Al tijdens het Kamerdebat over institutioneel racisme eerder deze week hagelde het bijtende commentaren via de sociale media op de scheldpartijen en de jijbakken in het parlement: Jesse Klaver die Lodewijk Asscher aanwreef dat hij als minister geen excuses voor de slavernij had aangeboden, Farid Azarkan die op hoge toon excuses eiste van Asscher omdat die als bewindsman een rammelend rapport over Turks-Nederlandse jongeren had gebruikt, Asscher die een tirade afstak tegen Azarkan omdat diens partij ooit nare filmpjes over Kamerleden met een Turkse achtergrond online had gezet, Geert Wilders die Klaver voor ‘politieke hooligan’ uitmaakte omdat delen van GroenLinks ooit hadden geheuld met het communistisch regime, Klaver die de PVV-leider op zijn beurt een ‘idioot’ noemde, Arzarkan die Lilian Marijnissen uitmaakte voor een ‘beschonken komkommer’.
Ook de kranten en de mediarubieken op de radio stonden donderdag bol van de schampere commentaren op de ‘burenruzie’ die zich in het parlement had voltrokken. Maar daardoor verdween volledig uit beeld wat er tijdens het debat wél aan zinnigs werd gezegd.
Bijvoorbeeld door eerdergenoemde Lodewijk Asscher, die erop wees dat ook in Nederland na de dood van George Floyd talloze mensen hun persoonlijke verhaal vertelden: hoe ze bespuugd werden, hoe ze klappen kregen, hoe ze vanwege hun huidskleur of achternaam geen baan of geen huis kregen, hoe het is om in de rij de enige te zijn die eruit wordt gepikt, ‘niet één keer, maar élke keer’ – en dat het geen linkse hobby is om tegen racisme zijn, en geen kwestie van links of rechts, maar een kwestie van beschaving.
Ook Kees van der Staaij van de SGP kwam, zoals gebruikelijk, met wijze woorden, deze keer niet ontleend aan de Bijbel maar aan Aleksandr Solzjenitsyn, de Russische dissident en Nobelprijswinnaar, die zei dat de grens tussen goed en kwaad niet loopt tussen rassen, klassen, standen, landen en volken, maar ‘dwars door ieder mensenhart’.
Je zou natuurlijk kunnen zeggen: daar stond de gladde liberaal weer de kool en de geit te sparen.
Daar moest ik aan denken toen ook Mark Rutte er tegen het einde van het debat van langs kreeg omdat hij het maken van excuses voor de slavernij, het opstellen van actieplannen en het doen van extra onderzoek naar institutioneel racisme afhield, en herhaalde wat hij al eerder had gezegd: dat hij de afgelopen tijd door allerlei gesprekken anders was gaan denken over Zwarte Piet en racisme, en meer begrip had gekregen voor de pijn die mensen kunnen ervaren, maar dat niet alles racisme is wat racisme lijkt te zijn.
vermogen tot zelfkritiek
Je zou natuurlijk kunnen zeggen: daar stond de gladde liberaal weer de kool en de geit te sparen. Maar het zou best eens zo kunnen zijn dat de publieke bekering van Rutte uiteindelijk meer effect zou kunnen hebben op het denken in Nederland over racisme dan de roep om actieplannen en nog meer onderzoek, hoe begrijpelijk die roep ook is.
Actieplannen en onderzoek hebben in dit polderland de neiging te verzanden in oeverloos gepraat en dikke rapporten waar niks mee wordt gedaan, terwijl het tegengaan van racisme uiteindelijk aankomt op begrip voor de ander en het vermogen tot zelfkritiek – aan alle kanten van het spectrum.
Dat geldt evenzeer voor degenen die doen alsof racisme in Nederland niet bestaat als voor degenen die hameren op ‘witte schuld’ als bron van alle kwaad, evenzeer voor de Johan Derksens als voor de Akwasi’s van deze wereld: met koppig vasthouden aan het rabiate eigen gelijk komen we in ieder geval geen millimeter verder.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.