Peter R. de Vries is donderdag 15 juli op 64-jarige leeftijd overleden na de aanslag op zijn leven op 6 juli in Amsterdam. In mei spraken we nog uitvoerig met de vermaarde journalist. ‘Ik heb van weinig dingen spijt.’

Peter R. de Vries zit aan de telefoon achter een joekel van een bureau in zijn ruim bemeten werkkamer in Amsterdam-Zuidoost. Zijn karakteristieke stem, in de beginstand al een beetje streng, klinkt bars: ‘Als jullie er nu nog niets mee gaan doen, gooi ik het deze week bij Boulevard in de uitzending. Dit kan zo niet langer.’

Hij hangt op en gebaart met een terughoudend glimlachje dat ik mag doorlopen tot de stoel aan de andere kant van het bureau.

Rechts van hem wordt de muur in beslag genomen door een zwarte open kast waarin tientallen dossiermappen in dichte rijen staan. Op een glazen schap tussen de dossiers staan een heleboel mediaprijzen, waaronder de goudglimmende Emmy Award die hij in 2008 won voor de wereldberoemde aflevering van zijn misdaadprogramma Peter R. de Vries, misdaadverslaggever, waarin Joran van der Sloot aan een undercoverinformant bekent dat hij betrokken was bij de verdwijning van het Amerikaanse schoolmeisje Natalee Holloway.

Advertentie

Advertentie

Aan de overkant van de kamer bieden grote ramen uitzicht op de Johan Cruijff ArenA, waar hij – tot de intrede van de coronapandemie – geen wedstrijd miste.

Op de vensterbank staat een ingelijst portret van een andere bevlogen Ajaxsupporter: de vermoorde crimineel Cor van Hout, met wie De Vries innig bevriend raakte na het schrijven van zijn bestseller over de Heinekenontvoering. Voor een bundel over bijzondere vriendschappen schreef hij zelfs een verhaal over de man die hij zag als zijn beste vriend: De ontvoerder en de journalist.

In de kamer ernaast zit zoon Royce te werken. Hij heeft in dit gebouw samen met vier partners het advocatenkantoor De Vries & Kasem Advocaten. Peter R. de Vries, zelf formeel geen meester in de rechten, was tot voor kort directeur van dat kantoor. ‘Dat groeide zo omdat zeker in het begin veel cliënten bij het kantoor terechtkwamen door hun hulpvragen aan mij. In de praktijk zat ik dan toch al bij de gesprekken. Ik had de directeurspositie drie jaar en dat werkte heel leuk. Met bloedend hart moest ik het opgeven omdat ik Nabil B., de kroongetuige in het Marengo-proces, ging bijstaan. Als vertrouwenspersoon, naast zijn advocaten. Uit veiligheidsoverwegingen leek het ons verstandig mijn band met het kantoor te ontvlechten.’

Hij grijnst: ‘Nu ben ik hier alleen nog huurder. Tot mijn spijt heb ik niets meer te vertellen.’

Vindt u het eng betrokken te zijn bij het proces tegen Ridouan Taghi, in Nederland misschien wel de meest meedogenloze crimineel van de laatste tien jaar?

‘Ik ben niet bang aangelegd, maar de broer van Nabil en zijn vroegere advocaat zijn vermoord, dus je hoeft niet hysterisch te zijn om te denken dat er best iets zou kunnen gebeuren. Dat is part of the job. Een misdaadverslaggever die op echt spannende momenten aan komt zetten met “nu wordt het mij iets té intens” kan beter bij Libelle gaan werken.’

Peter R de Vries

Maar dit is geen misdaadverslaggeving, u bent er veel dichter bovenop gaan zitten, als vertrouwenspersoon.

‘Het een vloeit voort uit het ander. Nabil heeft mij in eerste instantie om hulp gevraagd – een smeekbede eigenlijk – vanwege mijn reputatie als misdaadverslaggever. Hij heeft vertrouwen in mijn integriteit, onafhankelijkheid en in de mix van een aantal kwaliteiten die ik in me heb: ik weet hoe de opsporing werkt, hoe politie, justitie en de advocatuur opereren, daar ken ik ook iedereen, en, niet onbelangrijk, ik weet hoe de media werken. Dat zijn allemaal dingen waarover hij de nodige onzekerheden en vragen heeft, geïsoleerd achter de tralies in het lastige parket van kroongetuige.

