Als Marcia Luyten in haar rode avondjurk het podium van Theater Heerlen bestijgt, gieren de zenuwen door haar keel. De grond onder haar voeten lijkt te schudden, zo erg staat ze te trillen op haar benen. Het tv-programma Buitenhof live presenteren, debatten leiden en lezingen geven, al die activiteiten gaan haar inmiddels bijna moeiteloos af. Maar nu ze hier in haar geboortestreek op het punt staat het lied ‘Motherland’ van Natalie Merchant te vertolken, voelt ze zich ineens heel kwetsbaar. Ze hoort de pianiste de eerste akkoorden spelen, telt af, en zet dan nét iets te laat in. Where in hell can you go, far from the things that you know, klinkt haar wat bibberige stem door de zaal. Na het eerste couplet voelt ze zich zekerder worden. Haar stem klinkt vaster, maar nog wel breekbaar. Don’t miss this wasteland, this tormented place, when you leave. Ze kijkt de roodverlichte zaal in. Tranen biggelen over de wangen van toeschouwers, onder wie opvallend veel stoere mannen. Ook haar eigen vader is ontroerd.
Dat ze dit lied bij de presentatie van haar boek Het geluk van Limburg die zondagmiddag afgelopen oktober zou zingen, stond al lange tijd vast. De eerste keer dat Luyten (45) het hoorde, had ze net de eerste zinnen op papier gezet. De songtekst ging helemaal over haar, dacht ze meteen. Over hoe ze opgroeide in de Oostelijke Mijnstreek, waar de werkloosheid torenhoog was, de winkelstraten verloederden en de wegen in en rondom het station bezaaid lagen met drugsspuiten. Over hoe ze op jonge leeftijd besloot zo snel mogelijk weg te gaan uit deze troosteloze omgeving, omdat ze te veel ambitie en levenslust had om hier gelukkig te worden. En over hoe de omgeving tegelijkertijd iedere keer als ze er terugkwam weer zo vertrouwd en geborgen voelde.
Mijnwerkerskoloniën
Ik begrijp wat Luyten bedoelt, ook mijn wortels liggen in Heerlen en omstreken. Net als zij heb ik dit deprimerende straatbeeld geprobeerd achter me te laten, maar word ik er steeds weer mee geconfronteerd hoe onlosmakelijk ik met mijn geboortestreek ben verbonden.
Over de oorzaken van de verloedering – gelegen in het beladen mijnverleden – kregen we beiden, net als alle andere Limburgse jongeren, vrijwel niets te horen. Zowel op de basisschool als op de middelbare school werd er met geen woord over gerept en ook bij veel gezinnen met een mijnwerkersachtergrond was het onderwerp taboe.
Toen Luyten een aantal jaar geleden als journalist in Afrika verhalen maakte over de kopermijnen in Zambia, de bodemschatten in Congo en de oliestrijd in Oeganda, realiseerde ze zich steeds vaker hoe vreemd het eigenlijk was dat ze zo weinig wist over de steenkoolindustrie in Zuid-Limburg. Zo ontstond het idee voor haar boek. Bij terugkomst in Nederland zes jaar geleden dompelde ze zich maandenlang onder in de materie. Vanuit haar tijdelijk gehuurde appartementje in Maastricht spitte ze archieven door, bezocht ze voormalige mijnwerkerskoloniën en voerde ze talloze gesprekken. Via haar vader kwam ze in contact met Jack Vinders, een Limburgse zanger afkomstig uit een mijnwerkersgeslacht uit de Kerkraadse kolonie Heilust. Doordat ze zijn dramatische levensverhaal op een vloeiende manier heeft weten te vervlechten in de sociaal-economische mijngeschiedenis, leest het boek als een roman die maar moeilijk is weg te leggen. Het verscheen in 2015, precies vijftig jaar na het kabinetsbesluit de mijnen te sluiten. Onlangs ontving ze voor haar werk de prestigieuze Brusseprijs die jaarlijks wordt uitgereikt voor het beste Nederlandse journalistieke boek.
