Lang werd in Nederland nauwelijks over de missie in Mali gesproken. De laatste jaren werd er af en toe over bericht in kranten of op televisie, maar na de missie naar Uruzgan en de 24 militairen die daar sneuvelden, leken de deelnemers aan het publieke debat soms wat murw geslagen te zijn. Mali? O, ja, Mali.
Tekenaar Jules Calis en ik vroegen daarom het ministerie van Defensie eind vorig jaar toestemming om naar Mali te reizen. Met een geïllustreerde reportage wilden we duidelijk maken wat ‘onze jongens’ eigenlijk uitvoeren in de Malinese woestijn. In augustus waren we welkom, maar we moesten ons wel aan strikte voorwaarden houden. We zouden ‘embedded’ gaan, waarbij we ons op de missie moesten richten en ons ter plekke niet vrij konden bewegen. Ook mochten we alleen met Nederlandse deelnemers aan de missie spreken.
We overlegden met de redactie van Vrij Nederland en besloten toch te gaan en onze ogen goed open te houden. Op dat moment wisten we nog niet dat Mali in Nederland groot nieuws zou worden door een onderzoek naar de dood van twee militairen bij een ongeval met een ondeugdelijke mortiergranaat, noch dat minister Hennis-Plasschaert er na een lang Kamerdebat voor zou aftreden, evenals commandant der strijdkrachten Tom Middendorp, twee dagen voordat hij zijn commando zou overdragen.
Ook wisten wij niet dat Halbe Zijlstra in kabinet-Rutte III de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken zou worden, en Anke Bijleveld de nieuwe minister van Defensie, waarmee de aanhoudende Nederlandse deelname aan een VN-vredesmissie allesbehalve vanzelfsprekend zou worden. De voorkeur van Zijlstra leek immers uit te gaan naar veiligheid in de eigen regio, onderwijl Bijleveld te maken heeft met de kaalslag van defensie en de gevoelige erfenis van het Mali-rapport.
Een doeltreffende operatie
Toen we in augustus aankwamen in Kamp Castor in Noord-Mali, vlak buiten de stad Gao, leek het business as usual te zijn. Natuurlijk werd er over het mortierongeluk van 6 juli 2016 gesproken, maar het gesprek van de dag was het niet meer. De militairen waren geraakt door het verlies van hun collega’s Henry Hoving (29) en Kevin Roggeveld (24), maar leken zich niet erg druk te maken over het verloop van het onderzoek. Gebrekkig materieel, onveilige situaties en de grote druk die vanuit de politiek was uitgeoefend om deze missie te laten slagen, kwamen slechts zijdelings ter sprake. Kapitein-ter-zee Jan van den Broeke, de leidinggevende op Kamp Castor, sprak zijn trots uit over de bijdrage van de Nederlandse militairen, die Kamp Castor in relatief korte tijd uit de schrale woestijngrond hebben gestampt en wier open manier van inlichtingen verzamelen door VN-bondgenoten wordt geprezen. ‘Als je de beperkte middelen die we ter beschikking hebben in acht neemt, kun je hier zeker spreken van een doeltreffende operatie,’ zei hij. Nederland heeft volgens hem voor de VN en Mali een fundament gelegd dat ‘absoluut noemenswaardig’ is.

Van den Broeke was dus tevreden over de prestatie van de militairen. Dat laat onverlet dat de missie de nodige problemen heeft opgeleverd, zoals ook blijkt uit de crisis in Den Haag. Leidinggevenden van het Korps Commandotroepen en het Defensie Helikoptercommando, die eerder in Mali hadden gezeten, hadden in september 2016 al de noodklok geluid in de Tweede Kamer, onder meer over de staat van het materieel. Tom Middendorp had het in zijn afscheidstoespraak ook over zijn eerdere besluit de helikopters en special forces uit Mali terug te trekken; hen daar langer laten blijven, achtte hij onverantwoord.
