‘Eigenlijk zou ik nooit meer over de bezetting schrijven, omdat artikelen daarover een aanfluiting zijn geworden. Het is au fond altijd hetzelfde stuk en het heeft geen enkel effect.’ Aan het woord is Nir Baram (Jeruzalem, 1976), succesvol romanschrijver en auteur van Walking the Green Line, een serie van acht lange artikelen in de weekendbijlage van Haaretz over zijn ontmoetingen met Israëli’s en Palestijnen (de Groene Lijn is de wapenstilstandslijn van na de oorlog van 1948 en de internationaal erkende grens van vóór de Zesdaagse Oorlog van 1967, zie kader).
Baram is anderhalve maand in Amsterdam als writer in residence op uitnodiging van het Letterenfonds. Zijn nieuwste roman Wereldschaduw is net in het Nederlands verschenen. Hij vertelt dat de directe aanleiding voor Walking the Green Line een discussie was met een vriend over de vraag of er wel of niet aparte wegen waren voor Palestijnen in bezet gebied. Hij dacht van wel, zijn vriend zei van niet.
‘Ik ben het uit gaan zoeken en het bleek dat 95 procent van de wegen nu voor iedereen zijn. Daar sta je dan. Ik houd me al tijden bezig met de bezetting, maar echt iets weten van de situatie daar deed ik dus niet. Dat heeft me aan het denken gezet en daarom ben ik deze serie gaan maken. Ik wilde met mensen praten, naar mensen luisteren en hun verhalen opschrijven, zonder rekening te houden met mijn opinies en wat het betekent voor mijn politieke kamp, het al dan niet postzionistisch Israëlische links.’
1948 is het trauma, dat is de wond, en daar moeten we beginnen.
Gaandeweg raakte hij ervan overtuigd dat de discussie – in academische kring, in de media en in het publieke debat over de bezetting en over oplossingen voor het Palestijns-Israëlische conflict – wordt beheerst door wat de Duitse socioloog Ulrich Beck zombie-begrippen heeft genoemd, begrippen die ooit verwezen naar een werkelijkheid, maar dat al lang niet meer doen. ‘Ik begon te vermoeden dat de tweestatenoplossing met drie nederzettingenblokken een zombieterm is geworden. Daarom ben ik op pad gegaan, ik wilde zien hoe mijn visie, onze visie, zich verhoudt tot de werkelijkheid op de Westelijke Jordaanoever.’
Bewegingsvrijheid
Het werd een leerzame tocht. Uit zijn gesprekken met talloze Palestijnen begreep hij al snel dat de kern van het probleem en het trauma ligt in het jaar 1948, toen de staat Israël werd geproclameerd en veel Palestijnen voor of in de oorlog die volgde vluchtten of van huis en haard werden verdreven en hun grond kwijtraakten. ‘Iedereen in Israël en in Europa die in de illusie leeft dat een oplossing gebaseerd moet zijn op de lijnen van 1967, begrijpt niets van de bezetting en Israël-Palestina.
Iedere Palestijn die ik gesproken heb, stuk voor stuk hebben ze het over 1948. Dat is het trauma, dat is de wond en daar moeten we beginnen. Het is een illusie te denken dat de Palestijnen 1948 zullen gaan vergeten, waarom zouden ze? Pas als we in staat zijn daarover te praten, is er een dialoog mogelijk, eerder niet.’
Volgens Baram is het gewicht van 1948 sinds de jaren negentig alleen maar toegenomen: ‘Tijdens de onderhandelingen in Oslo hebben de Palestijnen enorme stappen gedaan richting Israël. Ze hebben bijna alles opgegeven en er niets bij gewonnen. Dat zijn ze beu. Nu, twintig jaar later, zeggen ze: “Wij geven voortdurend van alles op en zij doen niets, integendeel, dus waarom zouden we?” Daar komt bij dat de band tussen de Israëlische Palestijnen en de Westelijke Jordaanoever veel hechter is geworden na de Gaza-oorlog van 2008 en ook die band gaat terug op 1948.’
