Ik houd van goede voornemens, van prioriteiten stellen, van planningen en to-do-lijsten. Maar ik ga ermee ophouden. Er zit te weinig leven in. Zoals godsdienstfilosoof Just van Es schrijft in Weg uit het moeten: ‘Er is geen methode te maken van het wezenlijke.’

Twintig jaar schrijf ik nu als journalist over ‘het leven zelf’; ik ben altijd op zoek naar wijsheid die vertaald kan worden in praktische leefregels, in het cultiveren van goede gewoontes, en ik heb de dingen die ik belangrijk vind om te doen door de jaren heen als rituelen door de dag heen weten te weven. Ik ben een kind van de maakbaarheidscultuur, kind van ouders die zich zonder opleiding hebben opgewerkt, opgegroeid bovendien op het nieuwe land van Lelystad, een van de eerste bewoners van een van de eerste wijken.

Ik ben een nieuwbouwmens. Zelfontwikkeling is het sleutelwoord in mijn familie en vriendenkring. Maar als ik tegenwoordig wakker word, kijk ik niet verlangend uit naar de dag, maar zie ik een oneindige reeks ‘moetjes’. Die groeiende weerzin tegen een programma vol zelfopgelegde verplichtingen wordt versterkt door wat zich afspeelt achter de rolluiken van de huizen om mij heen. Ik zie dichtgetimmerde levens, ik zie mensen in ogenschijnlijk goede omstandigheden gebukt gaan onder het juk van ‘moeten’, ik zie welvarende, intelligente mensen overspannen raken.

Dat is niet voorbehouden aan degenen van zekere leeftijd die werk moeten combineren met de zorg voor ouders en kinderen; volgens een studie van Arbo Unie uit 2016 heeft 17 procent van de werknemers tussen 25 en 35 burn-outklachten. Het zit in de cultuur. We hebben ons dankzij de generatie voor ons kunnen losmaken van de kerk en het patriarchaat, en laten ons in ruil daarvoor nu voortdrijven door een innerlijke manager die steeds maar roept: het is niet goed genoeg, doe meer!

Advertentie

Advertentie

Project dit, project dat. Alles dankzij een strakke planning. Dat is de paradox waarmee we volgens de Vlaamse cultuurfilosoof Kris Pint voortdurend worden geconfronteerd: we zijn vrij om ons eigen leven vorm te geven, maar tegelijk voelen we ons in een dergelijke prestatiemaatschappij vaak ongelukkig en beklemd.

Vandaar mijn voornemen om dit jaar in het teken te gaan stellen van ‘ontploeteren’, van ‘minder moeten en meer leven’. Ik ga in 2018 uitzoeken waar dat ‘moeten’ ’m nu in zit, wat ik bedoel als ik aan ‘echt leven’ denk, en hoe dat ‘ontploeteren’ dan precies gaat. Dit artikel is de introductie van dat onderzoek, zie het als een eerste verkenning.

Je leest deel 1 van een serie artikelen van Annemiek Leclaire over ontploeteren. Deel 2 vind je hier.

Quick fix

Met ‘moeten’ doel ik hier niet op de discipline die gericht is op prestaties, of op de ongemakken die nu eenmaal bij ambitie horen. Wat mij stoort, is het opgesloten zitten in dat dagelijkse, haast neurotische moeten, waarvan de vervulling niet opweegt tegen de inspanning, met als resultaat een verveeld soort drukte.

De Britse arbeidspsycholoog Tony Crabbe vertelde me in een interview voor NRC hoe een dergelijke hersenloze drukte werkt: als je door drukte maar vaak genoeg iets opzijschuift dat echt belangrijk voor je is, ontstaat er een verwijdering van alles wat ooit plezier en energie gaf. Als zich dan een stil moment aandient, weet je niet meer wat je moet doen; er ontstaat een gevoel van leegte die met nog meer loze drukte wordt gevuld: even op Facebook, even op LinkedIn, ‘een quick fix’, noemt Crabbe dat. De emotionele verarming die hierdoor ontstaat, brengt hij in verband met depressie.

‘Als je door de drukte maar vaak genoeg iets opzijschuift dat echt belangrijk voor je is, ontstaat er een gevoel van leegte die met nog meer loze drukte wordt gevuld.’

