De essays van Teju Cole bouwen voort op zijn laatste roman ‘Open stad’. Een gesprek met de schrijver, fotograaf en kunsthistoricus over racisme, politiek en voetbal.

Teju Cole is wel vaker in Amsterdam. Niet alleen worden zijn boeken hier goed gelezen en zijn ze alledrie vertaald, maar ook heeft hij als kunsthistoricus, afgestudeerd aan Columbia University, een speciale liefde voor zestiende-eeuwse kunst.

Lees ookSanders en Teju Cole, Stephan en Connie29 september 2016

Hij was de laatste jaren vooral vaak in Brussel, om de Vlaamse meesters te bestuderen (‘alles begint met Jan van Eyck’) en maakte vanuit daar regelmatig uitstapjes naar Nederland. In een interview uit 2015 zegt hij dit erover: ‘Ik was speciaal geïnteresseerd in antikoloniale kunst. Ik ging naar Nederland met de vraag: hoe voelden Indonesiërs zich over de Nederlandse bezetter? Maar ik stuitte vooral op zestiende-eeuwse kunst. En in de zestiende eeuw waren Nederlanders zelf gekoloniseerd, door Spanje. Dus de kunst die ik tegenkwam, was juist een vorm van Nederlandse volkstaal, in dit geval gericht tegen de overheersing van de Spaanse bezetter. Dus geschiedenis is een echte motherfucker. Je weet nooit uit welke hoek het komt.’

Nu is Cole in Amsterdam om zijn derde boek te promoten. Vertrouwde dingen en vreemde dingen. Het is zijn derde boek, na de romans Elke dag is voor de dief (2007) en Open stad (2011).

Toevallig herlas ik dit jaar Open stad. De eerste keer vond ik het niet een bijzonder opvallend boek. Het kreeg hier daverende kritieken, maar ik wist niet zo goed wat ik aan moest met een verhaal over iemand die door de stad wandelt en gesprekjes met mensen aanknoopt. Een vriend raadde me sterk aan om Open stad nog een keer te lezen en ik volgde een vak aan de universiteit, ‘The Post-War American Novel’, waar het boek op het programma stond, tussen boeken van Vladimir Nabokov, Muriel Spark en Saul Bellow. Dus waarom niet? Drie jaar later voelde Open stad bijna profetisch en ik kan niet wachten om te horen hoe Teju Cole daar zelf nu op terugkijkt. De hoofdrolspeler in het boek, Julius, heeft veel weg van Cole zelf. Ze houden allebei van kunst, van jazz, ze zijn hoog opgeleid, komen uit New York en hebben een Afro-Amerikaanse (Nigeriaanse) achtergrond. Tijdens zijn wandeltochten door New York en Brussel heeft Julius gesprekken. De personages die hij tegenkomt, dagen Julius uit in zijn wereldbeeld. Ze dienen allemaal om zijn veronderstellingen in twijfel te trekken. Kritiek van de schrijver op zichzelf.

Ik ben helemaal niet zo vaak bezig met ras. Het is vooral dat ik er vaak mee geconfronteerd word wanneer ik in een situatie ben waarin alles wit is.

Een sympathieke Amerikaan

De scènes die nu vooral opvallen, zijn die in Brussel. Julius ontmoet daarin de Marokkaanse Farouq, die werkt in een internetcafé. Julius en Farouq zijn allebei kanten van Teju Cole, maar ook tegenovergestelden van elkaar. Julius is Nigeriaans, rond de dertig en werkt in de psychiatrie. De lens waarmee hij naar de wereld kijkt, is die van de keurige, hoogopgeleide Amerikaan. De Marokkaanse Farouq droomt wel over promoveren, maar werkt vooralsnog achter de balie van een internetcafé. Hij maakt op Julius indruk als belezen en charismatisch, strooiend met referenties naar Benedict Anderson, Edward Saïd en Paul de Man. Hij daagt Julius uit verder na te denken dan zijn westerse, rotsvaste geloof in de Verlichting. Zo gelooft Farouq dat de Verlichting de rede op een voetstuk plaatste, maar niet in staat is het gat te vullen dat door het geloof is achtergelaten. Dat is een van de redenen waardoor het voor een westerse samenleving als Brussel onmogelijk is om niet-westerlingen als Farouq echt te begrijpen en op te nemen: ‘Je bent anders, goed, maar dat anders zijn zal nooit worden aanvaard als iets wat op zichzelf waardevol is.’ De Verlichting zorgde volgens Farouq voor een blinde vlek, blind voor God en voor de dingen die God te bieden heeft. Blind ook voor wat Farouq anders maakt van Julius en waarom dat verschil een bepaalde waarde vertegenwoordigt. De ontmoeting is confronterend voor Julius en uiteindelijk ook voor Farouq, die zijn persoonlijke beslommeringen het liefste wijdt aan de wereldpolitiek na 11 september en daarover aan het twijfelen wordt gebracht wanneer hij ineens tegenover een sympathieke Amerikaan zit.

