Tegenover de hoofdingang van het bekendste kankerziekenhuis van Nederland staat een overblijfsel van de lastig uitroeibare sigarettencultuur: het rookhok. Verslaafde patiënten, gestreste verwanten en een enkele arts of onderzoeker kunnen er onder een afdakje een peuk opsteken. ‘Het is de laatste horde op een moeizame weg,’ zegt Piet Borst (84), arts-onderzoeker en voormalig wetenschappelijk directeur van het Nederlands Kanker Instituut-Antoni van Leeuwenhoek (NKI-AVL). ‘Toen ik aantrad werd hier overal gerookt, zelfs het hoofd van de medische staf was een kettingroker. Later hadden we een tijdlang middenin het restaurant een rokersaquarium, dat stond letterlijk blauw.’

Borst verbood om te beginnen het roken in zijn naaste omgeving, ook tijdens vergaderingen. ‘Dat was lastig genoeg,’ zegt hij. ‘Bij de Raad van Toezicht had je een klassieke sigarenroker als bankier Rob Hazelhoff en ook oud-minister Wim Duisenberg, die liefst zo snel mogelijk vergaderde tussen twee sigaretten in.’

Regelgenen

Emeritus hoogleraar Piet Borst, tegenwoordig adviseur van jonge onderzoekers, kijkt in zijn kamer op de vijfde verdieping van het Antoni van Leeuwenhoek terug op zestig jaar wetenschappelijk onderzoek. ‘Niet te geloven hoe lang ik in dat lab heb doorgebracht, ik ben inmiddels echt een dinosauriër. Jonge postdocs en promovendi kunnen zich niet meer voorstellen hoe wij vroeger proeven deden.’

Zijn eerste onderzoek naar kanker deed hij eind jaren vijftig, toen de diagnose kanker meestal een doodvonnis betekende (‘als je het niet in zijn geheel weg kon halen was je kansloos in die tijd’) en de ziekte zelf eufemistisch met ‘k’ werd aangeduid. ‘Er was nauwelijks fundamenteel onderzoek, we liepen altijd achter het front aan. Ik heb als promovendus nog serieus onderzoek gedaan vanuit de gedachte dat kanker werd veroorzaakt door een stofwisselingsstoornis.’

‘Dat iemand ooit aan zoiets als intelligent design heeft kunnen denken, is onvoorstelbaar voor wie ook maar iets weet van biochemie.’

Pas in de jaren zeventig bleek de oorzaak van het ontstaan van kwaadaardige tumoren te liggen in onze regelgenen, die de celdeling en het celgedrag organiseren, zegt biochemicus Borst. ‘Er zijn weliswaar veel mechanismen die voorkomen dat cellen ergens in het lichaam voor zichzelf gaan beginnen, maar dat systeem werkt niet feilloos, zoals trouwens niets in de natuur feilloos is. De hele biologie is ontstaan door een willekeurig proces van mutatie en vervolgens door selectie van wat werkt. Met als gevolg dat in de natuur de gekste dingen voorkomen. Dat iemand ooit aan zoiets als intelligent design heeft kunnen denken, is onvoorstelbaar voor wie ook maar iets weet van biochemie: de biologie is een absoluut rommeltje. Het is heel experimenteel: als iets werkt, houden we het erin. Maar het betekent dus ook vaak dat de natuur een doodlopende weg in slaat.’

Advertentie

Advertentie

De ziekte is weerbarstig

De meeste voorspellingen over de genezing van kanker bleken veel te optimistisch. ‘Dat geldt ook voor mijn eigen uitspraken,’ zegt Borst. ‘In 1992 zetten jullie mij op de cover van Vrij Nederland met het citaat dat kanker binnen twintig jaar te genezen zou zijn. Ik dacht destijds: nu we weten hoe een kankercel ontstaat, zullen we snel uitvinden hoe we hem op zijn kwetsbare plekken kunnen aanpakken. Ik had het fout. De cel bleek veel complexer dan ik toen vermoedde.’

