalg en verbleking. Op de Caribische Zee jubelden de ornithologen toen ze door hun Swarovski-kijkers zeldzame zwartkopstormvogels zagen en in de Golf van Mexico werd door marien biologen een fataal zuurstofgebrek gemeten – zoveel meststoffen spoelen daar vanuit de Mississippi-monding in zee dat het water verstikt raakt door de heftige algenbloei.
Watermonsters
Dit is de elfde etappe. Studenten mariene wetenschappen meten het zeewater op verschillende dieptes, een techneut van onderzoeksinstituut Marin luistert naar het onderwatergeluid van schepen en bestudeert de cavitatie bij de schroef. Soms liggen we uren stil, soms varen we uiterst langzaam om hydrografische metingen op de zeebodem te verrichten.
Dat laatste is de liefhebberij van expeditieleider Henk de Haas, een knauwende Groninger die de studenten leert hoe ze watermonsters moeten nemen en hoe de planktonpomp werkt. Standaard onderzoek – de geoloog in hem raakt pas begeesterd als hij de multibeam demonstreert, een echolood dat onder verschillende hoeken geluidspulsen uitzendt naar de zeebodem. Zo wordt een scan verkregen van de onzichtbare werelden onder het schip. Dit instrument brengt ook het profiel van de continentale helling aan het licht: hoge bergruggen en diepe canyons, bewoond door onbekende levensvormen; een dramatisch landschap waar je doorheen zou willen wandelen.
Het maanoppervlak, zegt De Haas, is vele malen beter onderzocht dan tweederde van onze eigen trouwe planeet. Hoewel zeeën en oceanen zo’n 70 procent van het aardoppervlak beslaan, is er maar 6 procent van in kaart gebracht; elke reis met de Pelagia voegt daar een fractie aan toe. Terwijl we naar het beeldscherm turen, verzucht De Haas vergenoegd: ‘Kijk nou, de wereld zoals nog nooit iemand ’m heeft gezien. Wij zijn de eersten. Dat is toch prachtig, of niet dan.’
Verdwaalde postduiven
Op de derde dag vliegt er een postduif tegen het achterraam op de brug. Later voegen zich er nog twee bij, ook geringd. We voeren ze water en brood, ze varen een eind mee voordat ze de volgende middag weer het luchtruim kiezen, een zekere dood tegemoet. Was toch aan boord gebleven, vogeltjes, zeg ik in gedachten, dan hadden jullie het er levend afgebracht. Op de Azoren is het vast goed toeven voor verdwaalde postduiven.
De kok is de belangrijkste man aan boord. Met hem moet je als eerste vriendschap sluiten.
Wanneer we stilliggen voor metingen, gooi ik een hengeltje uit op het achterdek. Als ik iets vang, hoef ik op de medewerking van de kok niet te rekenen. ‘Als er één makrelenkop mijn vriezers raakt,’ zegt hij op de eerste dag, ‘dan krijg je een hele slechte twaalf dagen hier.’ De kok is de belangrijkste man aan boord, dat weet iedereen, met hem moet je als eerste vriendschap sluiten. Laat ik zeggen dat mijn openingszet niet de gelukkigste was, bij een kok die sterker vertrouwt op de vis in zijn vriezers dan op de makrelen die ik uit zee ga halen.
Onder het vissen krijg ik gezelschap van Peter, een boomlange matroos die in Odessa is gaan wonen omdat de band met zijn familie niet best was. ‘Waarom Odessa?’ vraag ik. ‘Waarom niet,’ zegt hij. Hij zat er een paar jaar ‘vrolijk naar de kloten te gaan’ op het terras van de Ierse pub, tot hij zijn huidige vrouw ontmoette. Hij bakt soms krentenbollen voor hun kind, ’s nachts, als hij thuiskomt uit het café. Typisch Nederlands, de krentenbol, een echte cultuurdrager. Het is moeilijker dan je denkt, zegt Peter, een goede krentenbol bakken.