Het was niet het enige dat Baram ontdekte. ‘Ik hoorde Palestijnen eigenlijk niet vaak over hun verlangen naar een staat, die behoefte is niet zo dringend, anders dan in Israël waar altijd gesproken wordt in termen van een oplossing. Palestijnen praten over veel basalere dingen. Wat ik hoorde was een enorm verlangen naar bewegingsvrijheid, naar gelijke rechten, naar de vrijheid om naar Jeruzalem te gaan, naar Galilea, daar gaat het ze om. Eén staat, twee staten, dat is niet het belangrijkste, het draait om gelijkheid tussen Joden en Palestijnen. Als je dat niet wilt zien, dan is praten over oplossingen zinloos. Gelijkheid, dat is de basis, maar 85 procent van de Joden wil daar niet aan, mijn eigen vader, een man van de Arbeidspartij, ook niet.’

De derde belangrijke ontdekking die Baram deed, is dat het onzinnig is om te denken in termen van een oplossing waarbij Israël een aantal nederzettingenblokken zou houden, omdat de nederzettingen nu overal zijn. ‘Dat neem ik sommige vredesorganisaties in Israël kwalijk, ze geven geen eerlijke voorstelling van zaken. Het creëren van nederzettingenblokken in een Palestijnse staat is niet mogelijk, misschien was dat nog wel zo in 2006, maar nu niet meer. Dus wie over nederzettingenblokken spreekt, leeft in zombieland. Daar bots ik met veel mensen op links, die willen misschien nog wel aan het gesprek over 1948, maar snappen niet dat een Palestijnse staat niet kan, niet meer. Want je zou nu niet 80.000 kolonisten moeten evacueren, maar 250.000 en dat gaat niet gebeuren. Dus waar praten we over, waar gaan al die gesprekken over in Genève, in Berlijn, in de krant? Blijven we doorpraten totdat er een miljoen kolonisten op de Westelijke Jordaanoever wonen? Hoe lang blijf je het over een tweestatenoplossing hebben, terwijl dat nergens meer op slaat? Dat is niet alleen zombiegedrag en zinloos, het houdt geen rekening met de werkelijkheid.’
Naar die andere kant kijken
Een beetje tot zijn verbazing kwamen er veel reacties op zijn stukken. ‘Natuurlijk, je hebt ook mensen die niets meer willen lezen over de bezetting. Het boeit ze niet, ze weten het wel – niet dus – maar ze willen het vooral niet horen. Het is deprimerend, het roept schuldgevoelens op, dus is het gemakkelijker om het te verdringen, net als de rest van het nieuws. Anderen schreven me dat ze niet wisten dat er in Jeruzalem Palestijnse buurten zijn die achter de scheidingsmuur liggen, waardoor de bewoners geen kant op kunnen. Dat ze geen idee hadden van hoe het checkpoint Qalandiya (tussen Ramallah en Ar-ram, bij Jeruzalem, SH) werkt en dat de Joodse nederzettingen altijd bovenop een heuveltop liggen en de Palestijnse dorpen beneden of dat de Israëlische Palestijnen een grote bijdrage leveren aan de Palestijnse economie. Rechts zei: “Zie je wel, altijd al gezegd dat het om 1948 gaat.”’
Volgens Baram hebben het politieke midden en links uit zijn stukken opgepikt dat 1948 centraal staat. ‘Dus laten we het daar eens over hebben. Wat zijn we bereid voor de Palestijnse vluchtelingen te doen? Natuurlijk, Ben Goerion was een belangrijk leider en de overwinning van 1948 was heel belangrijk, maar laten we eens naar die andere kant kijken, laten we daar eens bij stilstaan. Open, zonder schuldvraag, omdat het ertoe doet. Reken eens uit, gewoon voor de grap, wat we de vluchtelingen schuldig zouden zijn. Stel jezelf die vraag eens, zoals een Palestijn mij deze vraag stelde. “Wees niet bang,” zei hij erbij, “we komen niet terug, maar hoeveel zijn jullie ons schuldig?” Zijn vader had een huis en land in de buurt van Kvar Saba, heel centraal, dat zou nu een fortuin waard zijn. Waarom wordt daarover nooit gesproken in het vredeskamp? Die kwestie van 1948 komt in alle acht stukken terug, niet omdat ik dat wilde, maar omdat het keer op keer in de gesprekken ter sprake kwam.’
