Een van Cees Nootebooms alibi’s om zo veel te reizen was om kunst te zien. Om er daarna over te schrijven. In een kloek boek heeft Nooteboom dit werk verzameld – vol vragen, vol raadsels.

Ezijn twee schilders die in het schrijvende en reizende leven van Cees Nooteboom hardnekkig blijven terugkomen: de Spaanse schilder Francisco de Zurbarán en Jheronimus Bosch, met als goede derde Diego Velazquez. Nooteboom was eenentwintig toen hij hun schilderijen in het Prado in Madrid voor het eerst zag. ‘Zien’ was op die leeftijd nog iets tussen aanhalingstekens. Hij werd in ieder geval hoogst geïntrigeerd, speciaal door de Hooiwagen van Bosch. Nootebooms kijken naar kunst mag de afgelopen zestig jaar veranderd zijn, het raadsel dat de Hooiwagen opgaf is er niet veel minder op geworden.

In het boek waarin hij nu al zijn artikelen en essays over kunst sinds de jaren zeventig heeft verzameld, Wat het oog je vertelt. Kijken als avontuur, is ‘raadsel’ misschien wel het meest voorkomende woord. Misschien is het zelfs wel het woord dat zijn hele werk het beste typeert. Nooteboom maakt van alles een raadsel. Hij vraagt zich zoveel af, kijkt zo lang, wil het geheim ze graag kennen, dat alles op losse schroeven komt te staan, zelfs een eenvoudig stilleven. Zelfs het eenvoudigste Japanse kommetje.

Om zo lang over kunst te kunnen schrijven (over het licht van Vermeer, de hemelen van Tiepolo, de kwellingen van Frida Kahlo, de adelaars van Anselm Kiefer, de blinden van Brueghel, de zelfportretten van Rembrandt, de foto’s van Eddy Posthuma de Boer, Anton Corbijn en Rineke Dijkstra, het vroege werk van Mondriaan, het schilderwerk van Hugo Claus, het realistische surrealisme van Neo Rauch en de mysticus Zurbarán) moet er iets zijn dat de lust tot schrijven steeds weer oproept. Dat ‘iets’ is zijn onschuld.

Nooteboom heeft geprobeerd zijn hele leven de ‘onschuldige kijker’ te blijven, terwijl hij toch een erudiete schrijver is die het ene na het andere boek tevoorschijn haalt, om alles over de kunstenaars te willen weten over wie hij gaat schrijven. Hij leest graag andermans exegeses, maar zodra hij met zijn eigen ogen kijkt (en ‘luistert’ naar wat zijn ogen hem vertellen, volgens de titel van het boek) is hij ze weer vergeten en duiken zijn eigen vragen op.

Van links naar rechts: Santa Casilda van Francisco de Zurbará, Hooiwagen van Jheronimus Bosch en Stilleven met zoutvat van Pieter Claesz..

Wanneer hij de monniken van Zurbarán ziet begeeft hij zich vergeefs in hun gedachtenwereld. Het zijn vreemden voor hem, ‘aliens’, maar toch houdt hun mystiek hem bezig. Alsof Zurbarán dat wist heeft hij de stof van de monnikspijen zo levensecht geschilderd dat Nootebooms gefascineerde aandacht zich daar naar verplaatst. Hij kruipt er zo in detail in dat hij er een abstract schilderij van maakt. Hij wordt door Zurbarán heen en weer geslingerd tussen de ‘karige ascese, de vereenzelviging met het lijden van de martelaren en de extase van mystici’, en de meest voluptueuze stoffen, sensuele kleuren en elegante houdingen van de ten voeten uit geschilderde vrouwenportretten.

In zijn boek over Jheronimus Bosch, Een duister voorgevoel, stelt hij zoveel vragen bij de schilderijen dat het hem het beste lijkt dat hij in een van die schilderijen gaat wonen om ‘de rest van je leven met de raadsels door te brengen.’ Door dat voortdurende vragen stellen, en alleen al nauwgezet te beschrijven waar hij raadsels in ziet, krijgen al deze stukken iets meeslepends, maar komt Nooteboom ook zelden to the point. Er doemen steeds weer nieuwe vragen op. Bij Nooteboom blijft niets op zijn plaats, het wordt allemaal geproblematiseerd.

‘Wat was het?’, vraagt hij zich af bij stillevenschilders als Pieter Claesz. of Clara Peeters, ‘wat was die diepe vereenzelviging (…) met materie, welke dan ook, glas, aardewerk, vruchtvlees, zilver, die deze kunstenaars in staat stelde stof zo uit te drukken?’ Het antwoord heeft hij zelf gegeven: dat ze in die materie gingen ‘wonen’, zoals hij zelf in bepaalde schilderijen wil wonen (‘Je zou bijna denken dat de schilder tijdelijk zelf die materie is geworden, om haar zo af te kunnen beelden.’)

Nooteboom heeft altijd het kruid van zijn onschuld droog weten te houden. Hij kan tot zijn nek in de kennis zitten (hij heeft een dubbelganger in zich, ‘een rationalistische dwerg die van alles het fijne wil weten’), maar daar wordt een schilderij bij hem alleen maar geheimzinniger van: ‘De som van onze wetenschap dekt dat vreemde gevoel niet dat we ondergaan en dat weigert uitgerekend, verklaard en benoemd te worden. Dat lucht op. Er is pas iets aan de hand als het schilderij sterker is dan de som van de uitleg,’ schrijft hij in 1983 in een stuk over Giorgio de Chirico. Er is altijd iets onuitlegbaars aan de kunstwerken die je bewondert en dat onuitlegbare correspondeert (citeert hij Roland Barthes), met iets onuitlegbaars in jezelf.

Wat het oog je vertelt. Kijken als avontuur, Cees Nooteboom, De Bezige Bij.