Dit verhaal is ook te beluisteren.

Twee studiogasten hebben een LGBTQ-vlag with a twist zien hangen.
‘Met een geel vlak met een bruine cirkel! Wat betekent dat?’
‘Obama!’ roept iemand. ‘Dat is voor de ultra’s, voor de hooligans zeg maar,’ zegt een ander. ‘Die zijn er ook bij betrokken.’ Gegiechel.
‘Maar komen er dan ook kleuren bij dan?’ vraagt iemand. Even verstaan we niets omdat iedereen door elkaar heen begint te praten.
Tot we weer een zin verstaan: ‘Nee, wel meer letters!’
‘Oké,’ reageert iemand. ‘LGBTQ … IPS … AA … ’
‘AA: nee joh, dat zijn batterijen!’

Welkom bij Wat? Patat!, een serie podcasts door en over jongeren in Nieuwegein. Bedenker Bas Heijkamp kon vorig jaar een pilot maken van tien afleveringen, dankzij tweeduizend euro subsidie van het Mediafonds Provincie Utrecht. ‘Ze praten met elkaar over wat ze bezighoudt,’ zegt Michel Simons, de voorzitter van het fonds. ‘Dat klinkt misschien té alledaags, maar die gesprekken zijn echt heel leuk. Die gaan over dingen die elders niet aan bod komen. Ze zijn vaak verrassend. Wat? Patat! heeft nu al een eigen geluid, een eigen profiel.’ 

Simons’ fonds zoekt niet alleen de jongeren op, die bijna geen traditionele media meer gebruiken. ‘In onze eerste subsidieronde, in maart vorig jaar, kregen we dertig aanvragen, waarvan we er elf hebben toegekend,’ vertelt de voormalige radiojournalist bij de VARA en docent Journalistiek aan de Tilburgse hogeschool Fontys. ‘Maar er zaten veel minder onderzoeksjournalistieke projecten bij dan we hadden verwacht.’ 

Dus zijn de fondsbestuurders ook die gaan werven. ‘We zijn de Utrechtse media afgegaan: hebben jullie niks liggen? Projecten die je dolgraag zou doen, maar waarvoor je geen geld hebt? Nou, bij RTV Utrecht lag er plenty op de plank.’ Bij een tweede ronde, in oktober 2023, vroeg en kreeg de regionale omroep zo’n tachtigduizend euro subsidie voor drie grote projecten.

miljoenen aan publiek geld

Het Mediafonds Provincie Utrecht is nu een dik jaar operationeel, en daarmee een van de jongste takken aan een boom die zelf ook nog maar vijf jaar oud is. In 2017 creëerde het kabinet-Rutte III een pot van zo’n vijf miljoen euro aan subsidies voor onderzoeksjournalistiek; de uitkering daarvan begon halverwege 2018. De bulk van dat geld wordt verdeeld door twee fondsen: het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek (SvdJ), dat alleen organisaties ondersteunt die onderzoeksjournalistiek (willen gaan) bedrijven, en het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (Fonds BJP), dat juist alleen geld geeft aan individuele journalisten om onderzoeksprojecten te realiseren. 

Onderzoeksjournalistiek is zowel het paradepaardje als het zwarte schaap van het vak. Maar het is ook tijdrovend en arbeidsintensief werk, waarvan het succes nooit te garanderen valt.

Gemeenten en provincies stichtten hun eigen mediafondsen, soms al vóór de landelijke subsidiepot: het Haarlems, Leids, Tilburgs en Zuid-Hollands Mediafonds, de Mediaraad Amstelveen, Stichting Luis in de Pels in Den Haag. Bij elkaar hebben al deze fondsen jaarlijks nog eens zo’n anderhalf miljoen euro te verdelen. Alleen al aan publiek geld is er tussen de 8 en 9,5 miljoen euro per jaar aan subsidies beschikbaar, zo schatte een dik half jaar geleden Jan-Jaap Heij, oprichter en beheerder van Reporters Online, een publicatieplatform voor freelancers. Verder zijn steeds meer particuliere fondsen op deze nieuwe markt actief. De Adessium Foundation gaf 335.000 euro voor de lancering in 2016 van Investico, hét journalistieke onderzoeksbureau van Nederland, dat vooral publiceert in het weekblad De Groene Amsterdammer. 