piet borst

De ontwikkeling van het kankeronderzoek is geplaveid met optimistische toekomstvisies, vaak geformuleerd in agressieve termen. The war against cancer van de Amerikaanse president Nixon zou het klusje in vijf jaar klaren, met een budget van honderd miljoen dollar. Obama’s vice-president Joe Biden zegde twee jaar geleden twee miljard dollar toe voor Cancer Moonshot 2020, dat zich vooral richt op de immunotherapie, waarbij het eigen immuunsysteem wordt getraind om kankercellen te ontdekken en te vernietigen. ‘We zijn bezig deze oorlog te winnen,’ schreef ook de medisch oncoloog en epidemioloog Vincent DeVita in zijn boek The Death of Cancer. ‘Mijn boodschap is simpel: geloof ze niet, de cynici, de pers, de twijfelaars.’

‘Er is nog veel meer fundamenteel onderzoek nodig naar hoe een cel in detail in elkaar zit.’

Vincent DeVita, voormalig directeur van het Amerikaanse National Cancer Institute, is een pionier van de kankerchemotherapie. ‘Een slimme man, maar zijn stelling is even hoopvol als onbewezen,’ zegt Piet Borst. ‘De ziekte is weerbarstig en dat is frustrerend. Dokters behandelen patiënten met sterk toxische middelen zonder dat ze precies kunnen zeggen wat wel en wat niet gaat werken. En patiënten sterven omdat hun uitgezaaide kanker ongevoelig is geworden voor al onze middelen.

Ik heb vijfendertig jaar lang aan die ongevoeligheidsmechanismen gewerkt. Waarom wordt een tumor resistent, vroeg ik me af. En: waarom werkt een middel wel op die ene en niet op die andere tumor? Met die kennis zou je patiënten de toxische bijwerkingen kunnen besparen van een middel dat toch geen effect heeft op die specifieke tumor. We hebben alles uit de kast gehaald maar we weten het nog steeds niet. Daarom ben ik tegenwoordig sceptischer dan de meesten van mijn collega’s. Er is veel meer fundamenteel onderzoek nodig naar hoe een cel in detail in elkaar zit.’

Pis en nieren

Dat Piet Borst ooit arts zou worden, zat al ingebakken in het gezin waarin hij groot werd. Zijn vader – die tijdens de bezetting actief was in het verzet tegen de Duitsers en ‘als een skelet’ terugkeerde uit kamp Amersfoort – was hoogleraar interne geneeskunde. Zijn moeder had eigenlijk medicijnen willen studeren, maar koos voor de snellere opleiding tot tandarts. Aan tafel luisterde de kleine Piet naar de enthousiaste verhandelingen van zijn vader over ziektes, ‘tot mijn moeder vond dat we het onder het eten wel erg lang over pis en nieren hadden’.

Dat hij zelf dokter zou worden, was niet eens een voornemen maar een vanzelfsprekendheid. Net als hijzelf werd ook Els Eilers in huize Borst gestimuleerd om geneeskunde te gaan studeren. Zij was de beste middelbare-schoolvriendin van Piets oudere zus. ‘Ze kwam veel bij ons over de vloer, zelf was ze enig kind en wij waren met veel en ook nog heel medisch. Ze had een enorme bewondering voor mijn vader.’

Lees ookEls Borst (1932-2014): 'Je krijgt je straatje toch niet aangeharkt, dus wees een beetje praktisch'11 februari 1995

Toen ze trouwde met zijn broer werd ze echt familie. Na een loopbaan als arts werd Els Borst ziekenhuisdirecteur, hoogleraar en minister van Volksgezondheid in de kabinetten-Kok. ‘Haar schokkende dood, vier jaar geleden, was natuurlijk een grote klap,’ zegt Piet Borst. ‘We konden het goed met elkaar vinden, Els was een heel aardige, competente, intelligente en geestige vrouw.’

