Hoe omvangrijk Verlichting nu. Een pleidooi voor de rede, wetenschap, humanisme en vooruitgang van Steven Pinker ook is, dat wil nog niet zeggen dat hij de ruimte neemt om enige subtiliteit of nuance te betrachten. Hoeveel hij ook weet, hij weet één ding nog beter dan alle andere dingen: dat de hedendaagse mens niet weet hoezeer hij gezegend is en in weelde leeft. Daarmee heeft hij tot op zekere hoogte zelfs gelijk, maar Pinker neemt alleen genoegen met meer hoogte en pepert de onwillige mens in dat het ‘echt volkómen onjuist’ is om de huidige wereld voor te stellen als ook een beetje een tranendal. Er kan geen traantje af bij Pinker.

Ook al schrijft Pinker mastodontisch dikke boeken, zoals Het taalinstinct (1994), Hoe de menselijke geest werkt (1997), Het onbeschreven blad (2002), De stof van het denken (2007), Ons betere ik (2011), toch is hij een verschrikkelijke simplificateur. Als een radicale positivo toont hij met cijfers en statistieken aan dat alles, echt álles, beter gaat. Ondertussen rollen voor onze ogen de beelden van oorlogen, tsunami’s, orkanen, vluchtelingen, hongersnoden en een belligerente Trump over het scherm.

Lees ookSlecht nieuws voor de pessimisten onder ons: het optimisme rukt op!31 maart 2018
Geklieder

In de Literaire Kroniek van 31 maart schreef ik al eerder over de Engelse editie van Verlichting nu (Enlightenment Now), maar ging daarin niet in op de manier waarop Pinker over intellectuelen en kunstenaars schrijft als vijanden van vooruitgang en verlichting. Ook Nietzsche zou zo’n vijand van de Verlichting zijn. Pinker insinueert dat een hele trits schrijvers (van W.H. Auden tot Thomas Mann, van Albert Camus tot H.L. Mencken) Nietzsche alleen zou hebben gewaardeerd omdat hij het kunstenaarschap zo hoog inschatte in de samenleving: het was louter ‘beroepsnarcisme’ van die schrijvers.

De zich als ruimdenkend, verlicht en kosmopolitisch presenterende Pinker combineert afkeer van kunstenaars en intellectuelen met de koestering van de kleinst mogelijke burgerlijke ideeën over moderne kunst, filosofie en literatuur. Hij beschouwt ze eenvoudig als geklieder, als onzin en als wartaal.

Volgens Pinker is het dus de menselijke natuur alléén die iemands smaak, sympathie en inzicht ten aanzien van kunst zou bepalen.

In Het onbeschreven blad, zijn boek over ‘de aangeboren menselijke natuur’, schrijft hij: ‘In de schilderkunst werd realistische afbeelding vervangen door grillige vervorming en verkleuring, en vervolgens door abstracte roosters, vormen, vegen en spatten, met als mogelijk culminatiepunt het schilderij van 200.000 dollar dat in de recente komedie Art ten tonele werd gevoerd: een onbeschilderd wit doek. In de letterkunde werden de alwetende verteller, de gestructureerde intrige, de ordelijke introductie van personages en de algemene leesbaarheid vervangen door een bewustzijnsstroom, uit hun verband gerukte gebeurtenissen, onbegrijpelijke personages en ontwikkelingen, een subjectieve en verbrokkelde verteltrant en moeilijk proza.’

Eén soort vooruitgang

Voor de evolutionair vaststaande menselijke natuur zou de abstracte kunst en de moderne literatuur iets vreemds zijn: daar is hij door die natuur niet op geprogrammeerd. Volgens Pinker is het dus de menselijke natuur alléén die iemands smaak, sympathie en inzicht ten aanzien van kunst zou bepalen, en dus niet ook sensibiliteit, kennis, een ontwikkelde smaak en verworven inzicht.

Er zou zelfs een ‘evolutionaire esthetiek’ bestaan die zou hebben uitgewezen wat de menselijke natuur wél graag op schilderijen ziet. Dat is: ‘een savanne: open grasland met verspreide bomen en waterpartijen en bewoond door dieren en bloeiende en vruchtdragende planten.’ Van Amerika tot de Oekraïne, van Turkije tot Kenia zouden mensen ook de voorkeur geven aan ‘realistische, glad geschilderde landschappen in groen en blauw, met dieren, vrouwen, kinderen en heldenfiguren.’ Aan kitsch dus.

