Eind jaren zestig trok Edmund Carpenter, een Amerikaanse antropoloog, naar de bergvalleien van Nieuw-Guinea voor een experiment dat hij zelf omschreef als ‘het in- en uitstappen van tienduizend jaar mediageschiedenis’. Daar in de valleien woonden namelijk volkeren die nog nooit met moderne media in aanraking waren gekomen – geen foto’s, film of radio, zelfs geen spiegel.

Eigenlijk was Carpenter niet zo van de infiltratie in inheemse culturen, uit angst voor wat het zou verpesten. Maar tienduizend jaar terug in de mediageschiedenis, dat was te interessant om te laten. Het bood een unieke gelegenheid om te onderzoeken wat media met een mens doen, schreef hij: ‘Ik wilde bijvoorbeeld observeren wat er gebeurt als iemand – voor de eerste keer – zichzelf ziet in een spiegel, op een foto of op film; zijn eigen stem hoort, zijn naam ziet.’ De Biami, een geïsoleerde groep mensen die zelden met de buitenwereld in contact waren geweest, zouden zijn onderzoeksobject zijn.

...