Tijdens zijn studie geneeskunde overwoog hij om zich te specialiseren tot psychiater – maar dat was vóór zijn co-schap psychiatrie bij de beroemde psychiater Andries van Dantzig. ‘Er zijn maar weinig vakken zo fascinerend, maar anders dan nu waren er in die tijd weinig gevalideerde psychotherapeutische methoden. Je moest het hebben van een krachtig geloof en dat ontbrak bij mij ten ene male. Van Dantzig zei met het nodige aplomb wat iemand mankeerde en vervolgens hoe hij het ging oplossen en ik vroeg dan: maar hoe wéét u dat? Hij bezat die zekerheid en ik kon dat niet overnemen. Ik heb een hardere ondergrond nodig om te kunnen staan.’

Na zijn artsexamen koos hij eerst voor endocrinologie, maar een start als docent en onderzoeker in de biochemie bleek toch aantrekkelijker. ‘Ik had altijd al de neiging om dingen tot op de bodem uit te zoeken. Als co-assistent had ik net wat meer aandacht voor die ene patiënt met een bijzondere aandoening waarvoor niemand een oplossing wist, dan voor alle anderen.’

Piet Borst
Hugo’s kwaadaardigheid

Als corpslid stond Piet Borst tijdens zijn studie vaak op het toneel en werd hij bovendien redacteur van het satirische studentenblad Propria Cures. In PC schreef Borst, opgegroeid in een atheïstisch gezin, kritische stukken over religie. ‘Ik ben nu milder dan toen. De wetenschap heeft de basis van veel religie sterk ondergraven en er is geen biologische grondslag voor zoiets als geloven. Maar dat je overneemt wat je ouders je op jonge leeftijd hebben geleerd, heeft een sterke en nuttige biologische basis. Daar hebben religies altijd slim gebruik van gemaakt.’

In de Propria Cures-redactie van die jaren zaten ook de latere Vrij Nederland-columniste Renate Rubinstein (Tamar), Aad Nuis die dichter werd en staatssecretaris, de latere hoogleraar sociologie Joop Goudsblom en Jan Eijkelboom, die journalist, dichter en vertaler zou worden. ‘Het was een illuster gezelschap en Renate was er de spil van, het stralende middelpunt. Ze had een groot vermogen om over elk onderwerp rake en originele observaties te presenteren. Ze was heel enthousiast over dat blaadje en ze smeedde de redactie echt samen tot een club.’

Een van de opvolgers van Borst als PC-redacteur was Hugo Brandt Corstius, die na enige tijd een liefdesrelatie met Renate Rubinstein begon en haar het leven ten slotte nogal zuur maakte. Zowel de biograaf van Hugo Brandt Corstius als die van Renate Rubinstein klopte aan bij Piet Borst. ‘Ik heb ze allebei verteld dat ik dichter bij Renate stond en dat ik een ambivalente houding had ten opzichte van Hugo. Hij was zonder twijfel een van de meest briljante mensen die ik heb gekend, maar hij had ook een demonische kant. Hugo en Renate hebben op een gegeven moment mijn Volkswagen Kever geleend en zijn afgereisd naar Frankrijk voor een vakantie samen. Maar het ging onderweg niet goed tussen die twee, Renate schrok van Hugo’s kwaadaardigheid en schreef dat van zich af in een serie brisante blauwe luchtpostbrieven aan mij. Die zijn helaas bij een verhuizing zoekgeraakt.’

De maakbare mens

Borst ‘schaamt zich een beetje’ dat hij zijn collega-wetenschapper Wouter Buikhuisen niet verdedigde toen Hugo Brandt Corstius later in Vrij Nederland onder het pseudoniem Piet Grijs tekeerging tegen die criminoloog. Buikhuisen wilde de oorzaken van crimineel gedrag bij jongeren onderzoeken door naar biologische factoren te kijken. Grijs noemde Buikhuisen, onder veel meer, een ‘levensgevaarlijke gek’, een ‘vijand van de democratie’ en een ‘hoerige wetenschapper’. Hij had voor Buikhuisen moeten opkomen, in naam van de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek, vindt Piet Borst nu. ‘Hij was zijn tijd vooruit maar had het ongeluk dat hij genadeloze critici trof die hem doelbewust de grond in boorden. Achteraf gezien was zijn onderzoek een eerste stap op de weg die de psychologie later is ingeslagen.’

