De begin 2015 overleden Denker des Vaderlands René Gude kwam er niet toe om eens systematisch op te schrijven waaruit zijn wereldbeschouwing bestond. Zijn ‘testament’ kreeg toch weer de vorm van gesprekken.

Een Denker des Vaderlands die het leven een ‘gedoetje’ noemt kan er niet vanuit gaan dat hij erg serieus genomen wordt. Zo’n typering behoort tot de categorie ‘het leven is een afvalrace’ of ‘het leven is een pijp kaneel’. Toch ging René Gude er aan hechten. Het leven was veel gedoe: veel routine, veel regelen, veel van hetzelfde, veel onbeduidende kleinigheden die niet over het hoofd gezien kunnen worden. Om in de geest te blijven en dat gedoe de baas te worden beschouwde hij filosoferen als een soort kletsen: eindeloos bomen. Elk gesprek over filosofie dat een einde moest krijgen was voor Gude een afgebroken gesprek: hij had nog graag nog even doorgekletst.

Ook al was hij een serieuze filsoof, Gude had de onbedwingbare behoefte om filosofie ook gezellig te maken. Filosofie als iets voor aan de keukentafel. Alleen aan een  keukentafel noem je het leven ‘de hele mikmak.’ Alleen aan de keukentafel kun je zeggen dat je nog wel twintig jaar in het leven door had willen ‘klooien.’ Alles wordt dan ook tot keukentafelproporties teruggebracht. De aarde heet dit ‘flutplaneetje’. De dingen door elkaar heen halen heet dan ‘piemelen’ en in de privé-sfeer je gang gaan heet ‘frutten.’ Dat het leven zin-geven is betekent ‘dat je zelf aan de bak moet.’

‘Klooien’ en serieus in filosofische categorieën denken horen voor Gude bij elkaar.

Dit keukentafelgedoe is een onmiskenbare kant van Gude, maar daar laat hij het toch niet bij. ‘Klooien’ en serieus in filosofische categorieën denken horen voor hem bij elkaar. Dat is misschien het beste te zien aan wat men nu zijn testament zou kunnen noemen: Het agoramodel, het boekje dat drie vrienden hebben gemaakt van de gesprekken die ze over zijn ‘wereldbeschouwing’ met hem hebben gevoerd aan het eind van zijn leven. De bedoeling was dat Gude dat zelf zou schrijven, maar dat kwam er niet meer van als Denker des Vaderlands.

Het oeuvre van Gude is uiteindelijk uit de weerslag van gesprekken gaan bestaan: Het agoramodel is het vierde boekje met gesprekken met Gude: na Stand-up filosoof, de gesprekken met Wilma de Rek, ‘Sterven is doodeenvoudig. Iedereen kan het’, Wim Brands in gesprek met Gude, ‘Ik blijf nog even kletsen’, de ‘laatste gesprekken’ met Gude door Rosan Hollak. Zinvolle volzinnen is een boekje met aforismen ontleend aan al deze gesprekken. Om een min of meer afgerond geheel te maken hebben hebben Florian Jacobs, Erno Eskens en Peter Henk Steenhuis in Het agoramodel ook een en ander aan die andere boeken ontleend.

Dat Gude’s wereldbeschouwing zou samenkomen in het ‘agoramodel’ is weinig spectaculair. Op de hedendaagse agora, het plein waar de vitale levensgebieden samenkomen, zijn volgens Gude vier sferen te vinden: het privéleven, het private leven (school, werk), het publieke leven en de politiek. Die moeten volgens Gude in een goede verhouding tot elkaar staan in een mens wil je een zinvol en eventueel gelukkig leven kunnen leiden. Om daarin te slagen zijn er vier ‘trainingssferen’ die je daar in kunnen oefenen: religie, sport, kunst en filosofie. Gude heeft dit in een schema vastgelegd waarin ook de drijfveren te vinden zijn die deze levenssferen aansturen: dat zijn het Lekkere, Goede, Schone en Ware. Dat ‘Lekkere’ is typisch een woord uit Gude’s knusse keukentafelfilosofie. Het Lekkere is het fundament van het bestaan: alles wordt aangestuurd door lustgevoelens. ‘Al wat leeft, streeft’, citeert Gude Spinoza. Niet het verstand, maar de passies, gevoelens en emoties maken de dienst uit, denkt Gude in de geest van David Hume en Immanuel Kant. Op zijn keukentafels gezegd: ‘zonder trek gebeurt er niets’. De ratio is alleen maar een controlerende en sturende instantie die de passies in goede banen moet leiden. In de hierarchie van menselijke vermogens (met altijd in de coulissen het menselijk tekort) staan bij Gude de lustgevoelens (appetitus) bovenaan, gevolgd door de wil (voluntas), de zintuigen (sensus) en het verstand (ratio). Maar tijdens zijn ziekte had Gude wel veel aan de stoïcijnse onverstoorbaarheid, waar toch enig verstand bij komt kijken.