Adessium bleef geven aan Investico, zij het geleidelijk minder, tot 137.500 euro in 2022. Het Gieskes-Strijbis Fonds verschafte 187.195 euro voor een driejarig onderzoek door Spit, de coöperatie van onderzoeksjournalisten waarvan ook de auteur van dit artikel lid is. En dan is er nog de Vereniging Veronica, een private non-profitinvesteerder in media en journalistiek, die zo’n veertig miljoen euro te vergeven heeft.

paradepaardje en zwart schaap

Onderzoeksjournalistiek is zowel het paradepaardje als het zwarte schaap van het vak. Het genre levert onvergetelijke primeurs op: hoe Standard Oil de markt voor olie en benzine monopoliseerde (Ida Tarbell, 1903), Watergate (Bob Woodward en Carl Bernstein, 1972-1974), en, in Nederland, het toeslagenschandaal (Pieter Klein en Jan Kleinnijenhuis, 2018-2019) en The Voice (Tim Hofman en zijn team, 2022). 

Maar het is ook tijdrovend en arbeidsintensief werk, waarvan het succes nooit te garanderen valt. Dit, gevoegd bij het vaak dwarse karakter van de beoefenaren, zorgt voor regelmatige spanningen tussen onderzoeksjournalisten en hun chefs en hoofdredacteuren. Daardoor is het altijd een genre geweest dat veel door freelancers wordt beoefend, ver weg van kantoorpolitiek. Maar in kleinere mediamarkten als Nederland hebben freelance journalisten nooit kunnen leven van alleen lange onderzoeksprojecten.

Zij vlogen elkaar dan ook in euforische verbijstering om de hals, toen Rutte III die vijf miljoen euro beschikbaar stelde. Sindsdien kunnen zij de karige vergoedingen van de meeste mediabedrijven – er zijn nog steeds kranten die hun schrijvers afschepen met 23 cent per woord – met subsidies aanvullen tot een fatsoenlijk inkomen. Van de ene op de andere dag ontstond een nog immer groeiende kaste van fulltime freelance onderzoeksjournalisten. Leuk voor hen, en voor hun lezers, kijkers en luisteraars, die getrakteerd worden op meer onthullend graafwerk dan ooit tevoren in de geschiedenis van de Nederlandse journalistiek. 

Maar er zitten ook schaduwkanten aan. Het subsidiestelsel maakt mediamagnaten en hoofdredacteuren nog luier en schraperiger. ‘Goed plan!’ zo begroeten zij vaak de freelancer die een mooi onderzoeksproject komt pitchen. ‘Vraag eerst maar eens subsidie aan, dan praten we verder!’ Waarom zouden zij hun tarieven verhogen, als de overheid hun primeurs subsidieert? Puur in onderzoek gespecialiseerde collectieven als Spit en Investico halen slechts 10 procent van hun inkomsten uit de betalingen door de bladen en omroepen die hun werk publiceren, zo blijkt uit hun jaarverslagen. De rest komt bijna helemaal uit publieke en private subsidies. 

Daarom besloot Spit voor Vrij Nederland uit te zoeken waar die subsidies landen: bij grote jongens zoals DPG en Mediahuis, die samen bijna de gehele Nederlandse krantenmarkt beheersen, of bij de partijen die het echt nodig hebben? In dit onderzoek ligt de nadruk op de publieke fondsen. Die spenderen immers belastinggeld, waarvan de samenleving een verantwoorde besteding mag verlangen. Private fondsen mogen zelf weten waar ze hun geld in steken. Jan-Jaap Heij telde destijds bij elkaar op wat alle publieke fondsen te besteden hebben, inclusief budgetten voor bijvoorbeeld traineeships in onderzoeksjournalistiek en vernieuwingstrajecten voor redacties. Spit keek alleen naar wat die fondsen daadwerkelijk uitkeren voor onderzoeksjournalistieke publicaties. 

‘De publicerende media moeten onze subsidie matchen, in principe met een gelijk bedrag. Maar fiftyfifty halen we steeds minder vaak.’

Het Fonds BJP gaf in 2022 371.000 euro uit hoofde van de Regeling Bijzondere Journalistiek (RBJ) – boeken, podcasts en documentaires – , en iets meer dan negen ton onder de Regeling Onderzoeksjournalistiek (ROJ) – vooral longreads en series artikelen. Van die bedragen ging respectievelijk 20 en 16 procent naar freelancers die daarmee programma’s maakten voor de NPO. Goede tweede was Investico/De Groene, met 3,4 en 11,5 procent. 