Lees ookLees ook dit interview met Wouter Buikhuisen uit 20159 september 2015

Uit eigen ervaring weet hij hoe sterk onze eigenschappen worden bepaald door erfelijke aanleg. ‘Toen ik onderzoek deed naar aangeboren stoornissen heb ik gemerkt dat één nucleotide die verkeerd zit in die twee meter DNA, gigantische gevolgen kan hebben.’

‘Excessieve inkomstenverschillen komen voort uit biologisch toeval en zijn dus niet gerechtvaardigd.’

Bij de ‘Buikhuisense Oorlogen’ speelde de marxistische mythe van de maakbare mens een rol, zegt Borst. ‘Die maakbaarheid is echt een illusie gebleken, veel is gedetermineerd. Het is nu eenmaal zo dat ons DNA in hoge mate bepaalt hoe we ons ontplooien. Dat schept een vorm van ongelijkheid waar wij als hoogontwikkelde, complexe maatschappij steeds meer mee te maken krijgen. De tijd dat je met een IQ van 90 met een simpele baan een gelukkig leven kon leiden, is voorbij. Ons sociale vangnet is daarom meer dan ooit nodig.’

Biologen zouden dan ook meer moeten benadrukken dat succes maar ten dele een eigen verdienste is, vindt Borst. ‘Die zogenaamde hardwerkende Nederlander van de VVD heeft wel de fijne genen en bijbehorende opvoeding van zijn ouders meegekregen en tsja, een koud kunstje om dan succes te hebben. Excessieve inkomstenverschillen komen voort uit biologisch toeval en zijn dus niet gerechtvaardigd. Het is verontrustend en schadelijk dat de maatschappelijke verschillen op die manier vergroot worden. Dat werkt de opkomst van populisme in de hand.’

Alles is toetsbaar

Behalve de man die het onderzoek van het Antoni van Leeuwenhoek op de kaart hielp te zetten, is Piet Borst de leermeester en de mentor van meerdere generaties onderzoekers. ‘Ik heb geluk gehad met de mensen die uit mijn lab komen: bijna de helft is heel succesvol in de wetenschap en de andere helft doet met plezier ander nuttig werk.’

Dat hij daarnaast ook een reeks ontdekkingen op zijn naam heeft, maakt hemzelf nog niet tot een briljante wetenschapper, vindt Borst. ‘Ik ben niet in de buurt gekomen van een Nobelprijs. Maar dat is niet erg, in mijn vak hoef je niet per se briljant te zijn, zoals in de literatuur. Je kunt heel ver komen met ijver en slimheid. Je hebt een aantal gegevens die onderling op geen enkele manier zijn te rijmen, daar lig je dan wakker van en daar maal je over door en heel soms valt het op zijn plaats. Dat bezorgt je een intense vreugde: yes, zo zit het. Vaak blijkt die vreugde later misplaatst, want dat is het schitterende van mijn vak, alles is toetsbaar. De eerste de beste student kan een proef doen die aantoont dat je er volkomen naast zat.’

Vooral Duitsland en Zwitserland halen briljante jonge Nederlandse onderzoekers weg, want daar wordt nog wel geïnvesteerd in onderzoek.

De kick van zo’n nieuw inzicht is een belangrijke drijfveer, maar het gaat er uiteindelijk om dat je per se wilt weten hoe dingen in elkaar zitten, zegt Borst. ‘Soms kom je daar achter door gewoon de voor de hand liggende volgende stap te zetten. Maar het mooiste is het als de stukjes van de puzzel plotseling op hun plaats vallen. Ik heb de mensen in mijn lab altijd opgevoed met het idee: als je gegevens hebt die keihard zijn en die steeds maar niet met elkaar kloppen, dan moet je niet stoppen en iets anders gaan doen. Nee, dan ben je juíst iets moois op het spoor. Omdat de verklaring voor die keiharde gegevens kennelijk niet voor de hand ligt en dus een nieuwe weg kan openen.’

Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek heeft in Nederland te weinig prioriteit en Borst waarschuwt zelfs voor een braindrain. ‘Het innovatieplatform Nederland Kennisland van Jan-Peter Balkenende is vaak belachelijk gemaakt, maar heeft toch interessante initiatieven in gang gezet. Nu die innovatie geruisloos van de politieke agenda is verdwenen, lijkt de grafiek van de overheidsinvesteringen in fundamenteel onderzoek op een gevaarlijke zwarte ski-afdaling: steil naar beneden. Er zijn natuurlijk persoonlijke subsidies, maar jonge onderzoekers moeten daarvoor meedoen aan de grote NWO-loterij. Iedereen schrijft en beoordeelt de hele dag aanvragen, terwijl de kans op succes tussen de tien en de vijftien procent schommelt. Vooral Duitsland en Zwitserland halen hier steeds vaker briljante jonge onderzoekers weg, want daar wordt nog wel geïnvesteerd in onderzoek.’

Therapie van de toekomst

In het Antoni van Leeuwenhoek houden veel artsen zich uitsluitend bezig met patiëntenzorg en staan onderzoekers alleen in het lab, maar ook de dubbelrol arts-onderzoeker komt veel voor. ‘We hebben hier een twinning systeem, waarbij een clinicus gekoppeld wordt aan een basale onderzoeker. Dat zorgt voor een maximale kennisoverdracht, er zijn veel kruisverbindingen tussen lab en kliniek.’

Als baas van een onderzoekscentrum en een ziekenhuis profiteerde Piet Borst van zijn eigen achtergrond als wetenschapper én arts. ‘Een zekere arrogantie valt artsen niet te ontzeggen. Zeker in een kankerinstituut zijn ze gewend dat er nogal naar hen wordt opgekeken. Het is vaak een kwestie van leven en dood en de patiënt heeft de neiging zich krampachtig vast te klampen aan zijn geneesheer.’

De chirurgie is, mede door toenemende specialisatie, nog altijd het krachtigste wapen tegen kanker, met radiotherapie op de tweede plaats.

Doordat hij een collega was, werd er beter naar hem geluisterd, zegt Borst. ‘Voor een topchirurg kon het lastig te verteren zijn dat een directeur tegen hem zei: je bent dan misschien wel een hele goede patiëntendokter, maar het onderzoek dat je doet is niet overtuigend, daar moesten we maar eens mee stoppen.’

De chirurgie is, mede door toenemende specialisatie, nog altijd het krachtigste wapen tegen kanker, met radiotherapie op de tweede plaats. ‘En voor bloedcelkanker en uitzaaiingen is er chemotherapie, maar de resultaten daarvan kunnen beter.’

Een recente hoopvolle ontwikkeling is de immunotherapie, waarin het NKI is blijven investeren, ondanks de scepsis van de medische wereld. ‘Heel lang werd gezegd: immunotherapie is de therapie van de toekomst en dat zal het ook altijd blijven,’ zegt Borst. ‘Maar samen met nieuwe vormen van doelgerichte chemotherapie gaat immunotherapie eraan bijdragen dat kanker stap voor stap wordt teruggedrongen. Die therapie maakt gebruik van het eigen afweersysteem – er zijn mensen met melanoom-uitzaaiingen over hun hele lichaam van wie artsen nu durven te fluisteren dat ze zijn genezen! Het wordt bij meer en meer tumoren toegepast, ook bij longkanker, alleen weten we nog niet precies waarom de een er wel baat bij heeft en de ander niet. Duidelijk is wel: hoe meer DNA-afwijkingen, bijvoorbeeld door de zon of door jarenlang roken, hoe groter de kans dat het afweersysteem ze herkent.’

De heilige graal van de oncologie

Essentieel voor kankerbehandeling is de concentratie van complexe zorg in gespecialiseerde centra, vindt Borst, en het nieuwe Prinses Máxima Centrum voor kinderoncologie is daar een goed voorbeeld van. ‘Kinderkanker komt gelukkig maar weinig voor en dan is het logisch om die patiënten op één plek in Nederland bijeen te brengen.’