Van de bootsman hoor ik langs de reling dat hij met zijn Thaise vriendin een uur ten zuiden van Bangkok woont. Wanneer hij in Nederland is, logeert hij bij zijn oude moeder in Den Helder. Hij knippert zenuwachtig met zijn ogen als hij praat – een teken van een gevoelige natuur. Het liefst wendt hij zijn blik af. ‘Kijk, een schildpadje,’ zegt hij, en wijst. Op een helderblauwe golf drijft een zeeschildpad. De schittering op het water doet je ogen zeer.
Zelfs de steward Vitalys meldt zich op het achterdek. Hij gooit vuilniszakken uit de keuken in de containers. Ik vang weliswaar geen vissen, maar wel levensverhalen – ik ben een mensenvisser. Vitalys is een zwijgzame Let uit Riga die met vrouw en kind in Spanje woont. Elke dag na zijn dienst verdwijnt hij in zijn hut om er niet meer uit te komen. Hij drinkt nooit iets met de anderen in de mess. Ik verdenk hem ervan dat hij in stille afzondering een roman schrijft. The silent steward, een meesterwerk, negenhonderd pagina’s dik.
Het leven aan boord lijkt wel wat op dat in het gastenverblijf van een klooster.
Nauwelijks nog schepen
De tijd verstrijkt met tien knopen per uur. We leven op het ritme van het drietonige geluidssignaal voor ontbijt, lunch en avondeten. ’t Is gaandeweg steeds stiller geworden om ons heen. Was het op de Noordzee en in het Nauw van Calais nog druk, sinds we het continentale plat verlieten, zijn er nauwelijks meer schepen te zien.
Het leven aan boord lijkt wel wat op dat in het gastenverblijf van een klooster. Een hut, een bureau en hele dagen die ik goeddeels zwijgend en werkend doorbreng. Een mannengemeenschap – aan boord zijn achttien mannen en maar een paar vrouwen, studentes uit Utrecht. Er wordt geen alcohol geschonken omdat de Pelagia is drooggelegd na incidenten waarover de bemanning het diepste stilzwijgen bewaart, en het internet is afgegrendeld met een kinderslot. ‘En als ze nou ook nog vegetarisch worden,’ zegt Peter uit Odessa, ‘dan ga ik van boord.’ Maar vooralsnog heeft hij voor vertrek vijftienhonderd kilo vlees door de gangen gesleept en in de vriezers opgeborgen.
’s Avonds, op de brug met de kapitein, staren we maar zo’n beetje voor ons uit, ik met een verrekijker voor mijn ogen. Potvissen zijn te herkennen aan de schuine voorwaartse pluim die ze uitstoten. Het mythische dier der zeeën, inspiratie voor schrijvers van het Oude Testament tot en met Herman Melville, de potvis die kilometers diep kan duiken om daar reuzeninktvissen te vangen, nog zo’n gladiator van de diepzee.
Zonsondergang; soms een langgerekte paarse wolk aan de horizon, zwaar als een aambeeld. Het wordt donker, de kapitein dimt de navigatieapparatuur. Klokslag tien stommelt de eerste boordwerktuigkundige het trapje naar de brug op. Een Fries, al veertig jaar op zee. Hij zwaait binnenkort af, in de mess hangt een A4’tje waarop iedereen suggesties kan schrijven voor de naam van het cruisertje waarmee hij straks de Friese binnenwateren zal bevaren. Zijn thee staat al klaar. Elke avond opnieuw. ‘Traditie,’ mompelt de kapitein.
Maag vol plastic
Op zee kun je je nog alleen op de wereld wanen, zonder menselijke vormen om je heen. Water en hemel zover het oog reikt. Maar ook met niets menselijks in het verschiet is de invloed van de mens overal om ons heen. Hij is merkbaar in de afwezigheid van vogels en in de circulatie van zeestromen, die veranderen door de opwarming van het zeewater als gevolg van de stijgende CO2-concentratie in de atmosfeer.
Op microscopische schaal is de mens alomtegenwoordig: toen ik in het lab een student hielp met het filtreren van zeewater, liet hij zien hoe er op 35 meter diepte al kunststofvezels werden aangetroffen, van het soort dat via de wasmachine in het oppervlaktewater terechtkomt en uiteindelijk in zee belandt. Het sneeuwt plastic in zee – we leven in het Plasticeen. Grotere stukken plastic worden weer gegeten door vissen, vogels en zeezoogdieren; er worden dieren gevonden met een maag vol plastic die de hongerdood gestorven zijn. Haaien en walvissen raken verstrikt in netten en sterven een langzame gruweldood.