De kranten van DPG Media – AD, de Volkskrant, Trouw, Het Parool – sleepten bijna 9 procent van het ROJ-geld in de wacht, die van Mediahuis – De Telegraaf, NRC, De Limburger – 5,7 procent. DPG en Mediahuis zijn zeer rendabele bedrijven, die al hun onderzoeksjournalistiek gemakkelijk zelf zouden kunnen betalen. En de NPO ontvangt jaarlijks al bijna een miljard euro aan belastinggeld via de Mediawet. Om precies te zijn: 964 miljoen euro in 2024, aldus pagina 6 van de Mediabegrotingsbrief van de minister van OCW. 

de nieuwe ferrari

‘Ideaal is het niet,’ erkent Joëlle Terburg, directeur van het Fonds BJP. ‘Maar voor ons staat het profijt voor de freelancers voorop. Wij helpen hen om publicaties te realiseren die zij anders nooit zouden kunnen maken.’ Wat haar vooral zorgen baart, is dat die freelancers steeds minder betaald krijgen door hun opdrachtgevers. ‘De publicerende media moeten onze subsidie matchen, in principe met een gelijk bedrag. Maar fiftyfifty halen we steeds minder vaak.’ Terburg en de haren hebben zich ‘allang neergelegd’ bij deze realiteit. ‘Zonder subsidies kunnen bepaalde vormen van journalistiek domweg niet bestaan.’

Peter Smet, directeur van het Stimuleringsfonds, heeft minder te kampen met dit probleem. ‘Wij geven niet aan individuen die afhankelijk zijn van een platform om te kunnen publiceren. Wij stimuleren organisaties om bepaalde activiteiten te ontplooien, om zich te ontwikkelen in een bepaalde richting.’ Het aantal ontvangers van SvdJ-subsidies is veel kleiner, het bedrag per ontvanger juist veel groter dan bij het Fonds BJP. De meest recente cijfers van het SvdJ dateren uit 2021 vanwege een formaliteit: het ministerie van OCW talmt nog steeds met de goedkeuring van het jaarverslag over 2022. 

In 2021 keerde het fonds in totaal 3,2 miljoen euro uit aan ‘wat meestal onder de noemer onderzoeksjournalistiek wordt geschaard’, zoals Smet het uitdrukt. ‘Op zich vind ik dat goed, maar zelf hanteer ik liever de wat bredere term ‘verdieping’, waar ook analyse en achtergronden onder vallen. Want waar geen basisjournalistiek is, kan nooit onderzoeksjournalistiek ontstaan.’ 

Aan die basis ontbreekt het steeds meer op lokaal en regionaal niveau in Nederland, een ontwikkeling waar de overheid zich al jaren het hoofd over breekt. ‘Toen mediaminister Arie Slob in 2018 die vijf miljoen euro beschikbaar stelde,’ legt Smet uit, ‘was zijn streven om minstens driekwart van dat bedrag te spenderen aan lokale en regionale journalistiek, inclusief lokale en regionale projecten van landelijke media.’ 

Dat is te zien aan de bestemming van de SvdJ-gelden in 2021. Bijna een kwart ging naar lokale en regionale media zoals RTV Noordoost Twente, Omroep Flevoland, het Amsterdamse AT5 en Vers Beton in Rotterdam. Investico/De Groene zijn ook hier de nummer twee, met 14,3 procent, op de voet gevolgd door Follow the Money (13,2 procent) en de Correspondent (9,4 procent). Pas dan volgen de NPO (6,4 procent) en Mediahuis (1,6 procent). 

‘In de meeste gevallen stelt onze steun een individuele journalist in staat om een paar maanden aan een verhaal te werken. Ik geloof niet dat hun werkomstandigheden daarna noodzakelijkerwijs verbeterd zijn.’ 

Zo’n goede spreiding is voor sommige fondsen onhaalbaar. Het Haarlems Mediafonds keerde tot dusver 106.662 euro uit. Meer dan de helft van dat bedrag kwam direct of indirect ten goede aan het Haarlems Dagblad, een uitgave van Mediahuis. Die krant vroeg niet alleen zelf bijdragen aan, ze was ook het publicatieplatform voor de meeste verhalen die freelancers met steun van het Haarlemse fonds konden maken. Er zijn namelijk nauwelijks andere platforms in Haarlem en omgeving. ‘Uit contacten met andere lokale fondsen weten we dat dit door het hele land speelt,’ zegt voorzitter Tanja van Bergen, zelf freelance onderzoeksjournalist. ‘Veel bestuurders vinden dit lastig. Er moeten toch manieren zijn om de lokale journalistiek te ondersteunen zonder indirect de twee grote uitgeefhuizen te subsidiëren?’ 