Shakespeariaans drama
‘Zodra ik thuis kom, ben ik alle hectiek van Buitenhof en mijn andere werk kwijt,’ zegt Luyten, terwijl ze met krachtige bewegingen over de Broekervaart roeit langs de uitgestrekte weilanden van Broek in Waterland, een dorpje boven Amsterdam. Ze meert aan bij haar woonark die alleen via het water is te bereiken. Het is het voormalige stulpje van Diederik Samsom met wie zij en haar man Jeroen de Lange ooit goed bevriend waren. Toen ze de ark in 2003 van de huidige PvdA-fractieleider kochten, moest er behoorlijk wat aan worden opgeknapt. Luyten: ‘Hier op het land stond alleen een oude schuur. Maar toen ik de tuin in stapte en al die ruimte en de schapen achter het hek zag, wist ik in een split second: hier gaan wij wonen.’
De vriendschap met Samsom is voorbij, sinds die er persoonlijk voor zorgde dat haar man in 2012 op een onverkiesbare plek op de PvdA-lijst voor de Tweede Kamer terecht kwam. Dat was ‘een Shakespeariaans drama’, zegt Luyten die er verder niet te veel over kwijt wil. In dezelfde periode werd ze zelf gevraagd eens in de drie weken het actualiteitenprogramma Buitenhof te gaan presenteren. ‘Jeroen was oprecht blij voor mij, maar had zelf een zware tijd. Hij had zich enorm verheugd op een politieke carrière. Dat die niet doorging, vind ik nu een blessing in disguise. Het werken in Den Haag is zo heftig met al die machtspelletjes.’ En lachend: ‘Je hebt een veel leukere man als hij níét in de Tweede Kamer zit.’
In 2010 keerden ze met hun twee zoons en dochter terug naar de woonark. Daarvoor woonden ze voor het diplomatenwerk van De Lange – tegenwoordig consultant voor de Wereldbank – in Afrika, eerst in Rwanda en na een tussenpauze in Nederland in Oeganda. In de woonkamer met open keuken vallen niet alleen de piano en drie gitaren op – het hele gezin is muzikaal – maar ook de vele Afrikaanse maskers, verspreid over de vensterbanken en kastjes. Het ruim onderin de boot staat ook nog boordevol dozen met maskers, zegt Luyten, terwijl ze een schoteltje met koffiebroodjes op tafel zet. Voor zichzelf pakt ze een bakje gedroogde abrikozen. Ze kocht de maskers voor ‘honderden euro’s’ meteen na hun aankomst in Rwanda. ‘Mijn freelance-opdrachtgever had ineens laten weten tóch geen gebruik te willen maken van mijn journalistieke activiteiten. Nou, dan begin ik straks in Amsterdam gewoon een galerie voor Afrikaanse kunst, dacht ik. Maar ja, dat is er nooit meer van gekomen. Na een paar weken schreef ik al voor Elsevier, voor Het Parool en later voor NRC.’
Een tikje ongeduldig
De snelle koopactie is tekenend voor haar karakter. Vol enthousiasme begint Luyten aan nieuwe avonturen, een tikje ongeduldig soms. Zodra het even tegenzit, zoekt ze meteen naar andere oplossingen. Neem zoveel mogelijk het heft in eigen handen, luidt een van haar levensmotto’s. Juist het gebrek aan daadkracht is wat haar altijd zo stoorde aan de mentaliteit in Zuid-Limburg. Ze vond dat er te veel een dominante cultuur van berusting heerste, de Limburgers zouden zich bijna apathisch hebben neergelegd bij de verpaupering van hun regio. Waar Luyten zich vanuit haar verblijf in Oeganda hogelijk over verbaasde, was de enorme aanhang die Geert Wilders in Zuid-Limburg had. ‘Alles wat hij wil – zoals dat Nederland zich afkeert van Europa – zou voor de toekomst van de regio juist slecht uitpakken. Kennelijk zat er bij de Limburgers zo’n groot gevoel van onbehagen en van in de steek gelaten zijn door Den Haag, dat ze tegen iedere verandering stemden. Ik wilde begrijpen waardoor dat kwam. Tegen Jeroen zei ik: zodra we terug zijn in Nederland, begin ik aan dat boek.’
Toch had u in die tijd al een duidelijke mening over de situatie. In een kritisch opiniestuk in NRC in 2011 beschreef u Zuid-Limburg als een ‘zichzelf vermeerderend vat vol rancune’ waar niets meer viel te beleven. De inwoners zouden zich sinds de mijnsluiting onterecht achtergesteld voelen door Den Haag.