Shoah, trauma, angst
Baram sprak niet alleen met Palestijnen, maar ook met kolonisten van allerlei pluimage. Hij constateerde een morele erosie: ‘Een deel van de kolonistenelite en vooral jongeren zijn nu aan het veranderen. Ze stellen zichzelf vragen en hebben meer oog voor de wereld, niet alleen die om hen heen, maar ook daarbuiten. Ze lezen meer dan boeken over militair heldendom en rabbijnen. Ze plaatsen vraagtekens bij de superioriteit van Joden over Palestijnen, ze weten wat apartheid is. Het gaat niet meer alleen over het unieke karakter van het bebouwen en bewonen van het hele land en de shoah, ze vragen zich ook af hoe het kan dat zij alle rechten hebben en anderen geen.’
Volgens Baram vormt onverschilligheid van het Israëlische publiek het grote obstakel. ‘Toen David Grossman eind jaren tachtig Over de grens publiceerde, zag je morele verbazing en verontwaardiging over de bezetting. Die is nu weg. Ik spreek in mijn stukken ook geen verontwaardiging uit, expres niet, omdat het effect zo groter is. In de jaren tachtig kon je nog zeggen: het zijn de kolonisten, het zijn de nederzettingen. Dat is veertig jaar later niet meer vol te houden. Wij allen maken er deel van uit. We zijn allemaal cipiers, we staan allemaal bij Qalandia, dat is wie we zijn.’
Baram vertelt dat die constatering ook bij hem hard aankwam, maar dat ze onontkoombaar is en dat bovendien bijna alle creativiteit in het land opgaat aan de perfectionering van het gevangenisbewaker zijn. ‘We hebben nog nooit een discussie gevoerd over de morele kant van de bezetting. Het gesprek ter linker- zijde draait om de vraag wat de internationale gevolgen zijn van de bezetting. Wat zal de wereld met ons doen als we doorgaan met de bezetting? Wel Netanjahoe heeft aangetoond dat de wereld niets doet. Hij heeft een clown gemaakt van Obama en het Israëlische publiek laten zien dat we geen noemenswaardige prijs betalen voor de bezetting. Dus kan het ons niets schelen. Het enige waar Israël om geeft, is geweld, als er geen geweld is dan bestaan de Palestijnen niet.’
Gelijkheid begint bij opvouding, dus maak om te beginnen basisscholen voor Joodse en Palestijnse kinderen.
Ingebakken in het Israëlische denken zit volgens Baram niet alleen racisme, maar vooral een gevoel van superioriteit: ‘We zien anderen niet als gelijken, het draait om de Joden, de rest kan dood vallen. Wellicht kunnen anderen nog gelijk zijn, maar niet in dit land, ons land. Daarmee word je opgevoed, ons hele systeem is ervan doordesemd, de mix van Joodse opvoeding, shoah, trauma, angst. Wij geven alleen om Joden en dat is een heel diep verankerd sentiment. We voelen ons moreel superieur en dat wordt historisch en met de bijbel in de hand onderbouwd. Dat is heel gevaarlijk. Niet dat we denken dat we superieur zijn aan bijvoorbeeld de Fransen, maar in dit land, ons land zijn we het wel. Als je vanaf je vijfde met dat gevoel van superioriteit leeft, dan realiseer je je dat niet meer. Je gaat naar het vliegveld en loopt probleemloos door de veiligheidscontrole, een Israëlische Palestijn niet, maar dat merk je niet, je registreert het niet, het is nu eenmaal zo.’