Filosoof Pint vat het zo samen in De wilde tuin van de verbeelding: ‘We hebben het gevoel dat we ons voortdurend moeten bewijzen, waardoor iedereen het steeds veel te druk heeft, met te weinig tijd voor de dingen waarvan we evenwel zeggen dat ze er echt toe doen.’

Ideaalbeeld

Dat moeten, dat gevoel ‘altijd aan te staan’, komt door de overtuiging dat we aan onszelf moeten blijven werken tot we erbij neervallen. Steeds is er dat stemmetje: ‘Je kúnt een betere opvoeder zijn, je kúnt gezonder eten, je kúnt sportiever zijn, een creatiever leven leiden, een mooier huis hebben, beter in je werk zijn, beter voor de aarde zorgen, een betere, meer geïnformeerde burger zijn, meer voor anderen doen, als je maar meer je best zou doen.’

Sinds de jaren zeventig, toen ik geboren werd, leeft de gedachte dat we ons ‘hele potentieel’ kunnen waarmaken. ‘De protestantse overtuiging van het menselijk tekort heeft in onze samenleving plaatsgemaakt voor een geloof in menselijke perfectie,’ zei godsdienstpsycholoog Rein Nauta toen ik hem in 2000 over dat schuldbewuste stemmetje interviewde.

Het is die maakbaarheidsideologie die ervoor zorgt dat we via een voortdurende zelfopvoeding bezig zijn met het realiseren van een ideaalbeeld: een continu proces van zelfontplooiing en zelfontwikkeling, van ons lichaam tot onze carrière. En we denken misschien dat dit helemaal van binnenuit komt, maar volgens Pint is het eerder een door de maatschappij opgelegde rol. Hij schrijft: ‘We krijgen een zelfbeeld opgedrongen van het actieve, sportieve en flexibele individu dat voortdurend klaar staat om nieuwe uitdagingen aan te gaan; een beeld dat niet toevallig precies overeenkomt met dat van de ideale werknemer en consument.’

Dat maakt ons volgens Pint onzeker en gestrest, want als ons zelfbeeld afhangt van onze prestaties, kunnen we nooit zeker zijn van onszelf omdat het steeds anderen zijn die ons marktwaarde toekennen. ‘Geen wonder dat burn-out samen met stress en depressie de westerse mentale ziekte bij uitstek lijkt te worden,’ concludeert Pint. ‘In plaats van de schuld bij het individu te leggen als er iets verkeerd loopt,’ zegt hij, ‘is een wellicht zinniger verklaring dat er misschien iets niet klopt aan dat collectieve geloof in de homo economicus die zelf zijn waarden kan bepalen en altijd de juiste rationele keuzes maakt.’

Volgens Pint hebben mensen door de geschiedenis heen op steeds andere manieren over zichzelf nagedacht. Nu proberen we ons in het krappe ideaal van de neoliberale homo economicus te persen, en te geloven dat we ‘managers van onze eigen levens’ zijn, maar dat lukt natuurlijk niet. Pint pleit voor ‘een ruimere manier van zijn’: ‘We moeten ons actief verzetten tegen dat zelfbeeld dat ons wordt opgedrongen.’

‘We ervaren een eeuwig tekort. En dat zorgt voor een heel onrustig leven.’

iPhone 10

Dat onzekere streven naar beter en meer ziet ook Damiaan Denys, afdelingshoofd psychiatrie aan het AMC in Amsterdam, als neurowetenschapper verbonden aan het Nederlands Herseninstituut en voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. ‘We moeten zo volmaakt zijn als een iPhone 10,’ zegt hij. ‘Door de ontkerkelijking hebben we geen innerlijk moreel kompas meer dat ons stuurt. In plaats daarvan hebben we voor onszelf een ideaalbeeld geconstrueerd op basis van wat we denken dat anderen van ons verwachten.

Dat zijn wispelturige, veranderlijke beelden waaraan het onmogelijk is om te voldoen. Die beelden worden ons aangereikt uit een onechte, want virtuele wereld; er is geen plaatje meer in glossy’s dat niet is aangepast door Photoshop. Zo blijven we dus hoe dan ook een eeuwig tekort ervaren. En dat zorgt voor een heel onrustig leven.’