‘Ja, dat vond ik ook. Limburgers klagen snel. Ze zoeken de oorzaak van problemen elders en berusten daarin. De schuld buiten jezelf zoeken, leidt vaak tot een zekere apathie. Maar ik was ook boos dat er zoveel mensen op Geert Wilders stemden. Daarmee vergroot je alleen maar de problemen die er al zijn.’
Wat voor reacties kreeg u op dat artikel?
‘Heel heftige, dat had ik met een eerder stuk nooit zo meegemaakt. Ze gingen twee kanten op. Mensen die net als ik uit Limburg waren weggegaan, schreven: wat goed dat je dit durft te zeggen, het is helemaal waar. Maar de Limburgers die waren gebleven, waren woest op me. Sommigen stuurden heel lelijke mails, dat ik een nestbevuiler was en zo.’
Zaten daar ook bekenden van u tussen?
‘Ja, een voormalige journalist met wie ik ooit had samengewerkt en die inmiddels werkte aan een campagne om het imago van Limburg op te krikken.’ Besmuikt: ‘Ik vernielde zijn werk, dus die was erg boos. En sommige bestuurders ook.’
Sommige Limburgers waren woest en stuurden lelijke mails dat ik een nestbevuiler was en zo.
Vrijpostig
Het was niet de eerste keer dat haar scherpe pen ophef veroorzaakte. Tijdens haar verblijf in Oeganda schreef Luyten regelmatig felle betogen over ontwikkelingssamenwerking in NRC. Die werden haar niet in dank afgenomen door het ministerie van Buitenlandse Zaken, de toenmalige werkgever van haar man. Hij was als econoom gedetacheerd bij de Wereldbank en verantwoordelijk voor de stroomlijning van begrotingssteun. Juist ook over die begrotingssteun was Luyten kritisch. Ze vond dat er te weinig aandacht was voor de ‘perverse effecten’ van hulp, de ontwikkelingsgelden zouden vooral in de zakken van president Museveni verdwijnen. Meerdere malen werd haar man gewaarschuwd voor mogelijke gevolgen van haar stukken voor zijn baan, zegt Luyten. ‘Van sommige artikelen baalde Jeroen zelf ook, maar hij vond toch vooral dat ik vrij moest zijn om te schrijven wat ik vond.’ Zelf werd ze ook een keer op het matje geroepen bij de ambassade. ‘Eerst oefende de ambassadeur druk op me uit, zodat ik zou stoppen met schrijven. Maar toen ik dat weigerde – ik vond mijn werk te belangrijk en interessant – moest ik een contract ondertekenen dat ik voor mijn artikelen nooit informatie van Buitenlandse Zaken zou gebruiken. Alles werd gedaan om me aan banden te leggen.’ Toen haar man kort daarna te horen kreeg dat zijn contract niet werd verlengd, was ze verbijsterd. Ze schreef een woedende tweet: ‘Onbestaanbaar: BZ verbreekt contract met mijn man vanwege mijn stukken in NRC.’ Toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen deed het bericht af als ‘onzin’. Vanwege bezuinigingen zou geen enkel tijdelijk contract worden verlengd. Maar Luyten wist het zeker: ‘Die verlenging was hem eerder toegezegd. Bovendien was Jeroen dé expert op het gebied van begrotingssteun. Het was volstrekt idioot om hem te laten gaan.’
U bent iemand met een stevige mening over veel onderwerpen. Kan die houding ook een reactie zijn op de cultuur van berusting die u als kind in Limburg zo sterk voelde?
Ze is even stil. Dan: ‘Ik weet nog dat ik als negenjarige thuiskwam met mijn rapport. Mijn cijfers waren goed, maar er stond in dat ik vrijpostig was. Toen ik mijn vader vroeg wat dat betekende, zei hij: brutaal. Daar was ik echt door aangeslagen. Want brutaal zijn, dat is niet goed. Mijn ouders schamen zich vast voor me, dacht ik. Jaren later realiseerde ik me dat ik waarschijnlijk helemaal niet brutaal was, maar ongevoelig voor autoriteit. Ik heb ontzag voor mensen die het verdienen, maar niet vanzelfsprekend voor autoriteiten. Dat ik zo kritisch was, viel zeker in Zuid-Limburg uit de toon.’

