In zijn nieuwe bundel essays Het visioen aan de binnenbaai beoefent Oek de Jong het persoonlijke, autobiografische essay wanneer hij terugkijkt op het ontstaan van Opwaaiende zomerjurken en zijn vriendschap met Frans Kellendonk.
Wanneer Oek de Jong De avonden van Gerard Reve leest denkt hij regelmatig over de hoofdpersoon: ‘Die Van Egters, die Frits, die zou eens een ongelooflijk pak op zijn sodemieter moeten hebben, daar zou hij van opknappen, dat zou hem goeddoen.’ Die gedachte duikt speciaal op bij passages waarin Van Egters zijn vrienden of zijn vader weer eens aan het sarren is. Wanneer hij zijn vader voor de zoveelste keer een verhaal uit zijn jeugd laat vertellen en dan zit te wachten op bepaalde details die zijn vader subiet weer oplepelt. Zoals het detail van het bankje in het verhaal dat hij als jongen van twaalf in de fabriek een machine moet bedienen waar hij niet bij kan: ‘Nu komt het bankje, denkt hij vol afschuw, nu komt het bankje.’
De Jong heeft het over Reve en Frits van Egters in het essay ‘De kleine satan’ in zijn nieuwe bundel essays Het visioen aan de binnenbaai. Je zou niet denken dat De Jong ook maar iets van zichzelf herkent in de sardonische, in zichzelf opgesloten Van Egters die ‘alles’ ziet, alles moet zien, en dwangneurotisch gefixeerd is op details die te maken hebben met ziekte, dood en verval, van de etensresten tussen zijn vaders tanden, tot de haaruitval van zijn vrienden. Deze behoefte om te kwellen en over de schreef te gaan is ‘de kleine satan’ in Van Egters. Hij verhaalt daarmee zijn eigen tekortkomingen en zelfhaat op anderen. Voor Oek de Jong is Van Egters ‘het prototype van de liefdeloze kleine satan die in ons allemaal rondspookt.’ Hij herinnert zich hoe ‘verschrikkelijk ik zelf soms op die leeftijd was, bijvoorbeeld toen ik op een dag mijn moeder vroeg wat liefde is, de onzekerheid in haar ogen zag opvlammen en haar toen net zo lang paaide tot ze mij, zwetend van ongemak, begon uit te leggen wat liefde is.’
Dit vragen aan zijn moeder wat liefde is, is aanzienlijk onschuldiger dan Van Egters zuigende gesar. De herkenning betreft dan ook vooral de in zichzelf opgesloten Van Egters en dat Reve via Van Egters niets onopgemerkt laat (‘het is gezien’). Edo in Opwaaiende zomerjurken en Abel in Pier en oceaan zitten ook, op een mildere manier, in zichzelf opgesloten, en willen er uit, ze verlangen verlost worden van de last van zichzelf.
Hij heeft het niet alleen over die kleine satan in Van Egters, maar ook over die kleine satan in zichzelf, ook al is die heel wat kleiner en anders.
Het essay over de kleine satan in ons is een goed voorbeeld van het soort essays dat Oek de Jong schrijft: het persoonlijke, autobiografische essay, waarin hij altijd zichzelf betrekt bij het onderwerp waar hij het over heeft. Hij heeft het niet alleen over die kleine satan in Van Egters, maar ook over die kleine satan in zichzelf, ook al is die heel wat kleiner en anders. In het persoonlijke essay, zoals oorspronkelijk door Montaigne begonnen, draait het om het onderwerp én de schrijver. In andere essays blijft het om het onderwerp draaien en is de schrijver van het essay ondergeschikt. Bij Oek de Jong hoort het essay bij de reflexieve kant van zijn schrijverschap, zoals in het eerste essay waarin hij na dertig jaar terugkijkt op het ontstaan van Opwaaiende zomerjurken. In het laatste kijkt hij terug op zijn vriendschap met Frans Kellendonk.
Een rode draad in Het visioen aan de binnenbaai is dat Oek de Jong grenzen wil overschrijden, altijd iets verder wil gaan omdat zich dan iets openbaart wat je ‘de kern’ of ‘de essentie’ zou kunnen noemen. Dat is wat hem interesseerde in de dichter en aan heroïne verslaafde Arie Visser, iemand die voortdurend iets te ver ging, maar toch een boeiend poëtisch oeuvre wist te schrijven, zoals De Jong in een lang essay over Visser aantoont. Wanneer hij het in ‘Juichend jeugdvlees’ over seks en erotiek in de literatuur heeft en constateert dat eeuwenlang niet openlijk over seks is geschreven, maar altijd driedubbel verhullend, beschouwt hij het schrijven over seks in een roman als een manier om verder te gaan, om dieper door te dringen in zijn personages. Net zoals de introspectie van een personage je dichter bij zijn kern brengt, zo brengt het schrijven over verlangen, erotiek en seks je dichterbij de kern van het personage.