Dit zijn het soort landschappen, schrijft Pinker, ‘die onderzoekers op het gebied van de evolutionaire esthetiek als optimaal voor onze soort aanmerkt.’ Geen Mondriaan, Appel, geen Barnett Newman, Van Doesburg, Malevich, geen Richter, De Kooning, Kiefer of Sol Lewitt – dat zijn allemaal ‘vegen en spatten’ en ‘grillige vervorming en verkleuring.’

In werkelijkheid zijn maar weinig intellectuelen tegen vooruitgang. Het is alleen een andere vooruitgang dan die van Pinker.

Pinker mag het niet op intellectuelen en kunstenaars hebben, hij heeft het wel op de bourgeoisie, die hij verdedigt als de ruggengraat van de samenleving. Daar mag iets in zitten, maar het is ook de klasse van de veiligheid, het ontbreken van risico, van de maskerade, van gesetteldheid, van veel eigendunk en tevredenheid. De verdediging van de bourgeoisie gaat bij Pinker gepaard met het zwart maken van degenen die een ander soort Verlichting voorstaan.

Hoezeer hij ook voor de vooruitgang is, het is klassiek reactionair om te schrijven dat zich ‘progressief’ noemende intellectuelen ‘in werkelijkheid de schurft aan vooruitgang hebben.’ In werkelijkheid zijn maar weinig intellectuelen tegen vooruitgang. Het is alleen een andere vooruitgang dan die van Pinker.

Bronbeeld: Wikimedia Commons, Nasjonalbibliothek Noorwegen, SMU Libraries, The National Archives UK, New York Public Library

Pinker verwijt die ‘elkaar nablatende klasse’ ook pure hypocrisie. Ze zouden tegen vooruitgang zijn, ‘maar ze hebben geen hekel aan de vrúchten ervan: de meeste deskundigen, critici en hun weldenkende lezers gebruiken liever computers dan een ganzenveer en een inktpot en worden liever zonder verdoving geopereerd dan zonder.’

Voor Pinker is er maar één soort vooruitgang: een neoliberale seculiere samenleving met een ongebreidelde vrije markt. De welstand en het geluk van de inwoners van die samenleving worden door hem vastgesteld aan de hand van heilige cijfers: ‘door te tellen.’ Voor Pinker bestaat de wereld uit wat de data en de statistieken zeggen. Hij leeft in de website van Our World in Data.

Ratio versus gevoel

Zo tendentieus als Pinker omgaat met de vooruitgang, zo gaat het in Verlichting nu met de rede. Daar bestaat voor Pinker maar één vorm van. Dat het rationalisme van bepaalde verlichte denkers wel eens extreme vormen heeft aangenomen en heeft geleid tot de nodige ontsporingen: Pinker wil het niet zien. Dat de rede op een verkeerde manier is gebruikt voor oorlogen, biologische wapens, kernwapens, cyberterreur, rationalisering, automatisering en milieuvervuiling, dat weet Pinker natuurlijk, maar hij trekt er geen consequenties uit.

De rede is een prachtig instrument, maar kan niet louter instrumenteel worden gebruikt.

Eén consequentie, dat het potsierlijk is om nu nog zo te staan juichen over de rede, valt buiten zijn horizon. Er is veel voor de rede te zeggen, maar er is in de loop der tijd een donkere rand ontstaan, veroorzaakt door het redeloze gebruik ervan.

Niet voor niets probeerde de romantiek in het begin van de negentiende eeuw al een correctie op het rationalisme aan te brengen door meer aandacht te hebben voor de niet uitgesproken rationele kanten van het bestaan. Daardoor is de zo rationele twaalfurige werkdag uiteindelijk teruggebracht tot de redelijke achturige werkdag. Dat was redelijk, dat wil zeggen: dat was het resultaat van een heilzame combinatie van ratio en menselijke maat, van de erkenning van gevoelens en verlangens.

