Populisten hebben de journalistiek wakker geschud met hun oorlogsverklaring. Zou de waarheid nog enig verschil kunnen maken in deze strijd?
Een maand na de inauguratie van president Donald Trump claimde de New York Times niets minder dan dé waarheid in een reclamespotje. Je ziet zinnetjes die elkaar steeds sneller opvolgen en beginnen met: The truth is… ‘De waarheid is dat onze natie verdeelder is dan ooit’. Of: ‘… dat klimaatverandering een verzinsel is.’ En mijn favoriet: ‘…dat alternatieve feiten leugens zijn.’ Hele en halve waarheden buitelen over elkaar heen. Alleen de krant kan het onderscheid maken. ‘De waarheid is nu belangrijker dan ooit’, besluit het spotje voordat het logo van de krant in beeld komt.
Het is het antwoord op de oorlog die de president van de Verenigde Staten de pers heeft verklaard. Het is, volgens sommige mediavorsers, het beste wat de journalistiek in tijden is overkomen. Niets beter dan een vijand aan de poort om het navelstaren, het eindeloos relativeren en het getob over verdienmodellen te vergeten. Trump schudt ze wakker. Hoog tijd om de ketels met pek op het vuur te zetten.
De regels van het ambacht
Marc Josten onderschrijft de gedachte van een blessing in disguise. Van zijn hand verscheen onlangs het boek Weerwoord (uitgegeven bij De Geus) over de journalistiek en de publieke opinie. Een strijdlustige Josten, verantwoordelijk voor onderzoeksprogramma’s bij Human (tevens oud-redacteur van VN en een bevriend collega), komt met behulp van enkele denkers tot zijn eigen missie: ‘…tegen alle personen en instanties die bewust of onbewust meewerken aan de feitenvrije samenleving – een wereld waarin niet de waarheid de basis van ons handelen is, maar het goed klinkende verhaal’.
Josten schrijft dat meningen vaak gebaseerd worden op intuïtie, op aannames die bij nadere beschouwing vaak niet blijken te kloppen. De journalistiek moet daar de kracht van de reflectie tegenover stellen. Daarbij dient zij het eigen ambacht weer serieus te nemen: feiten en beweringen verifiëren, geen snelle oordelen vellen, bescheiden en dienstbaar aan de samenleving blijven.
De objectiviteitsnorm
Tegenover het nepnieuws dient het echte nieuws te staan. Dat klinkt misschien vanzelfsprekend, maar heeft dat wel zin, maakt het de publieke opinie uit wat de echte feiten zijn? Dat de aarde rond is, is ook maar een mening. Josten, die zichzelf niet helemaal gekscherend de ‘apostel van de waarheidsvinding’ noemt, weigert die gedachte toe te laten. Hij noemde het op de radio ‘onze burgerplicht en journalistieke plicht om er keihard tegen in te gaan’.
Daarmee plaatst hij zich tegenover collega’s als Joris Luyendijk en Rob Wijnberg, hoofdredacteur van De Correspondent, die menen dat de journalistiek de pretentie van waarheidsvinding moet vergeten. De postmoderne werkelijkheid is volgens hen te ingewikkeld om te vangen met de gangbare journalistieke conventies. De eigen opvattingen en misvattingen zitten de journalist ook te veel in de weg om enige objectiviteit te kunnen claimen.
Als dat waar is, kun je je afvragen wat het bestaansrecht van de journalist nog is. Marcel Broersma, hoogleraar journalistieke cultuur en media in Groningen, herinnert eraan dat de objectiviteitsnorm in het begin van de vorige eeuw juist is geconstrueerd in het besef dat de mens niet objectief kan zijn. In de bundel Journalistieke cultuur in Nederland (Amsterdam University Press) schrijft hij dat de journalistiek als professie vorm kreeg door de aanvaarding van regels en conventies. ‘Wanneer journalisten bij het verslaan van nieuws een set regels in acht nemen – zoals medici tijdens het stellen van een diagnose een gevalideerd protocol doorlopen – worden de keuzes in het selectieproces minder afhankelijk van de persoon van de journalist en de krachten die op hem inwerken.’ De objectiviteitsnorm moest volgens hem de journalist autonomie, gezag en geloofwaardigheid brengen.
