Iliass el Hadioui, Lid van de Onderwijsraad, onderwijssocioloog en projectleider van professionaliseringsprogramma De Transformatieve School
‘Er is een belangrijk onderscheid tussen problemen van het onderwijs en problemen voor het onderwijs. Het eerste gaat over ongelijkheden in kansen die voortkomen uit het onderwijssysteem zelf. Daar heeft de Onderwijsraad een hervormingsadvies voor geschreven – over het probleem van de overgang van het basis- naar het voortgezet onderwijs. Dat is een zeer stressvolle situatie die kinderen, ouders en docenten allemaal als een definitief moment ervaren, waarbij het kind in een hokje wordt gezet. Terwijl de overlap in cognitieve vermogens van leerlingen op vmbo, havo en vwo immens is.
Ongelijkheden in de samenleving zullen er altijd zijn. Er zijn dan ook wetenschappers die zeggen: het onderwijs is een reflectie van de samenleving, dus laten we hier niet teveel stampij over maken. Anderen zeggen: veranderingen in de onderwijsstructuur kunnen de ongelijkheid wegnemen.
Ikzelf zit in het midden. Maak onderscheid tussen problemen “van” en “voor” het onderwijs, en kijk hoe we onrechtvaardigheden voor kinderen die komen door het systeem kunnen wegnemen. Zónder de naïviteit dat dit alles oplost in de samenleving. De dynamiek op de arbeidsmarkt en de vastgoedmarkt, de toenemende woonsegregatie en huwelijken tussen mensen uit dezelfde klassen brengen ongelijkheden voort die het onderwijsveld binnendringen maar die, omgekeerd, niet volledig vanuit dat veld kunnen worden weggenomen. En dan zijn er geërfde ongelijkheden, in biologische (intelligentie) of financiële zin, zoals via het erfrecht.
‘Mensen willen wel veranderen, maar niet veranderd worden.’
Het is goed om het selectiemoment uit te stellen. Maar echte verandering lukt alleen met krachtige docenten die voortdurend nieuwsgierig zijn naar de kinderen, hoge verwachtingen van ze hebben, vertrouwen hebben in hun eigen kunnen als team en genoeg tijd en ruimte hebben om met elkaar te reflecteren op het hogere doel voor hun leerlingen.
Dat is niet altijd vanzelfsprekend, heb ik de afgelopen vijftien jaar op ongeveer driehonderd scholen geobserveerd. Dat komt deels door de druk als gevolg van het lerarentekort, maar ook door de enorm vaak voorkomende reflex, die ik als docent ook zelf herken: “Voor mij werkte het systeem, dus dan zal het best goed zijn, toch?” Zo’n cultuurverandering is gelukkig zeker mogelijk, is mijn ervaring: als je je realiseert dat een gesprek tussen docenten gevoerd wordt door overwegend geprivilegieerden van het huidige systeem. En als je probeert los te komen van wat voor jou gewerkt heeft. Die bewustwording is essentieel en komt alleen als je docenten de ruimte biedt om zélf de alternatieven in te zien. Want mensen willen wel veranderen, maar niet veranderd worden.’
Anja Veelenturf , Directeur van vmbo-school Het Bindelmeer College (Amsterdam)
‘Hebben we het over economische gelijkheid of over kansengelijkheid op etnisch gebied? Laten we zeggen dat het een economisch vraagstuk is. Het onderwijs dat je volgt, speelt ook mee in de plek die je later in de maatschappij krijgt. Nu speelt de discussie over scholengemeenschappen, de oude middenschool van vroeger. Vergroot zo’n school de kansen van leerlingen? Voor de middelste groep leerlingen wel, maar voor de buitenkanten niet: voor leerlingen op gymnasiumniveau én op vmbo-basis- en -kaderniveau zal het hetzelfde blijven. We zien dat veel mensen niet tevreden zijn met het vmbo-basis/kaderniveau van hun kind, terwijl een kind er hartstikke gelukkig mee kan zijn en er op de juiste plek zit. Hoger is niet altijd beter. Maar om dat inzicht te laten landen, is er een grote maatschappelijke omslag nodig.
Omdat je niet goed kunt meten welke leerlingen door corona vertragingen hebben opgelopen en wie op het eigen niveau zit, wordt er dit jaar overgeadviseerd. Dus wat gebeurt er: leerlingen die eigenlijk bij basis/-kader thuishoren, zitten straks op een hoger niveau. Daar krijgen ze niet de specifieke ondersteuning die ze nodig hebben en zullen ze misschien vastlopen. Ik voorzie een probleem dat groter is dan de achterstanden die er nu zijn.