Daar komt de overbevissing nog bij. Volgens een recente publicatie in het tijdschrift Current Biology komen er steeds minder oude vissen in de wereldzeeën voor. De volwassen exemplaren worden als eerste weggevist, waardoor de instandhouding van de soort neerkomt op jongere soortgenoten – die daarvoor niet zijn toegerust.
‘Als het zo doorgaat als nu zullen walvissen en dolfijnen dezelfde weg naar de vergetelheid gaan als de diprotodons en mammoeten.’
De geleidelijke verspreiding van de mens over de aarde, schrijft Yuval Noah Harari in Sapiens, loopt parallel met de sterftegolf onder andere, meestal grotere diersoorten. De eerste twee extinctiegolven speelden zich lang voor onze tijd af – wij bevinden ons in het hart van de derde sterftegolf. Na de landdieren zijn nu de zeedieren aan de beurt.
Harari schrijft dat de grote zeedieren de eerste millennia van menselijke dominantie relatief weinig te lijden hebben gehad: ‘Maar nu staan veel soorten op het randje van uitsterven als gevolg van industriële vervuiling en menselijke overbevissing. Als het zo doorgaat als nu, zullen walvissen, haaien, tonijnen en dolfijnen hoogstwaarschijnlijk dezelfde weg naar de vergetelheid gaan als de diprotodons, grondluiaards en mammoeten. Van alle grote dieren op aarde zal de enige die de menselijke zondvloed overleeft de mens zelf zijn, samen met de boerderijdieren die dienen als slaven op de ark van Noach.’
Van meet af aan gaat ons bestaan ten koste van het bestaan van andere soorten – het wordt stiller en stiller om ons heen. Tot alleen die ene aap nog over is, die schreeuwlelijk over wie Emil Cioran schrijft: ‘In de dierentuin. Alle dieren houden hun gemak, behalve de apen. Je voelt dat de mens niet ver is.’
Koning Alcohol
De zonsopgang van de twaalfde dag: de eerste contouren van de Azoren verschijnen aan de horizon, zo ver weg nog dat ze doorschijnend lijken. Het eiland Faial is de eindbestemming – in het haventje van Horta meert de Pelagia af. Het merendeel van de bemanning heeft geen respijt, al meteen dezelfde avond vaart het schip verder met nieuwe studenten en onderzoekers aan boord.
Met een licht gevoel van spijt verwelkom ik in de vooravond Koning Alcohol in de haven van Horta. Vanaf een terras zien we met een klein groepje afstappers de Pelagia uitvaren. Zo stil als hij aan boord was, zo luidruchtig is de Letse steward Vitalys nu op het terras. Morgen vliegt hij naar Riga. Na een paar glazen bier roept hij over tafel naar mij: ‘Hoe gaat je verhaal eigenlijk heten?’ ‘The silent steward,’ antwoord ik – wat volgens hem een prima, Graham Greene-achtige titel is.
Vitalys is spoorloos. Nooit meer teruggevonden. Verdwenen in zijn meesterwerk.
Hij weet een goed restaurant in het oude fort, maar als we goed en wel binnen zijn en een koele pinot noir drinken van hellingen van het tegenoverliggende eiland Pico, is Vitalys verdwenen. We kijken of hij misschien in slaap is gevallen op de plee en controleren en passant de bodem van het zwembad, maar Vitalys is spoorloos. Nooit meer teruggevonden. Verdwenen in zijn meesterwerk.
Dit artikel maakt onderdeel uit van de VN-special ‘Zo verbeteren we de wereld’. Harm Ede Botje, coördinator van de special, vertelt waarom het klimaat actueler is dan ooit, en wat het concept ‘praatje-plaatje-daadje’ van de judoleraar van zijn kinderen daarmee te maken heeft. Kijk voor een overzicht van de artikelen op vn.nl/eco.


Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.