Wat we, uiteraard tot tevredenheid van Defensie, bij ons bezoek wél te horen en te zien kregen, was een enthousiaste ploeg militairen die zich met hart en ziel inzette voor vrede en veiligheid in Mali en indirect ook in Europa. Want als het noorden van Mali tot een islamistische staat was uitgegroeid, wat in 2012 dreigde te gebeuren, had het land een kweekvijver voor en uitvalsbasis van jihadisten kunnen worden. En die hadden in Europa aanslagen kunnen plegen, zo luidt de redenering in Den Haag.
Place de la Sharia
Na een eerste nacht in het kamp gingen we mee op pad, ‘de poort uit’, in een Bushmaster van het 43 Brigade Verkennings Eskadron, de Huzaren van Boreel, dat zich in konvooi een weg baande over de drukbevolkte, onverharde zandwegen van Gao. Het konvooi voerde langs het centrale Place de l’Indépendance, dat in 2012 door de voormalige jihadistische bezetters was omgedoopt tot Place de la Sharia en het decor was geweest van amputaties en geselingen.
Daarna ging het via een brug over de brede Niger aan de rand van de stad, alvorens de patrouille halt hield bij een uit Hesco-schanskorven en dekzeilen bestaande Malinese legerpost. Een paar onderuitgezakte soldaten scholen voor de verzengende hitte onder een boom; aan de overkant van de weg prijkte op een beklad bord nog de zwarte vlag van de moslimextremisten.
Wachtmeester Jeroen (die we volgens voorschrift niet met zijn achternaam mogen noemen) sprak een halfuur met de Malinese commandant. ‘Zo vergaren we inlichtingen voor de vredesmissie,’ zei Jeroen. ‘Als mensen hiervandaan Gao in rijden, moeten ze langs deze post. Die militairen horen dus als eersten wat er in de regio allemaal speelt. Daarom komen we hier informatie inwinnen. We vragen onder meer naar bewegingen van gewapende groepen en naar het naleven van het vredesakkoord.’
Gevaarlijk
Dat vredesakkoord kwam in 2015 tot stand, na ruim drie jaar onrust in het van oudsher straatarme en achtergestelde Noord-Mali, een broeinest van extremisten en smokkelaars van wapens, drugs en mensen. Jihadisten en Toearegs, die uit waren op een onafhankelijke staat in het noorden, kwamen in 2012 in opstand en wisten al snel het onherbergzame gebied te veroveren, waarna de moslimextremisten grote steden als Gao, Kidal en Timboektoe in hun greep kregen. Op verzoek van de regering dreef een Franse interventiemacht de jihadisten begin 2013 terug, waarna de Fransen er bleven zitten om jacht te maken op terroristen.
Eind 2013 arriveerde de United Nations Multidimensional Integrated Stabilization Mission in Mali (MINUSMA) om het noorden van het land weer stabiel en veilig te krijgen. In 2014 leverde Nederland 450 militairen aan de missie, waarvoor zij inlichtingen gingen verzamelen – een aantal dat inmiddels is verminderd tot circa 300. Een jaar later sloten de Toeareg-separatisten onder grote druk van de internationale gemeenschap een wankel vredesakkoord met de Malinese overheid en de haar gunstig gezinde milities. Al probeerden de jihadisten roet in het eten te gooien door allerlei soorten aanslagen te plegen.
Het maakt de opgave van MINUSMA lastig – én gevaarlijk: de laatste jaren kwamen ongeveer 120 blauwhelmen om het leven, meer dan bij enige andere VN-vredesmissie. Ook vier Nederlandse militairen sneuvelden: twee bij dat mortierongeluk, en twee toen hun gevechtshelikopter in 2015 neerstortte.