Twee staten, één vaderland
De klassieke tweestatenoplossing was volgens Baram misschien nog mogelijk geweest in de jaren negentig, maar is anno 2015 een gepasseerd station. Een eenstaatoplossing komt er alleen als de wereld die zou opleggen, wat hij niet ziet gebeuren. Zelf heeft hij zijn hoop gevestigd op een nieuw Palestijns-Joods initiatief waar hij deel van uitmaakt: twee staten, één vaderland. Een soort open tweestatenoplossing, gebaseerd op gelijke rechten. ‘Het is de enige logische weg. Laat de nederzettingen staan en geef iedere Palestijn het recht te gaan en staan en te werken waar hij wil. Iedere Palestijn kan resident worden van Israël, inwoner, geen staatsburger, en omgekeerd kan iedere kolonist als resident leven in een Palestijnse entiteit. De twee staten gaan een confederatie met elkaar aan. Het is de beste oplossing voor de vluchtelingen, die als ze willen naar de Palestijnse staat kunnen komen, maar zich vrij kunnen bewegen door het hele gebied. Wij kunnen niet drie miljoen mensen opnemen als staatsburgers, maar kunnen wel die vrijheid van beweging geven. Het verandert niets aan de situatie op de grond en het maakt van Israël niet het grootste Joodse getto ter wereld, wat Netanjahoe nu doet. Het lijkt een krankzinnig plan, maar het is op den duur het enige waar ik in geloof. Alleen hebben we een evolutie nodig van onze waarden, we moeten anders leren denken. Je kunt niet alles tegelijk veranderen, kijk bijvoorbeeld naar de VS en de burgerrechtenbeweging, maar je moet een besluit nemen. Daar zijn we nog niet, voor de meeste Joden staat Israël voor hegemonie van Joden over Palestijnen.
Twee staten, één vaderland klinkt misschien utopisch en er zal nog veel water naar de zee moeten vloeien voor beide kanten eraan willen, maar voor Baram is het moreel het enige juiste. ‘Iedereen moet bijdragen om de prijs voor 1948 te betalen. Ook voor de kolonisten is het een oplossing, want ze kunnen blijven waar ze zitten, alleen zonder apartheid én zonder steun van het leger. Ik was er zelf niet zeker van, maar mijn tocht langs de Groene Lijn heeft me overtuigd. Iedereen, de hele Israëlische maatschappij, moet iets opgeven om de prijs te betalen voor 1948. Het idee dat iedere Palestijn naar Tel Aviv mag komen, jaagt mensen enorme angst aan, maar daar draait het wel om. Het gaat om principiële rechten. Of ze echt in Tel Aviv komen wonen, doet er niet toe. Ik denk van niet, Israëlische Palestijnen uit Galilea komen ook niet massaal naar Tel Aviv, maar het gaat om het recht. We moeten het separatiemodel opgeven en onze manier van denken veranderen en dat kan niet zo lang we als zombies in twee totaal verschillende werelden leven.’

Druk van buitenaf
Hij wijst erop dat beide kanten alleen maar verder uit elkaar zijn gedreven. In de jaren tachtig en negentig waren er nog onderlinge contacten, daarvan is eigenlijk geen sprake meer. ‘Vóór de eerste intifada kon je wakker worden in Ramallah en besluiten naar Tel Aviv te gaan.’
‘Er zijn duizend problemen op de weg, maar laten we ergens beginnen, met gelijkheid en hoe je dat bewerkstelligt. Dat begint bij opvoeding, dus laten we iets proberen, maak om te beginnen honderd basisscholen voor Joodse en Palestijnse kinderen. We vragen niemand iets, het ministerie besluit daartoe en zo gebeurt het. Een dwaas als de huidige minister van Onderwijs Naftali Bennett zal dat niet doen, maar het moet wel. We hebben een overheid nodig die samenwerking bevordert in plaats van scheiding. Ik weet ook niet hoe dat moet, waarschijnlijk hebben we een historische figuur nodig, maar het is nodig. Na die honderd scholen maken we de padvinderij gemeenschappelijk en creëren we veertig eilandjes waar Palestijnen en Joden samenleven en zo verder. Vergis je niet, ook (Israëlische) Palestijnen zitten hier niet op te wachten, de meesten leven ook liever volgens hun eigen waarden, maar dat kan me niet schelen, we doen het gewoon. Punt uit. Je moet ergens beginnen en onderwijs is de logische plek om de eerste stap te doen.’