De andere vooruitgang, waar die door Pinker zo gehate intellectuelen en, wat hij noemt, ‘elitaire culturele bewegingen’ voor staan, wil een vooruitgang met zo min mogelijk negatieve effecten. De rede is een prachtig instrument, maar kan niet louter instrumenteel worden gebruikt. De beroemde zelfreflectie van mensen kan ook goed werken voor de rede om naar zichzelf kijken, en zich zo van zijn redeloze kanten te ontdoen.

Nietzsche

Aan wat Pinker over Nietzsche schrijft in Verlichting nu is te zien hoe platvoetig en onkunstzinnig hij denkt. Pinker heeft geen enkel gevoel voor stijl, toon, nuance, ironie, hyperbool, psychologie, contradicties of subtiliteiten. Hier is de botte psycholoog aan het werk. In het hoofdstuk Humanisme staat Nietzsche voor alles waar Pinker tegen is. Dat is te begrijpen als hij Nietzsche citeert wanneer die oproept tot strijd, oorlog en avontuur tegen de lusteloosheid. De mens moest zich weer eens van zijn onverschrokken en dionysische kant laten zien, vond hij.

Nietzsche zou met zijn ‘afstotelijke’ ideeën bij uitstek een kroongetuige voor de anti-Verlichting zijn.

Een flink deel van die strijdlustigheid was een psychologische compensatie voor zijn eigen zwakke geestelijke en lichamelijke gezondheid. We hebben met Nietzsche te maken met een notoir tegenstrijdig iemand. Hij dacht bij herhaling tegen zichzelf in. Hij ondergroef zijn eigen ideeën. Hij was zijn eigen criticus. Hij was iemand die bij herhaling opriep hem tegen te spreken, die het tegenspreken zelfs als een hoge vorm van cultuur zag, als een uiting van een ‘bevrijde geest’ (Fragment 297 in De vrolijke wetenschap). Gevolg van dat zichzelf tegenspreken is dat verschillende denkers en richtingen zich met uitspraken van Nietzsche kunnen tooien. Pinker kiest voor de strijdlustige en opgewonden Nietzsche.

Nietzsche zou met zijn ‘afstotelijke’ ideeën bij uitstek een kroongetuige voor de anti-Verlichting zijn. ‘Zo ongeveer elk argument in dit boek’ is gericht tegen Nietzsche, zegt Pinker. Maar citaten uit het werk van Nietzsche waarin hij zich expliciet tegen de Verlichting zou keren geeft hij niet. Die zijn ook moeilijk te vinden. In tegenstelling tot citaten waarin Nietzsche het juist voor de Verlichting opneemt. Neem Fragment 197 in Morgenrood, getiteld ‘De vijandigheid van de Duitsers jegens de Verlichting.’

Nietzsche verwijt daarin de Duitsers dat ze in het begin van de negentiende eeuw tegen de verlichte geest van Newton en Voltaire ingingen en ‘de cultus van de rede’ vervingen door ‘de cultus van het gevoel.’ Maar inmiddels zijn ze enigszins tot inkeer gekomen. ‘Gevoel en kennis’ hebben zich hersteld ‘en vliegen nu op de breedste vleugels aan hun oude bezweerders voorbij, als nieuwe en sterkere genieën van dezelfde Verlichting waartegen zij bezworen waren. Deze Verlichting dienen wij nu voort te zetten.’ Nietzsche was een verlichte geest die het rationalisme van de Verlichting tegensprak wanneer die te rigide, te apollinisch en te weinig dionysisch te werk ging.

Lees ookLiteraire Kroniek 757: Nietzsche en zijn twee gezichten20 maart 2018

Hoe ruimhartig Pinker ook is als verdediger van de liberale democratie, als tegenstander van Trump, als afkerige van nationalisme en xenofobie, zo kleinburgerlijk is hij als het gaat om het onderkennen van een andere, kritische vooruitgang, een die de uitwassen van het rationalisme signaleert. Nietzsche kon de mensen hard aanvallen en hen verwijten dat ze hun leven aan het verslonzen waren, maar het is idioot dat Pinker hem ‘een kille onverschilligheid jegens het menselijk leven’ verwijt. Hij die juist na veel moeite ‘ja’ tegen het leven zei.

Verlichting nu. Een pleidooi voor rede, wetenschap, humanisme en vooruitgang door Steven Pinker is vertaald door Ralph van der Aa en uitgegeven door Atlas Contact.