En er is op dit moment nog een ander probleem. Ik vind het treurig om te zeggen, maar een deel van de docenten die lesgeven aan vmbo-basis-/kaderleerlingen bezit onvoldoende pedagogisch-didactische vaardigheden. Je hoeft geen hogere wiskunde te hebben geleerd, maar je moet wel bevoegd zijn en iets kunnen met je vak. Dat valt nu soms tegen. Eerstegraads bevoegde docenten krijgen hogere salarissen. Deze docenten geven doorgaans les op havo/vwo/gymnasium. Terwijl je die salarisschalen eigenlijk zou willen uitgeven aan de vmbo-docenten. Ik vermoed dat het vmbo hiermee aantrekkelijker wordt. En: ik vind dat er docenten vrijgespeeld moeten worden om het onderwijs verder te ontwikkelen. Dáár zou het geld van Arie Slob tegen corona-achterstanden naartoe moeten. Dit is een van de onderbelichte aspecten van de Middenschool: dat docenten het onderwijs samen ontwikkelden.’
Michiel Bodt, Directeur van Stichting Move, organisatie voor projecten met kinderen en jongeren over talentbewustwording, ontmoetingen en burgerschap
‘Het onderwijs is zeker een grote speler in het creëren van kansengelijkheid. Maar het ligt niet alleen bij scholen. Dat zagen we tijdens de lockdown: veel leerlingen uit kwetsbare wijken hadden geen goede werkplek, laptop of stabiele internetverbinding, of hadden zorgen over geld of andere zaken. Toch kun je via het onderwijs veel aanpakken, juist in samenwerking met dat wat zich buiten het klaslokaal afspeelt. De sociale en emotionele ontwikkeling van kinderen wordt gestimuleerd door mentorfiguren, inzicht in je eigen talenten, toegang tot een rijk cultureel leven, een divers netwerk of ontmoetingen in je eigen wijk die je anders niet zou hebben.
Je mag niet verwachten dat het faciliteren hiervan allemaal bij de meester of juf ligt, zelfs als er geen lerarentekort zou zijn. Als maatschappelijke organisaties, maar ook sport- en muziekclubs en stichtingen zoals wij onze krachten bundelen, dan kunnen we kinderen bereiken via scholen. We moeten dan nastreven om het onderwijs te ontlasten door kinderen mee de wereld in te nemen. Voor sommige kinderen zijn de vijf tot tien straten rondom de school hun leefwereld. Terwijl het zo belangrijk is om te ontdekken dat de wereld groter is dan dat.’
Kwame Agyapong-Ntra, Bekend als Meester Kwame, directeur van Stichting Scientia Potentia Est (SPE), een organisatie voor gelijke kansen in het onderwijs
‘Ja, onderwijs zou de grote gelijkmaker moeten zijn. Onderwijs is het fundament. Maar om gelijke kansen te bevorderen, moet je eigenlijk iedereen ongelijk behandelen. Dus als je merkt dat een kind op school meer aandacht of ondersteuning nodig heeft om te komen waar hij of zij kan komen, moet je die aandacht kunnen geven. Door onderwijs kunnen kinderen gaan studeren en als ze volwassen zijn posities innemen in bedrijven, in de gemeenschap, als beleidsmakers, in de politiek.
‘Je hoort vaak dat kinderen te vroeg worden geselecteerd. Dat vind ik niet.’
Ik denk eerlijk gezegd dat de hele toeslagenaffaire niet had plaatsgevonden als er iemand op een invloedrijke positie had gezeten met dezelfde achtergrond als de mensen die de affaire hebben meegemaakt. Maar daar zijn we nog niet.
Je hoort vaak dat kinderen te vroeg worden geselecteerd. Dat vind ik niet. Het gaat erom dat docenten gewoon zien: deze leerling maakt bepaalde dingen mee, maar wil heel graag en kán het ook. En als school moeten we hem of haar daarin helpen. Zo’n kind is ook onze maatschappij, ook onze toekomst. We denken vaak dat de toekomst van Nederland alleen bestaat uit witte kinderen. Maar we zijn met zijn allen de maatschappij en dat besef zie ik te weinig terug. Als je in Amsterdam naar een atheneum- of gymnasiumschool gaat, zie je welke kleur daar is. Dat is zo jammer. Witte kinderen moeten zwarte leerlingen leren kennen en andersom – dat is de samenleving. Alleen zo leer je van elkaars cultuur, interesses, talenten en tekortkomingen.
Je merkt dat ook teams van docenten en ander personeel in scholen vaak niet divers genoeg zijn en ze niet genoeg met elkaar in gesprek gaan over wat er speelt in de levens van de kinderen. Dat kan gestimuleerd worden, bijvoorbeeld via cursussen op studiedagen. Vanuit een school is heel veel mogelijk, maar het is ook de overheid die dingen anders zou moeten regelen. Neem gratis bijles. Niet iedereen hoeft naar het gymnasium, maar in buurten zoals Amsterdam-Zuidoost gebeurt dit echt te weinig. Als er bijles nodig is om iets hoger te komen, moet dat mogelijk zijn. Voor een kind kan het heel goed zijn om even in een andere omgeving les te krijgen.