Historische fout
Spijt heeft Luyten niet van haar essay over de apathische klaagcultuur, maar haar woede ging tijdens de research voor haar boek gestaag over in compassie. Ze ontdekte hoezeer de Zuid-Limburgers eerst zestig jaar lang in een verstikkende greep waren gehouden door de drie-eenheid van de staat, de katholieke kerk en de mijnen. Alles stond in het teken van de gereguleerde mijnwerkersgemeenschappen. Wie verdacht werd van socialistische sympathieën of ander afwijkend gedachtegoed moest vrezen voor zijn baan. Toen in de jaren zeventig de mijnen sloten en het kabinet haar belofte van voldoende vervangende werkgelegenheid niet na bleek te komen, voelden de Limburgers zich aan hun lot overgelaten. Door het jarenlange zware werken onder de grond kregen velen ook nog eens stoflongen en werden ze doodziek. Van hun uitkeringen konden ze nauwelijks rondkomen. Luyten: ‘Ik dacht, mijn god, wat is er een vloedgolf over die mensen heen gekomen die ze eerst heeft opgetild; ze kregen beter onderwijs, zorg en een hoger salaris. In ruil daarvoor moesten ze zich helemaal schikken en plooien tot gedisciplineerde, loyale, fitte arbeiders die nooit hun bek opentrokken. Toen de stellages van mijn, staat en kerk met donderend geraas instortten, zakte de vloedgolf weg en lagen ze als vissen op het droge. Ze hadden nooit iets anders geleerd dan op die ene golf mee te zwemmen.’
Komt u zelf uit een mijnwerkersgeslacht?
‘De échte mijnwerkersgeslachten waren families in de mijnkoloniën waar het vak steeds van vader op zoon werd overgedragen. Ik groeide op in het dorpje Wijnandsrade dat op de rand van de mijnstreek ligt. Pas heel laat kwam ik erachter dat mijn opa, die overdag gewoon boer was, jarenlang ’s nachts ondergronds had gewerkt. De opbrengsten van de boerderij waren niet genoeg om tien kinderen te voeden. Mijn andere opa was meubelmaker. Toen de zaak failliet ging, moesten hij en zijn broers ook ondergronds. Maar ik heb heel lang gedacht dat de een boer was en de ander meubelmaker. Er werd nauwelijks gesproken over hun mijnverleden. Wonderlijk toch?’
Mijn grootvader was magazijnmeester in het Stikstofbindingsbedrijf van de Staatsmijnen in Geleen. Bij ons werd ook niet veel over die tijd gesproken, maar ik ken wel een paar verhalen. Dat de pastoor regelmatig langs kwam om te controleren of mijn grootmoeder – zelf protestants – weer zwanger was en of de kinderen wel waren gedoopt. Van mijn moeder weet ik dat hun gezin nauwelijks rond kon komen van het salaris van mijn opa.
‘Mijn vader heeft daar ook nog even gewerkt op zijn zestiende, toen zijn vader stierf en hij van school moest om geld te verdienen. Ja, bovengronds verdienden de mensen veel slechter, omdat de bedoeling was dat zoveel mogelijk mannen ondergronds gingen. Daarom stuurde de kerk ook aan op grote gezinnen.’
Dat wij beiden niets over de beladen geschiedenis hoorden of op school leerden, is volgens Luyten geen toeval. ‘Dat geldt voor onze hele generatie. Alles wat ook maar een beetje deed herinneren aan de mijnen was letterlijk weggemoffeld en weggeveegd. Het werd afgedaan als die vieze negentiende-eeuwse industrie. Juist die verloochening heeft zoveel schade berokkend, in economisch, sociaal en mentaal opzicht. Ik bedoel: dat de mijnen dicht gingen, was onvermijdelijk. Maar met het wegvegen van de hele economie en alle opgebouwde technische kennis eromheen, is een vreselijke historische fout begaan.’