Als ik hem “nee” had verkocht, zou ik mezelf niet meer goed in de spiegel kunnen aankijken. Ik neem politie en justitie vaak de maat – zoals net nog in dat telefoongesprek. Dat zou ik niet kunnen doen als ik zelf terugdeins voor hulpvragen, ook als die risico’s met zich meebrengen.’

‘De politie is inmiddels een organisatie waarin het gros van de mensen 32 uur of nog minder werkt. Voor de continuïteit in politiezaken is het een ramp, dat parttime werken.’

Waar ging dat telefoongesprek over?

‘Over een inbraak bij een bedrijf. Er hangen daar goede camera’s en er zijn dus haarscherpe beelden van de daders, en zelfs van het kentekennummer van de vluchtauto. De mensen van dat bedrijf hebben aangifte gedaan met al die gegevens. De politie krijgt het echt op een presenteerblaadje aangeboden, mooier kan niet. Ze hoeven die gasten bij wijze van spreken alleen op te halen. Ik zit de politie al weken achter de broek over deze zaak. Steeds beloven ze het slachtoffer en nu ook mij dat ze er werk van gaan maken, en steeds doen ze het niet. Ik heb best wat geduld, maar als het op is, merken mensen dat. Ik doe namelijk wél graag wat ik beloof.’

Schuift u zo vaak aan bij talkshows om uw mediapositie te kunnen inzetten als pressiemiddel, zoals u net deed aan de telefoon?

‘Dat is niet mijn drijfveer, maar het versterkt natuurlijk wel mijn positie van luis in de pels van politie en justitie – en zo zie ik het graag. Het irriteert me enorm als gewone mensen machteloos worden gemaakt door ze eindeloos het bos in te sturen met loze beloftes en onverschilligheid over ernstige zaken die gedegen aandacht verdienen. Dát is mijn drijfveer. En waar nodig zal ik met alle middelen die ik tot mijn beschikking heb de politie te kennen geven dat het allemaal knudde is.’

Gaat het zo beroerd daar?

‘Van de politie heb ik helaas niet zo’n hoge pet meer op, nee. Het is inmiddels een organisatie waarin het gros van de mensen 32 uur of nog minder werkt. Dat heb ik op woensdagochtend al achter de rug. Voor de continuïteit in politiezaken is het een ramp, dat parttime werken. Als je er maar drie dagen per week bent, gaat er veel langs je heen en voel je je nergens echt verantwoordelijk voor. Daar is de burger het slachtoffer van, zie ik elke ochtend in mijn mailbox.

Bij Justitie is het van hetzelfde laken een pak. Tijdens rechtszittingen heb ik vaak gemerkt dat ik de enige ben die daadwerkelijk naar de plaats delict is geweest en daardoor bijvoorbeeld weet dat wat een getuige beweert helemaal niet kan. En dan staan de officier en de advocaat met een plattegrond en foto’s bij de rechter, die er ook niet is geweest, en ontstaat er een babylonische spraakverwarring waarvan ik denk: jongens toch, wat een potje.

Het grappige is ook dat mijn bekendheid me vaak voordelen oplevert op zo’n plek. Ook bij cold cases. Als ik er rondloop, is er altijd iemand die zijn hond uitlaat en zegt: meneer De Vries? U bent hier zeker voor die oude moordzaak? Ik snap niet dat ze die nooit hebben opgelost want mijn buurvrouw heeft die avond nog dit of dat gezien. Ze heeft toen de politie nog gebeld, ze zouden langskomen maar dat is nooit gebeurd. Echt al ontelbare keren meegemaakt, in allerlei varianten, de afgelopen veertig jaar.’

Steun en toeverlaat

Zijn telefoon gaat. Het is de kroongetuige. De Vries vraagt of het dringend is. Ze spreken af aan het einde van de dag te bellen. ‘Oké jongen, tot later, hou je goed.’

Is de rol van vertrouwenspersoon − zoals van Nabil B. − nieuw voor u? En heeft dat dan ook te maken met een zekere older and wiser-status?