Druk van buitenaf is daarbij onontbeerlijk, denkt Baram, omdat de geschiedenis leert dat maatschappijen en gemeenschappen niet uit zichzelf veranderen en hun privileges opgeven omdat ze met een moreel probleem worstelen. ‘Waarom hebben de Fransen Algerije verlaten? Toch niet omdat ze een moreel probleem hadden? Kom op. Zuid-Afrika? Ik ken geen voorbeeld waar een groep zegt, wij hebben privileges, jij niet, weet je wat, we verdelen het land. Zo zit de wereld niet in elkaar. Je hebt druk nodig van buiten af, sancties, geen academische boycot, maar economische repercussies. Ik denk dat er in het algemeen, ik heb het nu niet specifiek over Israël, twee effectieve boycotmanieren zijn: economie en sport, dat raakt mensen. Wat we nu zien, is dat Israël door kan gaan met de bezetting zonder daar een serieuze prijs voor te betalen. Daarom kan het nog wel even duren, tachtig jaar, zestig jaar, weet ik veel, nog niet morgen, helaas. Maar toch: het kan anders, het moet anders.’
Wie Nir Baram (Jeruzalem, 1976)
Bekend van De roman Goede mensen, waarmee hij internationaal doorbrak. Zijn vijfde titel Wereldschaduw is net in het Nederlands vertaald. Baram groeide op in een gezin dat behoort tot de politieke elite van Israël, zijn vader en grootvader waren minister. Het was de bedoeling dat hij rechten zou studeren, maar hij koos voor literatuur en werd schrijver. Naast fictie schrijft hij regelmatig over politieke onderwerpen in binnen- en buitenlandse publicaties. Hij woont met zijn vriendin en zoontje van zes maanden in Tel Aviv.
Waarom Nir Baram schreef een serie artikelen, ‘Walking the Green Line – 48 years of Occupation’ in de Israëlische krant Haaretz.
Enz Drie van zijn vier grootouders spraken Arabisch, maar tot zijn schaamte is hij de taal niet machtig. In militaire dienst vervulde hij zonder enig enthousiasme kantoorbaantjes. Het belangrijkste in literatuur vindt hij verbeelding.
WereldschaduwVan Nir Baram is onlangs in het Nederlands verschenen bij De Bezige Bij Wereldschaduw, oorspronkelijke titel: Tsel Olam, vertaling: Sylvie Hoyinck, 528 p., € 24,90. U kunt het boek hier kopen.
De Groene LijnIn 1948 riepen de zionisten hun staat uit op basis van een verdeelplan van de VN. In de oorlog die daarop volgde – ‘Onafhankelijkheidsoorlog’ voor Israël, ‘Naqba’ (de Ramp) voor de Palestijnen – vluchtten honderdduizenden Palestijnen, of ze werden met geweld verdreven. De wapenstilstandslijnen van die oorlog, de Groene Lijn, vormden de veelal internationaal aanvaarde grenzen van de staat Israël. Toen Israël in de Zesdaagse oorlog van 1967 onder meer Oost-Jeruzalem, de Westelijke Jordaanoever en de Gaza-strook veroverde, heette het eerst nog dat die gebieden een onderpand vormden in toekomstige vredesonderhandelingen. Maar vooral religieuze Joden zien in ‘de bevrijding’ van dit Bijbelse land een vingerwijzing Gods. Sinds de jaren zeventig is de Israëlische kolonisatie van de veroverde gebieden gestaag toegenomen. Inmiddels wonen op de Westoever (inclusief Oost-Jeruzalem) zo’n 500.000 kolonisten. Bij de Oslo-akkoorden van 1993 hebben de Palestijnen in een aantal fases het recht op zelfbestuur verkregen over de Gazastrook en de Westoever in afwachting van een bestendig vredesakkoord. Tot op heden is het daar niet van gekomen, al heeft Israël zich in 2005 teruggetrokken uit Gaza. Raketbeschietingen vanuit Gaza, waar Hamas aan de macht is, leiden tot Israëlische militaire campagnes. De struikelblokken voor vrede blijven de opdeling van Jeruzalem, het recht op terugkeer van Palestijnse vluchtelingen en de ontmanteling van de nederzettingen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.