Verwarrende emoties
De diepe duik in het mijnverleden deed meer met Luyten dan ze vooraf had gedacht. Zo leerde ze haar oude verwarrende emoties in een context te plaatsen. ‘Toen ik als kind in de jaren tachtig rondliep in Heerlen, voelde ik hoe de streek elke hoop had verloren. Maar ik had geen flauw benul van wat daaraan vooraf was gegaan. Tijdens mijn onderzoek ontdekte ik dat Heerlen tijdens de mijntijd de rijkste stad van Nederland was, samen met Rotterdam. Het gebied stond bekend om de grote dichtheid van bontjassen. Na het sluiten van de mijnen was de stad heel hard achteruitgegaan.’
We hadden als jongeren in Heerlen geen flauw benul wat zich daar allemaal had afgespeeld. Ik herinner me hoe iedereen tijdens carnaval in de kroegen het lied Lange Jan luidkeels meezong zonder echt te weten waar het over ging. Ik wist nog net dat het verwees naar de immense mijnschoorsteen die decennialang de skyline van Heerlen had gedomineerd, maar niet hoe trots de bewoners daar ooit op waren. In uw boek las ik dat de zanger Wiel Knipa na zijn dood eigenlijk een standbeeld zou krijgen, totdat ineens bleek dat hij lid was geweest van de NSB.
‘Ja, dat wist ik zelf ook niet. Het lied is trouwens nog steeds populair.’
Er was na de oorlog een totaal scheef beeld ontstaan van Limburg als bolwerk van NSB’ers.
Dat de NSB-aanhang in de jaren dertig in Zuid-Limburg relatief hoog was, is een bekend verhaal. Na de beurskrach in New York in 1929 stortte de vraag naar kolen in en kreeg de Mijnstreek het zwaar. De NSB spon garen bij de grote onvrede onder het volk over het gebrek aan hulp vanuit Den Haag. De laatste jaren leggen critici regelmatig een relatie met de populariteit van de rechtse ideeën van de PVV in de zuidelijke provincie. Luyten: ‘Zelfs Jeroen zei wel eens tegen me: “Ja sorry hoor, in de oorlog waren jullie Limburgers ook massaal voor de NSB.” Ik gaf hem gelijk en voelde zelfs wat gêne.’ Totdat ze er bij haar research achterkwam dat er tíjdens de oorlog juist in Limburg opvallend veel verzet was. De kerk riep daartoe op en de mijnwerkers gingen na de bezetting massaal in staking. Talloze gezinnen namen Joodse onderduikers op. In Limburg is uiteindelijk de helft van de Joden weggevoerd, tegenover driekwart in de rest van het land, zegt Luyten. ‘Juist die hechte gemeenschap zorgde voor een groot onderling vertrouwen en maakte het veiliger onderduikers op te nemen. Vooral bij de protestantse minderheidsgroepen zag je dat. Maar in de officiële geschiedenis over de Tweede Wereldoorlog lees je niets over het Limburgse verzet.’
Beschouwt u dit boek ook als een klein eerbetoon aan dat vergeten verzet?
‘Met één boek de hele vastlegging van de geschiedenis rechtzetten, lukt natuurlijk niet. Maar ik wilde de geschiedwerken wel met een klein zetje corrigeren. Er was na de oorlog een totaal scheef beeld ontstaan van Limburg als bolwerk van NSB’ers.’
Hardhandige tegenwerking
Door de hele mijngeschiedenis heen heeft Luyten in haar boek het tragische levensverhaal van Jack Vinders en zijn naaste familieleden verweven. Met veel moeite en – soms hardhandige – tegenwerking van zijn eigen familie wist hij zich te onttrekken aan een mijnwerkersbestaan en een carrière als zanger en cabaretier op te bouwen. Intussen werd niet één gezinslid groot leed bespaard. Vooral zijn moeder, die getraumatiseerd was door een misbruikverleden, had het zwaar te verduren. In een eeuwige – vergeefse – poging liefde van haar te ontvangen, probeerde de jonge Jack Vinders zijn moeder zoveel mogelijk zorgtaken uit handen te nemen. Vooral de urenlange gesprekken met Jack vond Luyten ‘heftig’. Ze voerde alle interviews in het dialect, want: ‘Ik zweer je, Limburgers voelen zich daarbij veel meer op hun gemak.’
U heeft geen Limburgs accent.