‘Het is zeker een resultaat van mijn veertig jaar ervaring, maar het is niet nieuw voor me. Jaren geleden was ik al de vertrouwenspersoon van de zussen Holleeder, van de familie van Nicky Verstappen, de familie Vaatstra, de twee van Putten, de familie Wiegmink. Nou ja, in tientallen moordzaken en andere onopgeloste ernstige kwesties ben ik voor talloze betrokkenen steun en toeverlaat, in die zin dat ik namens hen contact onderhoud met politie en justitie, en dat zij hun zorgen bij mij kunnen neerleggen. Mensen vertellen makkelijk dingen aan mij, maar het gaat niet vanzelf, natuurlijk. Ik heb onderweg moeten bewijzen dat ik hun vertrouwen waard ben, door nooit zomaar wat te roepen. Daarmee neemt ook het gemak toe waarmee ze zich aan mij blootgeven, en vervolgens de vraag. Ik merk steeds vaker dat ze bij van alles denken: laten we Peter maar even bellen.’

U wordt gaandeweg ook geconsulteerd over een testament, schoolkeuze of de hypotheekherziening?

‘Naarmate we elkaar langer kennen, word ik ook een beetje in het persoonlijke leven getrokken, ja. Om een voorbeeld te noemen: Berthie en Peetje Verstappen zijn integere, ontzettend lieve mensen op wie ik de afgelopen 22 jaar zeer gesteld ben geraakt. Dat staat inmiddels ook los van de zaak-Nicky.

‘Het zou stuitend zijn als iemand mij om hulp vraagt en ik dat negeer.’

Als we praten over hoe het gaat, beslaat dat hun hele leven. Peetje is arbeidsongeschikt geraakt door de ellende. Natuurlijk blijft me dat bezighouden. Als ik zie dat hij vermagert, vraag ik Berthie of hij wel goed eet. Hun dochter leerde ik kennen als klein meisje dat haar broertje verloor, nu is het een volwassen vrouw die zelf moeder is. Hoe het haar vergaat in het leven interesseert me ook.’

Gaat het één kant op?

Afgemeten: ‘Zij weten ook dingen over mijn privéleven waar ze naar vragen.’

Mensen die zich gemangeld voelen

Volgens zijn vriend Peter Schouten, advocaat van de kroongetuige, ontvangt De Vries meer dan honderd hulpvragen van burgers per dag. Hij beantwoordt ze allemaal zelf, zegt hij. ‘Ik lees altijd alles en ik heb nog nooit een brief gedelegeerd aan iemand anders. Het zou stuitend zijn als iemand mij om hulp vraagt en ik dat negeer.’

Gaan de meeste hulpvragen over strafrechtelijke kwesties?

‘Vaak wel, of op de rand ervan. Maar ik krijg ook veel vragen over GGZ en Jeugdzorg. In elk geval zijn het vrijwel altijd mensen die zich gemangeld voelen: genegeerde slachtoffers van ernstige misdrijven, gedetineerden die zich slecht behandeld voelen, onschuldig veroordeelden, heftige burenconflicten, nare stalking-gevallen waar de politie niets of te weinig aan doet. Ik zat toevallig net voor jij kwam een mailtje van vier pagina’s te lezen van een mevrouw die schrijft…’

Hij pakt het uitgeprinte bericht erbij. Met een roze markeerstift heeft hij verschillende passages aangestipt. Hij leest een stukje voor, zonder een naam te noemen:

‘Goedemiddag, ik ben die en die van rond de dertig. Elf jaar geleden kreeg ik een relatie met mijn ex-partner. Tussen haakjes: narcist. Vanaf het begin was het een destructieve relatie met veel manipulatie, intimidatie en agressie. Mijn ex-partner dwong mij mijn lichaam te verkopen. Ik kon mezelf nog niet verweren.

Nou ja en dan komt er een heel verhaal met wat er allemaal is gebeurd en dat de politie ondanks aangiftes niets heeft gedaan. En dan eindigt ze met: ik word niet gehoord, terwijl ik duidelijk spreek. U bent mijn laatste hoop.’

Hij maakt een net stapeltje van de papieren en legt het opzij.

Hoe voelt het om onophoudelijk om hulp te worden gevraagd, vaak gesmeekt, door verdrietige en wanhopige mensen?