Ontwapening
Wat ons tijdens ons bezoek opviel, was de grote loyaliteit van de militairen voor de beslissing van de politiek om hen naar Mali te sturen, en ook het oprechte geloof iets goeds te doen, bij te dragen aan een stabieler Mali. ‘In het vredesakkoord zeiden de strijdende groeperingen dat zij het nationale gezag wilden herstellen,’ zei kapitein-ter-zee Van den Broeke, die als hoofd van het Contingentscommando ter plekke de commandant der strijdkrachten vertegenwoordigde. ‘Er is een begin gemaakt met iets wat je de Verenigde Staten van Mali kunt noemen, met autonomie voor de diverse etnische groepen in het land.’
Een essentieel onderdeel van het akkoord is het zogeheten DDR-proces: Disarmament, Demobilisation en Reintegration. Volgens dat proces leveren de groeperingen hun wapens in om die te laten registreren, waarna hun strijders ze weer kunnen gebruiken na hun integratie in de nationale strijdkrachten. In de aanloop daarnaartoe patrouilleren de groepen nu met het Malinese leger, onder de vlag van het Operational Cooperation Mechanism (MOC).
Die gezamenlijke patrouilles moeten uiteindelijk tot ontwapening leiden, zei Van den Broeke. ‘Maar dat is nog niet goed uit de verf gekomen.’
Waakzaamheid
Tijdens een van onze patrouilles door Gao werden we op een brede hoofdweg ingehaald door een crèmekleurige pick-up. De man achterop had een aftandse kalasjnikov op zijn rug en droeg de rode armband van de MOC-leden. De Nederlanders sloegen het voertuig aandachtig gade, speurend naar stickers, vlaggen of andere details die hun lidmaatschap van een gewapende groepering verrieden – standaardprocedure bij dergelijke patrouilles.

Toen het konvooi een zijweg insloeg, kwam er een man op de wagens af die met de militairen wilde praten. De voertuigen stelden zich verspreid op zodat de boordschutters voldoende overzicht hadden op de omgeving en het verkeer. Hoewel er geen gevaar leek te dreigen, blijft waakzaamheid altijd geboden – het risico van bermbommen, zelfmoordaanslagen en vuurgevechten is er altijd.
De bezorgde man kwam met een groep metgezellen rond de wagen staan en begon druk gebarend zijn verhaal. ‘There is a lack of security here,’ vatte de tolk samen. Er bleek onlangs een schietpartij te zijn geweest en criminelen maakten de buurt onveilig. Sergeant Jasper knikte vol begrip en luisterde aandachtig. ‘Vooral criminaliteit is hier een probleem,’ zei hij later. ‘Het Malinese leger, de gendarmerie en de politie zijn ’s nachts niet in staat adequaat te patrouilleren en het duurt te lang voordat zij op dit soort incidenten reageren.’
Vaak wordt de Nederlanders gevraagd dergelijke problemen op te lossen, aldus de sergeant. ‘Wij kunnen meestal niet zo veel met die verzoeken, omdat dat soort zaken niet binnen ons mandaat valt.’ Wel bracht hij de incidenten onder de aandacht van de Malinese autoriteiten , in de hoop zo invloed uit te oefenen. ‘Uiteindelijk moeten die zelf voor de veiligheid kunnen zorgen.’ De VN steunt hen daarbij, zei Jasper. ‘Maar dat zal pas op lange termijn effect hebben.’
Veel werk
Wiesje Elfferich, ter plaatse als civiel adviseur namens het ministerie van Buitenlandse Zaken, beaamde dat. Zo biedt UNPOL, de politiecomponent van MINUSMA, ondersteuningsprogramma’s aan de Malinese autoriteiten. ‘Alleen zijn er nog weinig partners om instanties op te bouwen,’ zei ze. ‘De regio Gao telt momenteel 79 mensen van de gendarmerie. Daarnaast heb je de nationale garde en de politie; al met al zijn dat nog lang geen duizend man. Dat is natuurlijk veel te weinig voor een hele regio. Politie was hier ook een vrij onbekend fenomeen. De overheidsaanwezigheid was minimaal.’