‘Nee, dat hoor ik vaker. Daar heb ik járen logopedie voor nodig gehad, zeg ik wel eens.’ Met een grijns: ‘Mensen kijken me dan geschokt aan. Dat ze dát durft toe te geven, zie je ze denken. Maar het is natuurlijk een grapje. Ik heb gewoon een goed muzikaal gehoor en pas me bijna vanzelf aan.’
Niet iedereen uit de familie Vinders zal blij zijn met het boek. Zo beschrijft u hoe een tante Jack probeerde te wurgen toen hij uitkwam voor zijn homoseksualiteit.
‘Die tante is overleden en had geen kinderen. We hebben het er wel uitgebreid over gehad of ik dat soort passages moest opnemen, maar uiteindelijk besloten we dat het wel kon. Jack heeft één anonieme mail gekregen met de zin: kun je de doden niet met rust laten. Hij denkt dat die van een neef was. Zelf beschouwt hij het boek als een eerbetoon aan zijn moeder.’
Twee levens
Met het echte schrijfwerk was Luyten een aantal jaren bezig. In de weken dat ze geen uitzending van Buitenhof had, vertrok ze op donderdagmiddag naar haar Maastrichtse appartementje en kwam ze op zaterdagmiddag weer terug bij haar gezin in Broek in Waterland. Eigenlijk leidde ze twee levens, zegt ze. ‘Ik voelde me af en toe schizofreen. Om zo’n boek te kunnen schrijven, moet je echt je hoofd leeg kunnen maken. Maar het hele systeem gezin kan ik niet goed loslaten. Ik ben thuis toch degene die weet wie wanneer zwemles of gitaarles heeft of naar een feestje moet.’
Regelde u dat allemaal vanuit Maastricht?
‘Ja! En als ik Buitenhof moest presenteren, was ik ook zo weer een kleine week verder. Sowieso had ik soms dagen dat ik alleen maar zat te prutsen en geen normale zin op papier kreeg, maar soms zat ik net in een flow als ik moest stoppen omdat ik me echt moest gaan inlezen voor een interview met bijvoorbeeld Jeroen Dijsselbloem. Ik vond het aan de ene kant heel bevrijdend om dit boek te maken, maar het viel me wel tegen hoezeer het me in beslag nam.’
Ik was een ongelooflijk vrolijke flierefluiter. Nu denk ik bij ieder kwaaltje dat ik iets ernstigs heb.
Haar arbeid werd uiteindelijk beloond. Eind juni ontving Luyten de Brusseprijs voor het beste journalistieke boek van afgelopen jaar. De jury vond het ‘bewonderingswaardig’ hoe ze de twee verhaallijnen had laten samensmelten en noemde haar een ‘overtuigende winnaar’. Een paar dagen later plaatste Luyten de tweet: ‘De enige andere keer dat ik ontbeet in een zee van bloemen was doodziek in een ziekenhuisbed. Veel beter dit.’ Het was een verwijzing naar een zwarte periode uit haar leven, toen ze eind twintig was. Ze voelde zich al een tijd slecht, was kilo’s aangekomen en viel regelmatig flauw. De huisarts deed het af als stress. Maar toen ze op een gegeven moment vrijwel iedere ochtend even bewusteloos raakte, sloeg de paniek toe. De artsen constateerden een tumor in haar alvleesklier. Het bleek dat ze steeds in een coma dreigde te raken door haar extreem lage suikerspiegel. Maanden verbleef ze op en af in het ziekenhuis, omdat de artsen moeite hadden de precieze plek van de tumor te traceren. De situatie was levensbedreigend.
Sinds de operatie moet ze zich houden aan een streng dieet, anders raakt haar suikerspiegel van slag. En ze is ook meer een hypochonder geworden, zegt Luyten: ‘Ik was een ongelooflijk vrolijke flierefluiter die dacht dat haar nooit iets kon mankeren. Nu denk ik bij ieder kwaaltje dat ik iets ernstigs heb. Ik ben me er veel meer van bewust dat het écht mis kan gaan.’ Maar de ziekte heeft haar ook iets positiefs gebracht. ‘Er moet veel gebeuren voordat ik denk: dit is erg. Mijn referentiepunt is altijd zo’n levensbedreigende ziekte, dus mijn incasseringsvermogen is veel hoger.’