Deze scènes uit Open stad zijn een voorbode van veel stukken uit de nieuwe bundel Vertrouwde en vreemde dingen, waarvoor Cole nu in Amsterdam is. Zo klinken de discussies tussen Farouq en Julius door in de essays ‘Het zwarte lichaam’, over James Baldwin, en ‘De blanke verlossingindustrie’, over de westerse houding ten opzichte van Afrikaanse landen.

Het gesprek dat ik heb met Teju Cole begint een beetje als een gesprek tussen Julius en Farouq. We ontmoeten elkaar in de verbouwde bibliotheek van het Ambassadehotel, het schrijvershotel waar uitgevers voor buitenlandse auteurs vaak ontmoetingen met de pers organiseren. Het is een prachtige zaal, vol met gesigneerde boeken en aan de muur foto’s van schilders uit de Cobra-beweging.

Allemaal blanke mannen, valt me direct op.
‘Ik ben helemaal niet zo vaak bezig met ras,’ zegt Cole tegen me. ‘Ik ben er een beetje in geïnteresseerd, maar niet echt. Het is vooral dat ik er vaak mee geconfronteerd word wanneer ik in een situatie ben waarin alles wit is en wit verondersteld wordt. Dan kan je weinig anders.’

Ja, knik ik, maar we staren allebei nog even naar de mannen op de foto’s aan de muur: Carel Appel, Constant, Corneille. Tsja, wat is Cobra eigenlijk wit, maar wat kan je daar achteraf aan doen?

‘Het zijn vooral witte mensen die geïnteresseerd zijn in ras,’ gaat Cole verder, ‘wanneer ze bezig zijn raciaal onderscheid in stand te houden. Behalve dat ze het niet zien als ras. Steden als New York, Londen en Amsterdam bewegen nu naar het moment waarop de helft van de mensen niet wit meer is. Toch garandeer ik je: als ik een bibliotheek in loop, gaan 99 % van de boeken over witte mensen, geschreven door witte schrijvers. Niemand denkt dat het over ras gaat. Ze zeggen dan: we hebben alleen goede boeken. Hier aan de muur is iedereen wit. Iedereen is man. We denken dat dat normaal is, maar het is niet normaal. Witte mensen zijn meer met ras bezig, maar ze zijn zich er minder van bewust.’

Veel van de essays uit ‘Vertrouwde en vreemde dingen’ lezen als een kritiek op de witte ‘liberal’. Zeg maar de hoog opgeleide, centrum-linkse grotestadsbewoner.
‘Absoluut.’

Was dat eigenlijk ook wat Farouq deed, uw personage uit ‘Open stad’? De liberal bekritiseren?
Cole leunt achterover. Hij spreekt langzaam en zijn antwoorden zijn kleine betoogjes. In zijn verhalen omschrijft hij zichzelf vaak als klein, maar hij ziet er niet opvallend klein uit. Wel opvallend stijlvol. Hij heeft een zwart pak aan, zijn pochet is net als zijn overhemd fel gekleurd.
‘Ik vind een schrijver is op z’n best als hij, of zij, een instrument is om een bepaalde gevoeligheid vast te leggen. Die gevoeligheid zit in de atmosfeer. De ontmoeting tussen Julius en Farouq is vooruitziend geworden omdat het de gevoeligheid beschrijft die alleen maar erger werd. Het was er al, maar je moet tot in de hoeken van de kamer zoeken om te zien wat echt er precies broeide.’

Foto: Jeroen W. Mantel

Waarom koos u toen voor Brussel als decor?
‘Voor de structuur van het boek had ik naast New York een andere stad nodig. Ik wilde aandacht besteden aan hoe deze twee imperiums werken: het Amerikaanse imperium en postkoloniaal Europa. De voor de hand liggende steden zijn dan Parijs en Londen, maar dat wilde ik niet. Brussel is nu het hart van Europa. En naast het bureaucratische apparaat van de Europese Unie is Brussel ook de stad bij uitstek die getroffen wordt door broeiende, nieuwe sentimenten. Ik schreef de scènes tussen Julius en Farouq in 2006 en toen was uitsluiting al een groot probleem. Er was woede. En de consequenties waren overal zichtbaar. Daarvoor hoef je geen profeet te zijn. Ik ben geen profeet.’