Maar om die bijles vergoed te krijgen, moeten scholen een verklaring afgeven en te vaak zie ik dat een school dat niet aandurft uit angst dat dit een bewijs zou zijn dat docenten hun werk niet goed doen. Zo blijft bijles alleen toegankelijk voor kinderen van ouders die tientallen of zelfs honderden euro’s voor een les neer kunnen leggen, en dichten we die kloof nooit.’
Louise Elffers, Directeur van het Kenniscentrum Ongelijkheid en onderwijsonderzoeker aan de HvA en de UvA
‘Er zijn grote verschillen in de input en begeleiding die leerlingen vanuit huis meekrijgen, en in de toegang tot hulpbronnen die hun leerontwikkeling faciliteren. Onderwijs zorgt ervoor dat leerlingen voor hun leerontwikkeling niet uitsluitend afhankelijk zijn van de mogelijkheden die de thuisomgeving biedt. Dankzij het onderwijs krijgen leerlingen de kans hun talenten te ontdekken en te ontwikkelen op kennis- en interessegebieden waarmee ze van huis uit misschien niet of minder in aanraking komen. Ook biedt het leerlingen de kans om dagelijks te werken aan hun leerontwikkeling, waar dat thuis niet altijd mogelijk is.
Door de lockdown werd de functie van onderwijs als grote gelijkmaker goed zichtbaar. In de periode dat de scholen gesloten waren, nam de ongelijkheid in leerontwikkeling toe. Leerlingen die thuis minder ondersteuning krijgen of waar het thuis ontbreekt aan de rust, ruimte of hulpmiddelen om te leren, liepen grotere achterstanden op.
Onderwijs kan het speelveld gelijker maken. Maar in de praktijk lukt dat onvoldoende. In Nederland krijgen leerlingen beperkt tijd om hun potentieel te ontwikkelen: ze gaan relatief laat naar school en we selecteren ze vroeg. Voor leerlingen die voor de ontwikkeling van hun leerpotentieel sterker afhankelijk zijn van de schoolomgeving, is die periode te kort. Eerder beginnen en later selecteren vergroot hun kansen. Een ander probleem is dat we al jaren zien dat leerlingen ook bij gelijke prestaties ongelijk worden geselecteerd op grond van hun thuisachtergrond. De ontwikkelkansen in het onderwijs zijn hierdoor alsnog ongelijk. Onderwijs is dus ook een grote óngelijkmaker.’
Paul Verstraten, Programmaleider Onderwijs (Economische beleidsanalyse) bij het Centraal Planbureau (CPB)
‘Allereerst is het zonde voor het kind zelf als het potentieel niet wordt benut. Maar er zijn ook grote maatschappelijke voordelen van kansengelijkheid. Uit economisch perspectief is het gunstig als iemand zijn talent goed kan ontwikkelen. De kans is groter dat diegene dan een baan vindt en geen beroep hoeft te doen op sociale uitkeringen. Daarnaast leidt een betere ontwikkeling tot een betere gezondheid en is de kans kleiner dat je in aanraking komt met criminele activiteiten. Dus dat is een reden voor de overheid om iets aan kansengelijkheid te doen. En de overheid kán daar ook het een en ander aan doen. Het onderwijs heeft wel degelijk een hele belangrijke sleutel in handen. Maar het is niet de oplossing voor alle problemen. Denk aan discriminatie op de arbeidsmarkt, of hoe alleen vermogende ouders kinderen kunnen helpen met het kopen van hun eerste huis.
Wat wel binnen de invloedssfeer van het onderwijs ligt, is hoe we de ontwikkeling van jonge kinderen onder de vier jaar stimuleren. Want al voor school begint, hebben sommige kinderen een achterstand. Uit wetenschappelijke studies van onder anderen Nobelprijswinnaar James Heckman, wordt heel duidelijk dat “voor- en vroegschoolse educatie” een hele belangrijke rol speelt in die ontwikkeling. Daarvoor zijn twee voorwaarden: dat er een hoogwaardig educatief element aanwezig is, en dat kinderen er voldoende uren doorbrengen. In de reguliere opvang is dat educatieve element op dit moment niet het hoofddoel, en bovendien brengen veel ouders hun kinderen relatief weinig uren naar die opvang.
Een andere punt om te beïnvloeden is hoe gemakkelijk leerlingen kunnen wisselen van schoolniveau of hoe ze diploma’s kunnen “stapelen”. Als we dat makkelijker maken, kan dat tegenwicht bieden aan het feit dat we kinderen al op twaalfjarige leeftijd toebedelen aan verschillende schoolniveaus.
Je ziet dat kinderen met een migratieachtergrond die voorschoolse achterstanden tijdens de schoolcarrière inhalen, maar bij kinderen van ouders met een lager inkomen of opleidingsniveau gebeurt dat niet. De conclusie is verleidelijk om te zeggen dat het het onderwijs niet gelukt is om dat gat te dichten. Maar dat is te negatief gedacht. Misschien zijn er ook wel heel veel onderwijssystemen mogelijk waarbij het gat groter was geworden.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.