Laatst werd ze nog op de proef gesteld. Ze had bij de VPRO een verzoek ingediend om een reisserie door Limburg te maken aan de hand van haar boek. Ze wilde allerlei plekken in de Mijnstreek bezoeken om te kijken hoe het de dorpen en hun bewoners tegenwoordig vergaat. Met twee researchers had ze er al drie maanden hard aan gewerkt en proefopnamen gemaakt. Maar toen ze een paar weken geleden op de fiets over de dijk naar huis reed, kreeg ze een telefoontje dat de netcoördinator van de NPO het idee had afgewezen. Natuurlijk was ze teleurgesteld. Stiekem had ze erop gerekend en behalve Buitenhof had ze andere klussen voor de komende tijd afgehouden. Nu de opdracht niet doorging, was haar agenda voor het najaar ineens angstvallig leeg. Maar toen stelde ze zichzelf opnieuw die ‘allesrelativerende’ vraag: ben ik, of is een van mijn geliefden, ziek? Tevreden stapte ze weer op de fiets.

De Limburghobbel
Ze heeft al een idee voor een volgend boek, zegt Luyten later aan de telefoon. ‘Ik doe voorzichtig onderzoek naar Amsterdam-Noord, ook een regio met een bewogen geschiedenis. In de tijd van de scheepsbouw werden daar net als in de Mijnstreek hele wijken uit de grond gestampt. Daar zit vast een mooi verhaal in, maar dat zoek ik dus nog.’
Eerlijk gezegd is ze toch nog ‘chagrijnig’ over het niet doorgaan van de reisserie, bekent ze dan. De netcoördinator gaf geen duidelijke reden, maar ze vermoedt dat hij überhaupt geen interesse had in een productie over Limburg. Dat gebrek aan belangstelling voor het Zuiden bespeurt ze vaker. De ‘Limburghobbel’ noemt ze het ook wel. ‘Er wordt toch nog steeds denigrerend gedaan over Limburg. Opiniemakers hebben daar ook een handje van. Zo schreef Bert Wagendorp, toch een vooraanstaand columnist, in de Volkskrant een paar keer over hoe de kwestie Jos van Rey illustratief zou zijn voor de politieke cultuur in Limburg. Maar je hoort nooit iemand een verband leggen tussen de zaak Ton Hooijmaijers en de cultuur in Noord-Holland.’
Intussen kruipt de Limburgse economie de laatste tijd langzaam maar zeker uit het dal. Sterker, er is een ‘kantelmoment’ aangebroken, zegt Luyten. ‘Steeds meer bedrijven vestigen zich in het zuiden. De Limburgers hebben eindelijk een manier gevonden om zelf de economie te stimuleren. Namelijk door een soort campussen te bouwen die als vliegwiel fungeren en allerlei bedrijven aantrekken. Je hebt Chemelot op het oude DSM-terrein met allemaal chemiebedrijven, er is een campus voor big data in het oude ABP-gebouw in Heerlen en er komt daar ook een health campus.’ Vorig jaar was de economische groei in Limburg met 2,1 procent zelfs hoger dan het landelijk gemiddelde.
Ook het sentiment in Limburg over de steenkoolindustrie begint om te slaan, merkte Luyten bij haar onderzoek voor de reisserie. De apathie en het slachtoffergedrag van Limburgers maken steeds meer plaats voor een voorzichtige trots op het verleden. ‘Zeker bij de nieuwe generatie is er een soort revival van de kompelmentaliteit gaande. Ik kwam de laatste maanden superleuke dingen tegen. Jongeren in Kerkrade en Heerlen die mijnsymbolen op hun armen en benen laten tatoeëren. In het voetbalstadion van Roda JC is een skybox helemaal ingericht als een mijnschacht. Die is superpopulair.’ Haar verklaring voor de omwenteling: ‘Vijftig jaar na de mijnsluiting vinden de Limburgers eindelijk hun glorieuze mijngeschiedenis terug. En die doet iets met ze. Er ontstaat weer een gevoel van: hier in deze streek kunnen we grootse dingen voor elkaar krijgen. Ze realiseren zich dat ze op de schouders staan van reuzen.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.