Na de verzuiling werd ook in Nederland tenminste het streven naar objectiviteit omarmd als blijk van kwaliteit en professionaliteit. De twijfel over de haalbaarheid en wenselijkheid van die norm is echter nooit ver weggeweest in het discours. Objectiviteit zou niet alleen de illusie van de werkelijkheid bieden, maar ook saai, onpersoonlijk en weinig geëngageerd zijn. De explosie van het nieuws door de digitalisering, leek de relativering van de waarheid alleen maar te versnellen. De populisten doen daar hun voordeel mee.
In de tegenaanval tegen nepnieuws
Broersma ziet verschillende reacties. Sommigen, zoals Wijnberg, willen dat de journalist een metgezel is van de lezer. Om hem mee te kunnen nemen door zijn bij voorbaat subjectieve verhaal, dient hij zo open mogelijk te zijn over zijn eigen vooroordelen en twijfels. Anderen zoeken het in engagement en ideologie: wil de journalist een publiek bereiken, dan moet hij weer echt ergens voor staan. De derde en laatste groep wil juist terug naar het streven naar objectiviteit. Zij hameren met Marc Josten op de ambachtelijke deugden: de verificatie van feiten, het hoor en wederhoor, het onbevangen zoeken naar antwoorden op vragen van burgers, enz. Maar dan omwille van de waarheid en niet om kool en geit te sparen.
Aan het front in Washington zie je inderdaad meer assertieve verslaggeving . Te lang leek het het hoogste en het beste, om voor het Witte Huis te mogen staan, met een microfoon in de hand en de lamp op de bepoederde huid. Nu willen journalisten niet langer het onaandoenlijke doorgeefluik zijn. Als Trump zijn voorganger ervan beschuldigt hem te laten afluisteren, volstaan zij niet met een plichtmatige quote van Obama dat dat niet waar is. Ze schrijven of zeggen er meteen op eigen gezag bij dat er geen enkel bewijs is voor de beschuldiging. En ze gaan daarna met hulp van vele lekkende regeringsfunctionarissen naar hartenlust wroeten in de beschamende herkomst van de leugen. Zo beantwoorden Amerikaanse media de aanval van Trump met het enige antwoord dat zij kennen: meer harde, onderzoekende, journalistiek. En vooralsnog lijkt die strategie te werken, getuige de recente groeicijfers van verschillende media.
Het belang van de waarheid
Het populisme in de VS, Europa en elders op de wereld daagt de journalistiek uit het goede pad weer te vinden. Het ging de afgelopen jaren vooral over de vrijheid van meningsuiting, maar veel minder over waarheidsvinding, stelde Jan Cuilenburg in zijn laatste boek Waarheidsvinding als journalistieke missie (Boom Uitgevers). De inmiddels overleden emeritus hoogleraar communicatiewetenschap houdt daarin een pleidooi om een voorbeeld te nemen aan de wetenschap. Cuilenburg: ‘Kwaliteitsjournalistiek kenmerkt zich door het stelselmatig betwijfelen van waarheden, niet om twijfel te zaaien, maar als methode van journalistieke waarheidsvinding.’
Je hoefde hem niet uit te leggen dat objectiviteit niet bestaat, de waarheid vele gedaanten kent en dat kale feiten meningen in vermomming kunnen zijn. Het ging hem om meer dan een fact-checkrubriek. Waarheidsvinding moet de journalistieke missie in den brede zijn, gedreven vanuit sterke waarden: ‘vrije, onafhankelijke journalistiek, concurrentie tussen media, openheid voor nieuwe ideeën en verscheidenheid van bronnen, invalshoeken en opvattingen’. En wat ook helpt: de aanvaarding dat de werkelijkheid van toeval afhangt en zelden zwart-wit is. ‘Twijfel is de koninklijke weg naar waarheid.’ Dat zou het motto van alle opleidingen voor journalistiek moeten zijn.
Het nieuwe engagement met de waarheidsvinding biedt geen enkele garantie op succes. Het is zelfs de vraag of het uitgedunde journalistieke leger op eigen kracht in staat is de geautomatiseerde verspreiding van zoveel onzin het hoofd te bieden. Maar misschien wordt heldenmoed uiteindelijk beloond door degenen die belang hebben bij goede journalistiek. Het wordt een zware slag. ‘The truth is hard’, lees je in het spotje van de New York Times. ‘The truth is hard to find. The truth is hard to know.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.