Dat agoramodel ziet er misschien wel aardig uit, maar erg origineel is het niet. Het belangrijkste is dat Gude kiest voor de lustgevoelens als de basis van alles, maar daar heb je dit model niet voor nodig. Veel belangrijker is dat zich op de achtergrond van Gude’s model een paar grote vooronderstellingen bevinden. Gude denkt dat het tijd wordt dat we het individualisme achter ons laten. We moeten veel meer in ‘collectieven’ gaan denken. Mensen moeten ‘bindingen’ aangaan en zich realiseren dat ze een onderdeel zijn van een groter geheel. Ook als ze het niet willen zijn mensen onderdeel van collectieven: de YouTube-kijkers, de autorijders, de theatergangers, de voetballiefhebbers, de Mars-eters, de bierdrinkers, de twitteraars. Gude is een communitarist, iemand die op zoek is naar ‘cohesie’, naar het samenbindende van mensen. We moeten ons durven laten ‘meeslepen’ door het gemeenschappelijke. Het individualisme zou alleen maar tot ‘fragmentering’ hebben geleid. Gude gaat er vanuit dat ‘saamhorigheid’ is aangeboren. Ook belangrijk voor de achtergrond van Gude’s denken is dat hij vindt ‘dat de wereld eenvoudiger is dan je denkt.’ Dat is een bemoedigende gedachte (nu alles ‘complex’ wordt gevonden).

Over één van de ‘trainingssferen’ waarmee mensen zich thuis kunnen voelen in een gekozen omgeving, religie, is Gude wel heel vaag. Daar bedoelt hij niet per se geloof in God mee: ‘Religie, of daarin nu sprake is van een God of niet, is een beschavingspraktijk.’ Bestaat er een religie zonder God? Heet ‘zonder God’ niet spiritualiteit? Gude maakt van religie kennelijk een oceanisch begrip. Hij zegt: ‘Met religie ritualiseren we allerlei dingen. Bijvoorbeeld grote momenten in het leven die iedereen doormaakt: geboorte, de dood en verdriet. Maar ook de moraal, de manier waarop je je moet gedragen en wat er wel en niet mag.’

Spinoza, Shopenhauer, en Bergson. Compositie.

Hebben we per se religie nodig om met geboorte, de dood, verdriet en moraal om te kunnen gaan? Zijn er door de eeuwen heen niet talloze niet-religieuze manieren bedacht om hiermee om te gaan? ‘Religie is het programma dat onderlinge omgangsvormen regelt’, zegt Gude zonder te blozen, alsof diezelfde religies niet lange tijd, en deels nog steeds, voor moord en doodslag hebben gezorgd. Ook voor naastenliefde, haast ik mij toe te voegen, maar verre van exclusief.

Gude waarschuwt dat we de levenssferen in zijn model niet door elkaar moeten halen, maar zelf ziet hij alles graag in termen van de sportmentaliteit: ‘Wij sporten niet alleen op het sportveld, de sportmentaliteit doortrekt onze leefwereld als geheel. In alle hoeken van de samenleving staan scoreborden te knipperen.’ Dit klinkt misschien wel pittig, maar slaat nergens op. Wanneer iemand zijn best aan het doen is (een examen halen, een opdracht uitvoeren) heeft hij geen ‘sportmentaliteit.’ Hij doet zijn best, hij is niet als een sporter aan het ‘winnen’. Dit is typisch zo’n goedkope vergelijking om de moderne lezer te paaien met iets uit de populaire wereld: kijk mij eens ook van deze tijd zijn.

De filosofie van René Gude moet het vooral hebben van de combinatie van zijn keukentafelfilosofie (‘gedoetje’) en zijn praktische wijsheden, vooral te vinden in het boekje Zinvolle volzinnen. Zodra Gude systematisch gaat filosoferen ontstaan er modellen. In Het agoramodel staan genoeg zinnige observaties , maar het model wil zich niet in mij vastzetten als iets waarmee de wereld geheel vernieuwd gezien kan worden.

Blijft over: Gude’s durf om de levenskracht aan de keukentafel het ‘Lekkere’ te noemen. Spinoza noemde het nog lust, Schopenhauer de Wil en Bergson élan vital.

Het agoramodel. De wereld is eenvoudiger dan je denkt door René Gude. Samenstelling Florian Jacobs, Erno Eskens en Peter Henk Steenhuis. Uitgegeven door ISVW Uitgevers.