Mediawetenschappers Erwin van ’t Hof en Mark Deuze publiceerden vorig jaar de resultaten van een rondgang langs de gulle gevers aan onderzoeksjournalistiek. Van ’t Hof interviewde bestuurders van achttien publieke en private fondsen en stichtingen anoniem, zodat zij vrijelijk hun hart konden luchten. De kwestie die ze het meeste dwarszit: hun subsidies veranderen niets aan de blijvend ‘onzekere werkomstandigheden’ voor freelance journalisten. ‘In de meeste gevallen stelt onze steun een individuele journalist in staat om een paar maanden aan een verhaal te werken,’ zegt een van hen. ‘Ik geloof niet dat hun werkomstandigheden daarna noodzakelijkerwijs verbeterd zijn.’ 

De meeste gesubsidieerde publicaties, aldus een ander, verschijnen in de bladen van DPG en Mediahuis, terwijl ‘die veel minder bijdragen dan wij’. Deze bestuurder vroeg zich tegenover Van ’t Hof hardop af: ‘Financieren wij niet indirect de nieuwe Ferrari van [naam van CEO van legacy media organisatie]?’ Er is niet heel veel fantasie nodig om de naam in te vullen tussen de vleeshaken in het artikel van Deuze en Van ’t Hof.

doolhof

‘Zo’n hartenkreet begrijp ik wel, maar die vind ik te gemakkelijk,’ zegt Tanja van Bergen. ‘Wij moeten onze tijd en energie daar investeren waar die het hardste nodig is: in de zoektocht naar nieuwe vormen en dragers van journalistiek.’ Het Haarlems Mediafonds speurt naar zijn eigen Wat? Patat! door zijn nieuwste subsidieronde, die op vrijdag 15 maart van start ging, voor het eerst ook open te stellen voor aanvragers die publiceren via social media, een eigen website, of andere kanalen buiten die van de gevestigde media-organisaties. 

Zo hoopt het fonds te ontsnappen aan zijn positie als loket voor almaar diezelfde krant, en ook nieuwe doelgroepen te bereiken, die zich van traditionele media hebben afgekeerd. ‘Wat ons in Haarlem vooral bezighoudt,’ zegt Van Bergen, ‘is de vraag naar de toegevoegde waarde van wat wij subsidiëren. Dan heb je het over meer dan de traditionele waakhondfunctie van de journalistiek, het gaat er ook om dat lokale gemeenschappen meer betrokken raken bij het functioneren van hun lokale democratie.’ 

Bij het Fonds BJP leidde dezelfde interne discussie voorlopig tot een andere uitkomst. ‘We hebben het er wel over gehad, maar we zien nog te veel bezwaren,’ zegt Terburg. ‘Via sociale media bereik je zeker bredere en vooral andere doelgroepen. Maar wie cureert daar? Socialemediaplatforms hebben geen redacties die de kwaliteit bewaken, die de auteur begeleiden. Wij hebben geen gesprekspartners bij die bedrijven, zoals we die wel hebben bij de kranten en de NPO.’ Wel introduceerde het fonds ‘Journalistiek+,’ een aparte regeling voor vernieuwende vormen van journalistiek: ‘Niet alleen meer artikelen, documentaires, uitzendingen en podcasts, maar ook debatavonden, tentoonstellingen en theater met een journalistieke inslag.’ 

Ook het Mediafonds Provincie Utrecht blijft actief zoeken naar een uitweg uit het doolhof van het dagbladduopolie. Michel Simons en de zijnen gaan regelmatig de boer op om lokale journalisten en betrokken burgers te informeren over hun fonds, en te stimuleren om subsidie aan te vragen. ‘Op een van de eerste avonden raakten wij in gesprek met jongeren die een idee hadden voor een muziekprogramma. Rap-avonden met een journalistieke inslag, die ergens over gaan.’ Nadien trok hij ze herhaaldelijk aan hun jasje: vraag nou eens aan. ‘Helaas hebben ze dat nog steeds niet gedaan.’ 

Deze publicatie kwam tot stand met steun van het Fonds Pascal Decroos/Journalismfund.eu.