De VN is hier dan ook zeker nog lang niet klaar, benadrukte ze. ‘Het idee is dat MINUSMA voor een zekere mate van stabiliteit zorgt, waarna bilaterale donoren en VN-hulporganisaties met ontwikkelingsprogramma’s kunnen beginnen. Die ontwikkeling is essentieel om een terugval in stabiliteit te voorkomen: als minder mensen honger hebben of werkloos zijn, zullen ook minder mensen een gemakkelijke prooi zijn voor rekrutering door jihadisten.’
Ontwikkeling is volgens Elfferich een conditio sine qua non voor veiligheid en vice versa, maar dat vergt wel geduld van de aan MINUSMA deelnemende landen.
Het vorige kabinet deelde de analyse van Elfferich en Van den Broeke – waarbij vooruitgang wordt gemeld, maar ook wordt benadrukt dat nog veel werk moet worden verzet. In de kabinetsbrief van 4 september aan de Tweede Kamer staat onder meer dat 460.000 Malinese vluchtelingen en ontheemden nu door het vredesakkoord zijn teruggekeerd naar huis. Wel tekende het kabinet daarbij aan dat ‘de tenuitvoerlegging van het akkoord moeizaam verloopt’ en dat ‘blijvende betrokkenheid van de internationale gemeenschap vereist is’ om te verhinderen dat Mali ‘alsnog een vrijhaven wordt voor terroristen en mensensmokkelaars’.
Geen automatisme
Minister Hennis en generaal Middendorp mogen dan zijn teruggetreden, de missie in Mali gaat door. Dat is tenminste wat het demissionaire kabinet de Tweede Kamer begin september liet weten. Inmiddels zijn de eerste vraagtekens bij zo’n verlenging gezet. In de Tweede Kamer betwijfelen de toekomstige regeringsfracties openlijk of de missie in Mali moet worden verlengd. ‘Het is geen automatisme,’ zei voormalig VVD-Kamerlid Han ten Broeke in het Algemeen Dagblad.
Het is allemaal heel begrijpelijk. Defensie is al jaren overbelast, de bezuinigingen blijken veel te ver te zijn gegaan en de dood van twee militairen door ondeugdelijke granaten is een groot menselijk drama. Maar eerder weggaan dan eind 2018 betekent een schending van internationale afspraken, onder meer met nauwe bondgenoot Duitsland, waaraan eind dit jaar het beheer van Kamp Castor zou worden overgedragen. Daarbij komt dat Mali volgens de mensen die we spraken alle hulp van buiten voorlopig goed kan gebruiken.
Degene die dat het best verwoordde, was eerste luitenant Jan, pelotonscommandant bij de 11 Luchtmobiele Brigade. Twee uitzendingen naar Afghanistan, waar hij onderdeel uitmaakte van de na vier jaar afgebroken wederopbouwmissie in Uruzgan, hebben hem het nodige geleerd: ‘Nadat we hadden besloten te stoppen met de missie in Uruzgan, is alles er helemaal ingestort. Men wacht doodleuk totdat je vertrekt en probeert het dan gewoon opnieuw.’
Dat kan ook hier gebeuren, zei hij. Zodra de VN en Frankrijk uit Mali vertrekken, ontstaat een vacuüm waar iedereen in zal willen springen. Dan zullen de diverse gewapende groeperingen weer voor hun eigen belang kiezen en gaan de afspraken uit het vredesakkoord het raam uit. Volgens hem kan het één simpelweg niet meer zonder het ander: als je militairen inzet in dergelijke gebieden, moet je er ook voor zorgen dat je daar ontwikkeling stimuleert. ‘En dat kun je niet in slechts tien jaar regelen,’ zei de luitenant. ‘Dus móét het een missie met een lange adem worden. Anders is al dit werk voor niets geweest.’
De tekeningen van Jules Calis bij dit verhaal zijn grotendeels ingekleurd met Malinees woestijnzand, dat hij eenmaal thuis mengde met een kleurloos acrylmedium.








Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.