‘Ik ben daar emotioneel goed tegen bestand, maar het vergt veel. Om het te kunnen hanteren, moet ik een zeer gedisciplineerd leven leiden met lange werkdagen. Als ik drie dagen niets doe, verzuip ik in mijn mailbox. Het is een levensstijl geworden, meer dan een baan. Het klinkt misschien aanmatigend of arrogant, maar langzamerhand moet je constateren dat ik Peter R. de Vries ben geworden.’

Niet de man Peter Rudolf De Vries maar het Robin Hood for life-achtige instituut Peter R. De Vries?

‘De laatste heeft bezitgenomen van de eerste. Ik ben mijn eigen slavendrijver. Maar ik doe het graag.’

De consequente vermelding van die R, hoe heeft u dat eigenlijk voor elkaar gekregen?

‘Haha. Dat is de beste marketingvondst ooit: het heeft niets gekost en het rendement is enorm. Toen ik als jonge verslaggever van 27 begon bij De Telegraaf stond er gewoon Peter de Vries boven mijn stukken. Maar er was nog een journalist in Nederland die zo heette. Niet zo gek, natuurlijk, want het is een naam van dertien in een dozijn met nul onderscheidend vermogen. Dat beviel me slecht, dus ik dacht: ik zet die R ertussen. Op de redactie vond iedereen dat maar uitsloverij. In het begin ging ik niet naar huis voor de krant gezakt was om in de gaten te houden dat niemand hem wegpoetste. Na een tijdje was het een feit en in de loop der jaren kreeg het een enorme vlucht. Alles en iedereen zegt nu die R erbij, van de voorzitter van de rechtbank tot de schilders die hier beneden bezig zijn. Ik ben de enige die het niet doet.’

Terug naar uw levensstijl als eigen slavendrijver. Trekt u die wel eens in twijfel? Vanuit de gedachte: als ik straks tegen het einde loop en terugkijk, is dit dan wie ik wilde zijn?

‘Zeker. Dat is een dagelijkse twijfel. Een spanningsveld. Ik ben me er zeer van bewust dat als ik het één goed doe, ik iets anders moet laten. Mijn keuzes geven niet louter voldoening. Mensen die er van de buitenkant tegenaan kijken, denken vaak: die man leidt een spannend leven. Hij is succesvol, beroemd, vaak op televisie. Alsof dat één groot feest is. Ik weet altijd wat ik kan verwachten na een uitzending waarin ik stelling neem. Als ik thuiskom, zit mijn mailbox al vol met ellende. Vaak van dezelfde figuren. Dat je denkt: o, die weer.

‘Het verwijt van “alles voor de kijkcijfers” is wel wrang. Zeker als het komt van types van wie je denkt: zo, en wat heb jij ooit voor een ander gedaan?’

Inmiddels valt het wel mee, maar ik heb ook genoeg tijden gehad waarin mensen mij dingen toedichtten waarvan ik dacht: hoe kom je erbij? Dat vind ik de moeilijke kant van roem. “Hij doet alles voor de kijkcijfers” is zo’n makkelijk verwijt dat ik tig keer naar mijn hoofd heb gekregen. Ja hoor, voor de kijkcijfers heb ik 44 uitzendingen gewijd aan de Puttense moordzaak. Geloof je het echt?

Of Petertje Oort, het jongetje van tien dat in 1982 werd vermoord in Purmerend. De eerste kindermoordzaak waar ik achteraanging, en nog ga. Nu zijn beide ouders dood, maar met zijn moeder heb ik 35 jaar intensief contact gehad. Daar weet niemand iets van, want die contacten spelen zich buiten beeld af. Zo zijn er nog een aantal. Niemand hoeft het ook te zien, liever niet, maar het verwijt van “alles voor de kijkcijfers” is dan wel wrang. Zeker als het komt van types van wie je denkt: zo, en wat heb jij ooit voor een ander gedaan?’

Peter R de Vries

Uw vriend Peter Schouten zei: ik zou het hem gunnen iets meer te dromen.

‘Sommige dingen komen in het gedrang. Dat realiseer ik me terdege. Maar ik zie niet hoe het anders kan. Niet meer. Als ik tien jaar aan een cold case heb gewerkt, al die jaren de familie heb gesteund, en er komt dan op zondagochtend een telefoontje dat er een ontknoping is, dan kan ik natuurlijk niet zeggen: ja, die zaak gaat me enorm aan het hart, maar nu even niet want ik sta net croissants te bakken.’