Een ander recent voorbeeld is het prostaatkankercentrum voor de hele regio in het Antoni van Leeuwenhoek. ‘Hoewel prostaatkanker veel voorkomt, is de operatie technisch lastig. Dan blijkt dat ervaren chirurgen, die veel prostaatkankerpatiënten opereren, betere resultaten krijgen dan minder ervaren collega’s. Daar komt bij dat er een operatierobot bij gebruikt wordt, waarmee je ook moet leren omgaan.’

Door de tendens om complexe kankerzorg te concentreren is het Antoni van Leeuwenhoek de afgelopen jaren sterk gegroeid. Dat hoeft niet tot scheve gezichten te leiden, zegt Piet Borst. ‘Het Antoni is geen holle bolle Gijs die perifere ziekenhuizen leegeet. Als het complexe deel van de zorg hier is afgehandeld, gaan de patiënten weer terug naar de ziekenhuizen dicht bij huis.’

Een andere positieve ontwikkeling is volgens Borst in de vroegdiagnostiek. ‘Dat is altijd de heilge graal van de oncologie geweest, het opsporen van kanker in een zo vroeg mogelijk stadium. Tumoren zijn slordig, er sterven cellen, er lekt materiaal uit een tumor in de bloedbaan. Een bekend voorbeeld is het prostaat-specifieke antigeen (PSA), het eiwit dat vrijkomt bij prostaatkanker. Wereldwijd zijn veel onderzoekers bezig met pogingen om tumorcellen of DNA dat uit tumoren lekt uit de bloedbaan te vissen – soms gaat het dan om maar één op de 100 miljoen cellen. Dat is een fantastische ontwikkeling en omdat de technologie alleen maar beter wordt, valt daar in de komende jaren veel te winnen.’

Piet Borst

DNA-analyse is nu al mogelijk met een klein apparaatje, vertelt Borst. ‘Zo’n MinION is in Afrika al in het veld gebruikt om bloedmonsters van ebolapatiënten te analyseren op ebola-DNA. Je stopt er een bloedmonstertje in en de gegevens worden via de cloud naar een centraal lab gestuurd dat de gegevens analyseert en de analyse terugstuurt. Misschien ben ik erg optimistisch, maar ik denk dat die technologie binnen afzienbare tijd onderdeel is van elke huisartsenpraktijk. Die DNA-analyse is belangrijk om na te gaan welke kwade kansen iemand loopt maar ook om te voorspellen hoe iemand zal reageren op een geneesmiddel.’

‘De zorg zal door de snelle ontwikkelingen steeds meer gaan kosten en dat moeten we als beschaafde samenleving gewoon willen opbrengen.’

Om medicijnen betaalbaar te houden en de ontwikkeltermijn te verkorten, werd in het AMC maar ook in het Antoni van Leeuwenhoek recent geëxperimenteerd met het in eigen huis produceren van medicijnen. ‘Dat is een waardevolle speldenprik en een goed schot voor de boeg van de farmaceutische industrie,’ zegt Borst. ‘Zo vestig je de aandacht op de excessieve prijsvorming van medicijnen, maar de farmaceutische industrie blijft onmisbaar. De zorg zal door de snelle ontwikkelingen steeds meer gaan kosten en dat moeten we als beschaafde samenleving gewoon willen opbrengen.’

Borst ziet nadelen aan het systeem van het quality-adjusted life year (QALY) dat bepaalt hoeveel de verlenging van iemands leven maximaal mag kosten. ‘Met zo’n systeem stimuleer je een tweedeling in de zorg, een geneeskunde voor arm en voor rijk. Mensen met geld kunnen dan via betere verzekeringen of privéklinieken de zorg kopen die de lagere sociale klassen onthouden wordt.’ Borst verwacht meer van beter onderhandelen met de farmaceutische industrie. ‘We moeten gebruikmaken van de onderhandelingskracht van Europa, een markt van meer dan vijfhonderd miljoen mensen,’ zegt hij. ‘Het probleem is alleen dat Duitsland en Frankrijk hun eigen grote farmaceutische industrieën willen beschermen.’