Net als Tony Crabbe en Kris Pint ziet Denys dat dit gevoel van tekortschieten ‘oppervlakkig teniet wordt gedaan’: met binge netflixen, drinken, ‘we willen snel afgeleid worden, maken onszelf graag afwezig van de wereld.’ De psychiater zou liever zien dat we die tijd steken in het ontwikkelen van ‘persoonlijke zingeving’, om de richting te bepalen die we willen volgen. Denys: ‘Ik besteed zelf heel veel tijd aan literatuur en kennis verzamelen om voor mijzelf te bepalen wat ik wel en niet zinvol vind in mijn leven. En ja, dat kost heel veel mentale energie, dat vind je niet in een app.’

De narcistische blessure

Is dat ‘moeten’ alleen maar gebaseerd op een opgedrongen illusie, is het een denkfout, zit het allemaal in ons hoofd? Volgens godsdienstpsycholoog Rein Nauta niet. Toen ik hem in 2000 interviewde over schuldgevoel in een ontkerkelijkte wereld, ging het gesprek vooral over ‘de narcistische blessure’. In een prestatiemaatschappij gingen gevoelens van schuld en schaamte volgens Nauta met name over tekort schieten ten opzichte van het ideaalbeeld dat we van onszelf hadden.

De godsdienstpsycholoog zag dat mensen kwetsbaar werden doordat een intense ambitie gepaard ging met het besef voortdurend te falen, en doordat een overmaat aan afhankelijkheid van andermans goedkeuring en bewondering gepaard ging met het gebrek aan tijd om voor anderen beschikbaar te zijn. Nauta noemde de pogingen die onzekerheid de baas te worden met bijvoorbeeld cursussen en coaches, waaraan ik mijzelf destijds met graagte overgaf, juist zo schrikaanjagend ‘omdat ze verbonden zijn met dezelfde almachtige prestatiementaliteit die er in de eerste plaats de oorzaak van was.’

Nu vraag ik Nauta, die inmiddels gepensioneerd is, opnieuw hoe we met dat gevoel van ‘moeten’ en het bijbehorend gevoel van tekortschieten kunnen omgaan. Wat volgt is een heel ander gesprek dan ik had verwacht. Volgens Nauta hebben we namelijk inmiddels niet meer de luxe om te kiezen: we moeten volgens hem tegenwoordig wel meedoen aan die neoliberale maatschappij. En de lat ligt hoog op elk terrein.

‘De vorige keer ging het over schuld en schaamte,’ zegt hij, ‘nu gaat het over overleven en burn-out.’

Over ons gesprek van destijds: ‘Dat was een mooie tijd toen, alles kon, en als je er niet in slaagde er iets van te maken, lag het ook echt aan jezelf. De vrijblijvendheid van die tijd is weg. Jouw generatie zit in een machine. De werkdruk is hoger, je neemt je werk tegenwoordig mee naar huis, de banen zijn schaarser, de contracten zijn steeds vaker tijdelijk; de bestaansonzekerheid is toegenomen. Je kunt niet zomaar meer “nee” zeggen, want er zijn veel meer mensen die jouw plek willen. Dus je wilt niet alleen presteren, je móét ook presteren.

Er zijn veel meer verplichtingen bij gekomen, alleen al in de opvoeding. Toen wij kleine kinderen hadden, hoefden we veel minder. Je stond niet langs de lijn als je kinderen gingen voetballen of hockeyen, dat was tijd voor je eigen ontspanning: je trof vrienden, dronk een borrel bij elkaar. Tegenwoordig gaan ouders overal mee naartoe. Ja, je hebt het allemaal zelf bedacht en gewild, maar het wordt al met al wel erg veel, en het is erg lastig je daaraan te onttrekken.’

‘De troost zit ‘m erin dat je niet de enige bent die in die gekke molen zit.’

Je moet jezelf niet voor de gek houden, waarschuwt de godsdienstpsycholoog: ‘Wat is het alternatief voor “moeten”: twee dagen werken en drie dagen thuisblijven? Is dat voor ambitieuze mensen met een hypotheek een optie? Nee, je moet mee, je moet erbij blijven. En ja, je schiet tekort in alles omdat je niet alles tegelijk kan doen. Je schiet te kort ten opzichte van de kinderen, ten opzichte van je werk. Dat is een heel riskant bestaan tegenwoordig, met al die ballen in de lucht; óf het lukt je staande te blijven in die tamelijk moeilijke situatie of je krijgt een burn-out.’

‘Waarin zit ’m dan de troost?’ vraag ik hem, een beetje ontdaan.