En nu? Voelt u nu meer voor Julius of voor Farouq?
‘Het interessante van deze twee personages is dat ik ze kon gebruiken als narratieve truc. Ik ben politiek denk ik meer verwant met Farouq dan met Julius, maar het is Julius die het verhaal vertelt, dus wanneer ik het schreef, voelde ik meer verwantschap met hem. Maar ik ben geen Julius. Ik snap hem wel, en net als hij praat ik graag met vreemdelingen die ik op straat tegenkom, maar zijn pogingen tot een soort politieke neutraliteit staan ver van me af.’

Hoe denkt u dat Farouq zich nu zou voelen? In het Brussel dat al een jaar geteisterd wordt door aanslagen en arrestaties en de voortdurende, hoge staat van paraatheid van de politie?
‘De vraag is meer: wat zou er nu met types als Farouq gebeuren als ze niet rond de dertig zijn, zoals hij, maar zeventien of achttien jaar oud? Terroristen zijn zelden in de dertig. Je ziet het aan een personage als Khalid, die in het boek zit als een vriend van Farouq. Die zie je potentieel radicaliseren, maar hij is op zijn dertigste ook een zakenman. Met geld. Een zakenman met geld gaat niet zomaar bij de Jihad. Er zijn uitzonderingen, maar de meeste jihadisten zijn verdwaalde jongeren uit bijvoorbeeld Rotterdam of Kent, die het gevoel hebben dat de wereld om hen heen niet om hen geeft. Extremisme is een uitweg wanneer alle andere routes zijn afgesloten. Het is zelden religie, hoor. Religie is maar een heel klein gedeelte van de kwestie.’

Extremisme is een uitweg wanneer alle andere routes zijn afgesloten. Het is zelden religie, hoor. Religie is maar een heel klein gedeelte van de kwestie.

Teleurgesteld in Europa

Terwijl Cole dit zegt, moet ik denken aan wat Farouq in Open stad over Europa zegt: ‘Toen we jong waren, of eigenlijk, toen ik jong was, was Europa een droom. Niet zomaar een droom, maar dé droom: het stond symbool voor vrijheid van denken. We wilden hiernaartoe om in dit vrije domein onze gedachten te scherpen. Toen ik student was in Rabat, droomde ik van Europa. Dat deden we allemaal, mijn vrienden en ik. Maar ik ben teleurgesteld in Europa. De vrijheid is maar schijn. De droom bleek een hersenschim.’

Is dit een specifiek Europees probleem?
‘Het begon met jullie. De koloniale avonturen brachten Europeanen naar de andere kant van de wereld, waar ze andere mensen lastig vielen. En nu die mensen hier komen opdagen, is dat de nieuwe realiteit. Dat is onomkeerbaar. Witte mensen zeggen hier nu: “We willen ons land terug.” Tja, jullie begonnen. Dit is een probleem van witte landen die zwarte mensen nog steeds zien als bezoekers. Toch zullen we het samen moeten doen. De problemen zijn diep. Maar een cultuur is niet statisch. Verbetering is mogelijk.’

Ging u voor ‘Open stad’ ook naar Molenbeek, de wijk in Brussel waar drie terroristen woonden die betrokken waren bij de aanslagen in Parijs?
‘Nee, ik was daar pas achteraf. Vorig jaar, na de aanslagen. Ik kan me bijna niet voorstellen hoe Farouq over de situatie zou denken. Misschien: “Shit, we werden al buitengesloten en nu worden we ook nog gewantrouwd.” Farouq is slim genoeg om te weten dat de situatie in steden als Brussel alleen maar gecompliceerder wordt.’

Hoe denkt u dat het nu gaat met de liberal?
‘Ja, dat is een goede vraag. Deze kwestie is alleen maar interessanter geworden. Een van de dingen die ik waardeer aan Europa is het duidelijk onderscheid tussen leftie en liberal. In Amerika wordt het op één hoop gegooid, met alle consequenties van dien. Dit was een van de kanten van de Verenigde Staten die ik wilde bekritiseren in Open stad, onder meer met de gesprekken tussen Farouq en Julius. Farouq is een leftie, Julius is een liberal. Julius is slim en verantwoord, hij maakt de juiste keuzes in bijvoorbeeld hoe hij eet of wat hij koopt, maar ondertussen ontbreekt het hem aan een diepere analyse van de wereld om hem heen. Van bijvoorbeeld het neoliberalisme en economische structuren.’