Meewerkend voorman

Toen hij nog directeur was van het NKI-AVL, leidde Piet Borst naast zijn managementtaken ook altijd een eigen lab en begeleidde hij promovendi en postdocs, vanuit de gedachte dat het goed is als een instelling wordt geleid door mensen die ook actief zijn in hun vak. ‘Als mensen alleen maar leidinggeven, gaan ze allicht denken dat besturen iets heel gewichtigs en ingewikkelds is. Maar als je tijdens vergaderingen op het puntje van je stoel zit om terug te rennen naar je lab, wordt er vanzelf economisch vergaderd. Zo is dit instituut ingericht, als een uiterst platte organisatie, volgens het model van de meewerkend voorman. Alle mensen die beslissingsbevoegdheid hebben, runnen ook een lab of zijn betrokken bij patiëntenzorg. Dat maakt het tot een efficiënt en weinig bureaucratisch bedrijf.’

Tegenwoordig heeft hij nog wel een kamer in het AVL, maar niet langer een lab. Het is gegaan zoals hij in een Vrij Nederland-interview van tweeënveertig jaar geleden al voorspelde: old physiologists never die, they just lose their grants. ‘Dat is precies wat mijzelf uiteindelijk is overkomen. Op mijn 65ste, toen ik aftrad als directeur, keerde ik voor mijn volledige werktijd terug naar het lab en werd weer gewoon staflid. Ik had enorm geluk: we deden ontdekkingen, we werden streng gevisiteerd en telkens voldoende bevonden. Op zeker moment, terwijl het in mijn ogen nog best goed ging, raakte ik ten slotte toch mijn subsidies kwijt.

Gelukkig gaan de onderzoeken die ik in gang heb gezet door en ben ik er nog als adviseur aan verbonden. Oud worden heeft vooral veel nadelen, maar het voordeel is – behalve dat ik mijn drie kinderen en zeven kleinkinderen kan zien opgroeien – dat ik mijn leerlingen zinvolle dingen zie doen in de wetenschap. En dat ik getuige kan zijn van hoopvolle ontwikkelingen.

Het NKI-AVL gaat er vanuit dat kanker vóór 2035 voor negentig procent te genezen zal zijn. ‘Er is de jaarlijkse vooruitgang van 1 à 2 procent, maar daarnaast neemt onze kennis sprongsgewijs toe.’

Want die zijn er dus wel degelijk: doelgerichte chemo op basis van kennis van de tumor, de immunotherapie die aan het begin van zijn ontwikkeling staat, maar ook de moleculaire diagnostiek, de technologische ontwikkeling op het gebied van DNA, en niet te vergeten de bio-informatica die het mogelijk maakt om conclusies te trekken uit de enorme hoeveelheid nieuwe informatie.

Borst begrijpt wel waarom ‘dit huis’, zoals hij het NKI-AVL noemt, er tegenwoordig vanuit gaat dat kanker vóór 2035 voor negentig procent te genezen zal zijn of in ieder geval zal zijn beperkt tot een chronische aandoening. ‘Er is de jaarlijkse vooruitgang van 1 à 2 procent die je kunt doortrekken, maar daarnaast neemt onze kennis sprongsgewijs toe. En daarmee ook ons vermogen om de zwakke plekken bloot te leggen van die fascinerende, kwaadaardige ziekte.’

Ondanks die ‘gigantische ontwikkelingen’, die volgens Piet Borst zelfs nog worden onderschat, waagt hij zich niet aan een nieuwe voorspelling over de termijn waarop kanker te genezen zal zijn. Nee, zelfs niet als hij daarmee ook deze keer de voorpagina zou halen. ‘Dat zou niet slim zijn op mijn leeftijd – straks kom je over twintig jaar weer verhaal halen.’