Dat moet wel impact hebben op uw huwelijksleven.

‘Ik ben gescheiden, acht jaar geleden.’

Echt? Helemaal gemist. Ik moet vaker naar Boulevard kijken. Heeft u dat daar zelf ter sprake gebracht?

‘Nee, ben je mal. Daar ben ik niet van. Ik zorg ervoor dat ik buiten het roddelbladencircuit blijf en ik ga nooit naar premières of andere rodeloperparty’s.’

Bent u nu alleen?

‘Ik woon alleen.’

U heeft wel liefde in uw leven?

‘Jazeker, ik heb een partner van wie ik veel houd. En mijn ex-vrouw en ik zijn nog steeds goed met elkaar. Na een lang huwelijk zijn we op een zeker moment ieder onze weg gegaan. Daar heeft mijn harde werken natuurlijk wel iets mee te maken, maar ik wil niet zeggen: daardoor komt het.’

Jullie hebben inmiddels ook twee kleinkinderen. Royce zei daarover: als ik iets kan bedenken dat mijn vader moeilijk vindt, is het misschien ouder worden.

‘Dat klopt. Ik ben een sportman, erg fysiek ingesteld. Dat wordt natuurlijk minder naarmate je ouder wordt. Ik vind het ook niet leuk als ik opa word genoemd. Gelukkig zijn ze daar nu nog te klein voor, maar mensen eromheen doen het wel: “Kijk eens, daar komt opa binnen!” Dan denk ik: o my god.’

Een aantal jaar geleden publiceerde u De R van rebel. Van kruimeldief tot crimefighter, een met droge humor geschreven boek over uw jaren als stout jongetje. Waarom wilde u die zelfrelativering aan ons meegeven?

‘Om de boodschap aan het eind. Ik weet niet meer precies hoe ik het heb geformuleerd, het is iets van: een beladen verleden kan nog best tot een aardige toekomst leiden. In mijn jeugd ging het niet van een leien dakje. Wat komt er van Petertje terecht, die vraag was echt wel aan de orde tot ik een jaar of zestien was.’

‘Ik heb over heel weinig dingen spijt. Omdat ik weloverwogen beslissingen neem.’

U gooide de ruiten van een klaslokaal in, stal geld uit de huishoudportemonnee, pleegde winkeldiefstalletjes, haalde kratten weg aan de achterkant van de supermarkt om er aan de voorzijde statiegeld voor te krijgen. Stelt allemaal niet zoveel voor, maar helemaal gangbaar is het ook weer niet. En het ging u, qua moreel kompas, makkelijk af.

‘Het geld voor zendingswerk dat ik vond in een potje in de la van een leerkracht heb ik laten zitten, hè, vergeet dat niet. Maar inderdaad, ik voelde nooit spijt. Wel irritatie als ik werd betrapt. Balen, nou komen mijn ouders erachter en dan zwaait er wat. Letterlijk. Mijn moeder sloeg wel. Een ander boek van mij is Alleen huilebalken hebben spijt. Dat is een uitspraak van Cor. Hij zei het toen ik hem vroeg of hij spijt had van de ontvoering van Freddy Heineken. Ik vind het een terechte constatering: je hebt iets willens en wetens gedaan, door erover na te denken en een knoop door te hakken. Dan moet je ervoor staan ook.’

Je kunt toch van gedachten veranderen? Of je later realiseren dat bij willens en wetens toch nogal wat andere dingen meespeelden.

‘Ja, dat kan. Maar zo was Cor niet. Hij was een boef en dat gaf hij toe. Hij had geen spijt van de ontvoering en van andere dingen die hij heeft gedaan. Zo ben ik zelf eigenlijk ook. Ik heb over heel weinig dingen spijt. Omdat ik weloverwogen beslissingen neem. Het kan een keer verkeerd uitpakken, en dat kun je vervelend vinden, maar dat is iets anders dan spijt.’

Wat was voor u zo bijzonder aan die vriendschap met Cor van Hout dat hij hier op de vensterbank mag staan?

‘Cor had me altijd door. Ik vond het prettig door hem zo goed gezien te worden. Het maakte mij openhartiger dan ik doorgaans ben. Ook wel eens fijn. Althans, bij Cor vond ik dat fijn. Ik vond hem heel bijzonder. We hadden bijzondere gesprekken, en we hebben ook heel veel gelachen.