Nauta: ‘De troost zit ’m erin dat je niet de enige bent die in die gekke molen zit en er niet uit kan. De zelfcompassie zit ’m in de realisatie: ik ben niet vrij.’

Het zou, verklaart Nauta, in het verlengde van de maakbaarheidstraditie liggen om te bedenken hoe je met die spanningen kunt omgaan door bijvoorbeeld een programma te volgen van mindfulness- en dankbaarheidsoefeningen, of een cursus ‘Hoe word ik minder perfectionistisch’ – maar dat zijn wéér verplichtingen. Nee, zegt hij, en stelt het omgekeerde voor: ‘Een je radicaal realiseren: ik ben niet vrij, en ik stap er tóch af en toe uit, sommige dingen doe ik gewoon even niet nu.’

Puinhoop

Fitness, yoga, zelfhulpboeken: voor je het weet, maken al die welgemeende activiteiten om te ontspannen óók weer deel uit van een programma.

‘Die remedies kunnen allemaal helpen om acute stress weg te nemen,’ zegt Pint, ‘ze hebben de functie van paracetamol, een ongevaarlijk medicijn dat even de acute hoofdpijn verlicht, maar daarna moet je natuurlijk wel kijken waarom je die hoofdpijn eigenlijk hebt.’

‘We zijn menselijke wezens, we zijn niet te optimaliseren.’

De maakbaarheidsgedachte eens flink relativeren, daarin ligt volgens de deskundigen het begin van de oplossing. ‘We zijn menselijke wezens, we zijn niet te optimaliseren,’ zegt Pint achter zijn bureau aan de Faculteit Architectuur en Kunst van Universiteit Hasselt. Volgens de filosoof winnen onze driften het uiteindelijk toch van dat maakbaarheidsideaal. Het is onbegonnen werk om al die onderhuidse verlangens, die vaak ook nog eens onderling tegenstrijdig zijn, volledig in overeenstemming te brengen met ons handelen.

Dit inzicht heeft ook postgevat bij filosoof Alain de Botton, als oprichter van cursusinstituut The School of Life voorheen ronduit optimistisch over het menselijke vermogen tot zelfverbetering. Zo twitterde hij onlangs, naar ik aanneem over zichzelf: ‘Je was een idioot, je bent een idioot, en je blijft een idioot.’ Niet lang daarvoor had hij tijdens lezingen in Amsterdam en Utrecht geschetst ‘wat een puinhoop wij mensen zijn’.

Niemand komt onbeschadigd uit zijn kindertijd, zo hield hij zijn publiek voor. We torsen die persoonlijke gekte ons hele leven mee, en het beste dat ons kan gebeuren, is een geliefde, een levenspartner treffen die ons in een spirit of tenderness wil helpen het beste uit onszelf te halen. ‘Liefde is elkaar onderwijzen,’ verklaarde hij.

Leugentjes

We zijn allemaal een puinhoop, concludeerde ook Seth Stephens-Davidowitz nadat hij vijf jaar lang had geanalyseerd waar mensen op internet naar zoeken. Stephens-Davidowtiz, aan Harvard gepromoveerd in de economie, onderzocht geanonimiseerde data van onder meer Google en PornHub, en noteerde zijn bevindingen in het recent verschenen boek Everybody Lies. Online, alleen en anoniem tikken mensen in een zoekbalk termen en vragen die ze nooit zouden laten vallen in gezelschap. Over vermoeidheid, tekens van depressie, symptomen van kanker, de kleur van ontlasting, over huiduitslag, affaires, seksuele fantasieën, geldschulden, roddels over bekenden.

Stephens-Davidowitz moest gaandeweg concluderen dat zijn landgenoten racistischer, angstiger, onzekerder, kwader, jaloerser en perverser waren dan hij dacht. Toch heeft hij die vijf jaar waarin hij via een computerscherm kennisnam van andermans vreemdste en donkerste gedachten ‘zeer geruststellend’ gevonden. ‘Ik voel me sindsdien veel minder alleen met mijn onzekerheden, spanningen, worstelingen en wensen,’ schreef hij in The New York Times. Hij moet tegenwoordig een beetje lachen om al die gelikte plaatjes op Facebook en Instagram. ‘Zodra je maar genoeg van die Google-data hebt ingezien, is het erg moeilijk die curated selves op social media al te serieus te nemen.’

Lust, melancholie en leegte

Voorlopige conclusie: voor een vrijer leven zijn waarschijnlijk een paar elementen noodzakelijk. Ik noem ze hier lust, melancholie en leegte.

