De Week van het Nederlands is begonnen, met een verzameling ‘grootste taalergernissen’. Niets meer dan de gebruikelijke pispalen, schrijft Rik Smits: ‘Taalergernis is een feitenvrij tijdverdrijf.’

Afgelopen vrijdagochtend gaf het Radio 1-programma De Ochtend de aftrap van de Week van het Nederlands, die de volgende dag zou losbarsten met tal van activiteiten in Nederland, Vlaanderen en Suriname, en tot zaterdag 15 oktober duurt. Voor verslaggever Martijn Grimmius was het aanleiding om maar eens ‘de purist te gaan uithangen’ en ‘en passant af te rekenen met de meest gemaakte taalfouten’.

Luisteraars werden opgeroepen om hun ‘grootste taalergernissen’ te melden, de allerergste ergeraar werd zelfs een heuse DAB-radio in het vooruitzicht gesteld. Maar over wat die Week van het Nederlands nu eigenlijk inhoudt of waarom die juist nu gehouden wordt, kwamen we die ochtend niets te weten. Ook niet van Kevin de Coninck, de naar Hilversum afgevaardigde Algemeen Secretaris ad interim van de organiserende Taalunie. Hij kwam niet verder dan dat ‘goed Nederlands’ moeilijk te definiëren is, en dat hij ‘als West-Vlaming’ eronder gebukt gaat dat hij ‘problemen heeft’ met de g en de h.

Kennen en kunnen, de Gooise r: stuk voor stuk kwestietjes die dertig jaar geleden óók al genoemd werden.Dat was natuurlijk onzin van de arme Belg. De Coninck heeft helemaal geen probleem, hij zegt gewoon hout in plaats van het standaard-Nederlandse goud en ’out in plaats van hout – c’est simple comme bonjour. Als er al een probleem is, ligt dat bij de niet-West-Vlaamse rest van het Nederlandse taalgebied. Van écht West-Vlaams dialect verstaan we vrijwel geen woord, maar ook als De Coninck zijn best doet om algemeen Nederlands te praten, hebben we onder meer vanwege die g’s en h’s even wat moeite om hem te volgen. Is dat erg, of zelfs maar ergerlijk? Het is eerder goedmoedig komisch. De Zeeuwen doen net zoiets: die hebben de neiging om de g en h te verwisselen, wat de uit Zeeland afkomstige, legendarische VN-hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse ooit bracht tot de sardonische ontboezeming dat steile Zeeuwse dominees het altijd maar weer willen hebben over de ‘geilhe hots geilhe geersharen’.

Al even merkwaardig was het tableau van ergernissen waarmee volgens Grimmius de binnen een half uur ‘al heel behoorlijk reagerende’ luisteraars op de proppen kwamen: hun hebben, zich irriteren aan, me broer, jou tante, het door elkaar halen van kennen en kunnen, de Gooise r, en dat was het dan. Het waren stuk voor stuk kwestietjes die dertig jaar geleden óók al genoemd werden. Fouten, slordigheden en varianten die in al die jaren niet verdwenen waren, maar grosso modo ook geen centimeter terrein gewonnen hebben.

Lees ookHoe Mark Rutte aan onze taal knoeit, zonder dat het iemand opvalt30 mei 2016 Daar tegenover had blijkbaar niemand zich geërgerd aan of verbaasd over meer hedendaagse nieuwlichterijen als de vervanging van bang door angstig, de complete verdringing van ten onrechte door onterecht (dat twintig jaar terug alleen nog acceptabel was als de senaatsvoorzitter van Vindicat een of andere knor aanduidde als onterechte zak), of de populaire verwarring van ontbreken met missen (mis ik iets is goed Nederlands, mist er iets niet). Blijkbaar was niemand van het Gilde der Taalaanvegers de klemtoonverschuiving naar de eerste lettergreep opgevallen (pólitiek, économisch, búitengewoon, wántrouwend), het wijdverbreide geknoei met wederkerige werkwoorden (‘wij herinneren Piet als in plaats van wij herinneren ons Piet als) of het uitroeien van de vrouw (Saskia is schrijver, Ingrid is redacteur).

Evenmin leek het zowel ongrammaticale als sociaal stigmatiserende maar zelfs al hier en daar in krantenkolommen opduikende meisje die bij iemand te zijn opgekomen, of de misschien wel meest opvallende nieuwvorming van de laatste paar jaar: een programma kijken respectievelijk luisteren, in plaats van kijken of luisteren naar een programma. Er wordt zelfs ‘teruggekeken’ en ‘teruggeluisterd ‘ (zie de NPO-website). Kijken en luisteren behoren in hun hoedanigheid van overgankelijk werkwoord tot de eerste taalproducten van de eenentwintigste eeuw.

Dat alles doet vermoeden dat de favoriete taalpuristische pispalen niets te maken hebben met taalgevoel of begrip van taal, maar zuiver traditioneel en ritueel zijn, op één lijn met het soort verzuchting over ‘de jeugd van tegenwoordig’, dat een of andere geërgerde Chaldeeër in Mesopotamië al rond 3800 voor Christus in een stèle beitelde als ‘kinderen hebben geen eerbied meer voor hun ouders’. Taalergernis is een feitenvrij tijdverdrijf.

Het gaat niet om een flauw spelletje of om elkaar vliegen af te vangen.Dat wil niet zeggen dat modieuze relativisten met hun ‘ach, zolang we elkaar maar verstaan’ gelijk hebben, want voor dat verstaan is juist heel wat nodig. In het persoonlijke gesprek hebben we het gemakkelijk, doordat we elkaar dan door houding, gezichtsuitdrukking, al dan niet instemmend ge-uh-uh en nog honderd andere subtiele signalen continu laten weten hoe de vlag erbij staat. Dan kunnen we de talige teugels gerust laten vieren en ons vooral concentreren op wát we willen zeggen, in plaats van op hoe we dat doen. Er komt in zo’n gesprek dan ook nauwelijks een volledig grammaticale zin voor, en dat is prima.

Maar het wordt anders zodra we onder verarmde omstandigheden converseren. Aan de telefoon kun je je gesprekspartner niet zien knikken of gapen, achter de radiomicrofoon krijg je helemaal geen feedback meer en dat geldt nog sterker bij schriftelijke communicatie. Dan ontbreekt zelfs het houvast van de gelijktijdigheid. Onder al die omstandigheden doet zorgvuldig taalgebruik er juist wél toe. Het moet dan in één keer goed, zonder dat je lezers en toehoorders onnodig afgeleid worden, zich gaan ergeren of in verwarring raken en uiteindelijk afhaken.

Het gaat dus niet om een flauw spelletje of om elkaar vliegen af te vangen. Zorgvuldig, kwalitatief hoogstaand taalgebruik, zowel qua spelling als qua grammatica en het kennen van de juiste woorden en uitdrukkingen, is geen doel op zichzelf maar is van concreet, praktisch belang: je wilt zonder ongelukken en misverstanden overbrengen wat je te melden hebt. Zeker van professionele taalgebruikers, of ze nu een roman, krantenartikel, mailtje of memo schrijven, mag je verwachten dat ze daar serieus werk van maken, net als van mensen die een lezing houden, een programma presenteren, de fileberichten voorlezen of als politiewoordvoerder optreden. Wie onder dat soort omstandigheden sloddervost, beunhaast als een loodgieter die lekkende kranen aanlegt.

Maar dat was allemaal niet aan de Radio 1-redactie en de Taalunie besteed. De radio werd gewonnen door een mevrouw die gemaild had: ‘Ach, wat zal ik me druk maken, alles verandert en de taal ook.’