Dat doet me denken aan het geruzie binnen de democratische partij, tussen de aanhang van Hillary en Bernie.
‘Een interessante ontwikkeling in deze verkiezingen vind ik de grote groepen, meestal van middelbare leeftijd, meestal wit, die totaal van de leg raken omdat jongeren niet automatisch op Hillary willen stemmen. Oudere mensen, niet per se heel oud, maar iets boven de millennials, mensen van mijn leeftijd, zeggen: “Dit is dom. Dit is idioot. Hillary is misschien niet perfect, maar Trump is een catastrofale gebeurtenis. Je mag niet twijfelen.”
Deze angst interesseert me. Zijn deze mensen boos omdat zij liberals zijn maar de kinderen zich leftie voelen? De oude generatie is woedend op de jonge generatie. Dankzij jullie gaan we met Trump eindigen, zeggen ze. Maar de millennials zijn heel duidelijk. Zij zijn ook tegen Trump. Maar ze zien ook het gevaar van Hillary. En vallen niet voor het argument dat Hillary van een latere zorg is. Ze zeggen: we willen er nú over praten. Hoe de ouderen tegen de jongeren praten is alsof je tegen een groep slaven zegt: ho eventjes, dit is niet het goede moment om in opstand te komen. Wanneer is het dan wel het juiste moment? Is er ooit een goed moment?’

Wat moet er nu gebeuren wat u betreft?
‘Ga stemmen. Stem op Hillary. Trump is een ramp. Maar weet, en laten we dat voortdurend herhalen, dat de manier waarop Hillary denkt ook een groot gevaar vormt: precies de juiste dingen zeggen, maar ondertussen met bommen strooien en niks geven om de rest van de wereld, want alles wat er toe doet is Amerikaanse invloed en macht. Dit is wat ons in Vietnam deed belanden. Hillary is niet voor niets een bewonderaar van Henry Kissinger. Dit is ook wat ons in Irak deed belanden, de inval waar zij vóór gestemd heeft. Wat ook weer IS in het zadel heeft geholpen. De kritiek op de liberale positie is niet misplaatst, sterker, het is nu nodig om zowel fascisme te bestrijden als de uitwassen van liberalisme.’

Voor de duidelijkheid, bedoelt u nu liberalisme of neoliberalisme?
‘Neoliberale uitwassen, ja. Als we het in de VS hebben over liberalisme, bedoelen we meestal sociale waarden en met neoliberalisme bedoelen we economische waarden. Maar bij Hillary komt het samen.’

Foto: Jeroen W. Mantel
Een idiote onderneming

Er is nu weinig meer over van de rustige antwoorden die ik kreeg van Cole in het begin. We zijn totaal afgedwaald van het script en Cole zit op het puntje van zijn stoel. Het is nu een gesprek geworden zoals je dat voert in het café. Ik besluit nog een poging te doen om terug te keren naar mijn vragenlijst.

Ik wilde het nog over uw essays hebben. En over jazz. En over voetbal. En over Twitter. Jammer dat u niet meer actief bent op Twitter. Vooral tijdens het WK twee jaar geleden was u geweldig op dreef.
‘Dank!’

Duurt uw pauze misschien vier jaar en komt u terug voor het WK 2018?
‘Nee zeg, ik kijk het WK niet meer. Zeker nu de volgende in Rusland gehouden wordt en die van 2022 in Qatar. Er zijn al meer dan duizend mensen overleden om de stadions te bouwen in Qatar. Er gebeurt altijd wel iets bij zulke grote projecten: twee of drie mensen sneuvelden bij de bouw van de stadions in Londen, voor de Olympische Spelen. Een paar in Rio de Janeiro. We worden beter, maar er gebeurt altijd wel iets. Maar in Qatar? Daar is dat aantal de duizend al gepasseerd. Duizend mensen! Dat is geen modern project. Dat is de bouw van een piramide. De bouwvakkers worden als slaven behandeld. Ze pakken hun paspoorten af. Het WK in Qatar is een idiote onderneming.’

Dus een boycot?
‘Ik ga niemand vragen te boycotten, maar ik kijk niet.’

Wel cool dat u als Amerikaan naar voetballen kijkt.
‘Dat heeft er meer mee te maken dat ik ook Nigeriaan ben.’

Ach, natuurlijk. Maar wordt het geaccepteerd, voetbal kijken in de VS?
‘Ja, het is tegenwoordig veel meer geaccepteerd in de VS dat immigranten hun culturele eigenaardigheden behouden. Eerst was dat eigenlijk alleen toegestaan aan Europeanen. Er zijn nog steeds veel Amerikanen die willen dat we ons aanpassen: honkbal kijken, staan bij het volkslied. Maar ik hou van voetbal. Dat is iets waarin ik geloof: dat mensen bij elkaar kunnen wonen en tegelijk hun verschillen blijven koesteren. Maar ik ga nog steeds niet naar het WK in Qatar kijken. Ew, no.’

Teju Cole, ‘Open stad’ (2011), De Bezige Bij, 315 p., € 19,90; ‘Vertrouwde en vreemde dingen’ (2016), De Bezige Bij, 398 p., € 24,99.