Peter R de Vries

Als kind was u binnen het gezin best eenzaam – althans, zo komt het over in De R van rebel.

‘Ik voerde een eenzame strijd als kind. We waren met zes kinderen thuis, maar ik was de enige die zich verzette tegen de kerkgang, openlijk en onophoudelijk. Ik zie nog voor me dat ik als mannetje van negen of tien tegen mijn gereformeerde moeder met wie ik slecht contact had, zei: ik geloof het gewoon niet, het kan niet waar zijn, al die verhalen. Ik vond het allemaal totale onzin.’

Toen al een intrinsieke fact finder?

‘Eerst zien, dan geloven. Zo ben ik altijd geweest. Ik ga niet af op wat iemand zegt over een ander. Ook bij hulpvragers. Zo’n mevrouw wier mail ik net voorlas uit heftige beschuldigingen. Zo’n brief beantwoord ik eerst met tien vragen.’

Hoe mensen zich gedragen, oogopslag, lichaamshouding, stemgebruik, is dat iets waar u op afgaat?

‘Nee. Ik ben instinctief maar ik waak ervoor, of laat ik het zo zeggen, ik verafschuw mensen die zeggen: ik voel het aan mijn water. Ik heb in gerechtelijke dwalingzaken duizenden fouten gevonden die gemaakt zijn omdat mensen “iets aan hun water voelden”, en daarop voortborduurden. Ik zeg altijd: intuïtie werkt alleen als je ook kennis en ervaring hebt.’

Over die kennis. Nooit gedacht: ik moet toch rechten gaan studeren – dan weet ik het nog beter?

‘Ik heb het wel eens overwogen. Zeker als directeur van een advocatenkantoor was het best handig geweest. Maar weet je, ik heb zoveel dossiers, vonnissen, dagvaardingen, proces-verbalen, verhoorverslagen en sommatiebrieven onder ogen gehad dat ik durf te zeggen dat ze mij in een collegezaal van de UvA tussen twintigjarigen weinig kunnen bijbrengen dat ik niet al weet.

Laatst hadden wij een zaak over de kroongetuige tegen Pels Rijcken, de landsadvocaat. Die man kwam aanzetten met: ja maar, de heer De Vries is geen rechtshulpprofessional. In mijn repliek, want ik nam natuurlijk ook het woord in de rechtszaal, zei ik: edelachtbare, vooralsnog heb ik in mijn leven meer rechtszittingen bijgewoond dan hij als advocaat, en hij zal nog erg zijn best moeten doen om dat in zijn carrière te evenaren. De rechtbank begon te lachen en ik mocht doorgaan met mijn verhaal.’

Wonnen jullie de zaak?

‘Bij de rechtbank hebben we gewonnen. Hij ligt nu in hoger beroep bij het hof.’

Peter Schouten vertelde dat jullie vroeger samen squash speelden. Van de twintig potjes won u er negentien. Die ene keer dat u verloor, zei u: dat is statistisch.

Hij kijkt licht verstoord. ‘Als ik iets doe, ook als het gaat om sport of spel, doe ik het om te winnen, ja, met overgave. Waarom begin je er anders aan? Iets half doen gaat me slecht af. Mensen vragen me vaak: hoe krijg je het toch voor elkaar, al die primeurs, scoops en oplossingen in de meest lastige zaken? Ze denken dat ik een geniaal brein heb, maar dat is helemaal niet zo. Het is vrij eenvoudig om te excelleren, antwoord ik dan. Doe wat je belooft, kom op tijd en zet een halve stap meer dan de rest. Dan loop je altijd voorop en word je al snel als briljant gezien.’

Hoe is uw mensbeeld er inmiddels aan toe, na bijna veertig jaar misdaadverslaggeving en aanverwante zaken?

‘Ik ben er geen moraalridder of hardliner van geworden. De fout ingaan kan iedereen overkomen. Ik kan best gevoel opbrengen voor daders. Daar zijn veel gewone mensen bij die iets stoms hebben gedaan. Net zo goed zitten op de voorste bank van de kerk en bij goededoelenorganisaties zeer dubieuze figuren. Dus ja, mijn mensbeeld in het kort: niet iedereen die opgepakt wordt is slecht, en niet iedereen die vrolijk en vrij rondloopt is goed.’