‘Meer leven’ heeft te maken met de intensivering van aandacht en gevoel. Dat begint volgens de deskundigen in dit verhaal door harde keuzes te maken voor wat je op een dag wilt doen, en daar met volle kracht op in te zetten. Dat vereist, zo beweren ze stuk voor stuk, een regelmatig terugkerend zelfonderzoek naar wat op dít moment voor ons de meeste waarde heeft, en alleen daarnaar te handelen.

Ik noem dit element ‘lust’: de wil en zin om dingen te doen. Het vuur aan te steken in de dag, de vlammen tot leven te blazen. Volle kracht vooruit.

‘‘Onze onvolkomenheden kunnen ons helpen ons te leren toespitsen,’ verklaart hij, ‘om niet te verdrinken in alle mogelijkheden.’’

De tweede remedie tegen ontploeteren, zo betogen De Botton, Nauta, Pint en Denys, ligt in beperkingen accepteren. Dat niet alles kan, dat je niet alles kunt. Psychiater Denys noemt het leren omgaan met tekortkomingen zelfs ‘de essentie van het menszijn’. ‘Onze onvolkomenheden kunnen ons helpen ons te leren toespitsen,’ verklaart hij, ‘om niet te verdrinken in alle mogelijkheden.’

Het wordt volgens hem de hoogste tijd dat we dat ook onze kinderen gaan bijbrengen. Hij zegt: ‘De wijze waarop je je tot het tekort verhoudt, daar zit de persoonlijke ontwikkeling in, dat is het interessante drama van het menszijn. De weg, niet de bestemming. En nee, dat hoeft geen groeimodel te zijn, daarin zit geen “beter”.’

Voor de omgang met die beperkingen gebruiken psychologen en filosofen woorden als ‘verzoening’, ‘berusting’, ‘gelatenheid’. Ik vat het samen als ‘melancholie’: het in mild verdriet overdenken van je eigen en andermans onvermijdelijke onvermogen.

Het derde pad naar meer vrijheid noem ik voorlopig maar ‘leegte’. Oningevulde tijd om alles weer eens opnieuw te bedenken, om afstand te houden van hoe andere mensen de dingen doen, en die niet klakkeloos te imiteren; om ruimte te laten voor het onbekende en onverwachte. Om in het moment te springen, halsoverkop, en helemaal. Zoals Jorge Luís Borges schreef:

     Want, voor het geval je het nog niet weet, dat is waar het leven van gemaakt is: momenten.

     Mis niet het nu.

Nu oppassen dat ik daar niet meteen weer een programma van maak.

Momenten Jorge Luís Borges

Als ik mijn leven opnieuw zou kunnen leven zou ik in het volgende leven proberen meer fouten te maken. / Ik zou niet zo perfect proberen te zijn, ik zou meer ontspannen. / Ik zou dwazer zijn dan ik geweest ben, / in feite zou ik heel weinig dingen serieus nemen.


Ik zou minder hygiënisch zijn, meer risico’s nemen,

Ik zou meer reizen, ik zou meer naar zonsondergangen kijken, / ik zou meer bergen beklimmen, ik zou meer in rivieren zwemmen.

Ik zou naar meer plaatsen gaan waar ik nog nooit ben geweest, / ik zou meer ijs en minder bonen eten. / Ik zou meer echte problemen hebben en minder ingebeelde.

Ik was een van die personen, die verstandig en productief leefde / elke minuut van zijn leven. / Natuurlijk had ik momenten van vreugde, maar als ik terug zou kunnen keren zou ik proberen alleen maar goede momenten te beleven.

Want, voor het geval je het nog niet weet, dat is waar het leven van gemaakt is: momenten.

Mis niet het nu.

Ik was een van die mensen die nooit ergens heen gingen zonder thermometer, een zak warm water, een paraplu en een parachute.

Als ik opnieuw zou kunnen leven, zou ik lichter reizen. Als ik opnieuw zou kunnen leven, zou ik barrevoets lopen van het begin van het vroege voorjaar tot aan het einde van de herfst.

Ik zou vaker in de carrousel stappen, vaker naar de dageraad kijken, vaker met kinderen spelen. / Als ik het leven weer voor me had / Maar zoals u ziet, ik ben 85 jaar oud en ik weet dat ik ga sterven.