Oek de Jong is graag een ‘realist’ want dat is een onthuller, die laat zien hoe de dingen werkelijk zijn. Vandaar de verwantschap die hij voelt met Gerard Reve: het is door Reve gezien zoals het is, het is niet onopgemerkt gebleven. Vandaar ook de herkenning bij het lezen van de liefdesscène van twaalf pagina’s in Rabbit, Run van John Updike, geschreven aan het einde van de jaren vijftig van de vorige eeuw. Daarin beschrijft Updike het ongemak, de lust, het cynisme, de hartstocht, de weerstand, de overgave en de ontnuchtering tussen Rabbit en een prostituee. Updike’s realisme ‘omvat alles’, schrijft De Jong, ‘juist dat maakt de scène zo pijnlijk en prachtig: Updike’s realisme, de mengeling van empathie en nergens voor terugdeinzende waarheidsdrift waarmee hij “alles” laat zien van wat er in zo’n situatie speelt.’
Tot de onthullende kant van dit realisme behoort bij De Jong steevast de noodzaak tot ontluistering. Zijn hang naar ontluistering is minder groot dan bij Frans Kellendonk (bij Kellendonk werd ‘het snijden in het eigen vlees’ bijna een morele plicht), maar hij herkent het als iets dat hem bekend voorkomt. In het uitvoerige en schitterende essay ‘Twee eenlingen’ kijkt hij terug op hun vriendschap en analyseert tastend en zoekend de ontwikkeling van hun verhouding als vrienden, als collega’s en als rivalen. De ‘prins’ Kellendonk werd ziek, maar wilde het er aanvankelijk nauwelijks met hem over hebben. Kellendonks verhouding tot ontluistering was tweeslachtig, hij hield ervan en en hij treurde er om. ‘Ontluistering’ schrijft De Jong, ‘werkt ook bevrijdend – ze brengt je bij de naakte waarheid.’

De waarheidsdrift leidt bij De Jong niet tot hard realisme, maar eerder tot een psychologisch en filosofisch realisme. Het moet samen kunnen gaan met een ander aspect in het werk van De Jong dat in deze essays weer opduikt: wat hij zelf zijn ‘werkelijkheidsmystiek’ noemt. De Jong is uit op epifanieën, op momenten waarop de werkelijkheid zich in zijn ‘ware’ gedaante openbaart. Hij vindt die momenten in de poëzie van Vasalis, van Gorter, van Paul van Ostayen en Lucebert. Hij zoekt die epifanieën het liefst bij dichters en schrijvers (James Joyce), maar ook bij Meister Eckhart, al mist hij bij hem de humor die hij wel aantreft in het taoïsme. De Jong raakt met zijn ode aan de middeleeuwer Meister Eckhart op glad ijs wanneer die wil dat het ‘ik’ zo goed als verdwijnt. Eckhart heeft het over het ‘eigenwillige ik’ dat ‘leeg’ moet worden, want pas dan kan het vollopen met het ‘volledige leven’. Het wordt bij De Jong echt mystiek, iets dat dagelijks geoefend moeten worden in een ‘innerlijke school’, wanneer er enig moralisme om de hoek komt kijken: ‘naarmate je minder vervuld bent van jezelf, gaan alle dingen gemakkelijker.’
De Jong is bang voor het grote woord God (daar heeft hij in zijn jeugd al genoeg van gehad) maar komt er toch weer op uit.
De Jong is bang voor het grote woord God (daar heeft hij in zijn jeugd al genoeg van gehad) maar komt er toch weer op uit wanneer het hem lukt de traditionele voorstellingen van God eruit te laten verdwijnen en het begrip ‘leeg’ te laten worden, waardoor het met een Eckhartse paradox juist ‘gaat stralen.’ ‘Niet het woord zelf’ gaat stralen, voegt hij er aan toe, ‘maar datgene waar het naar verwijst: naar een innerlijke staat, of moet ik zeggen: naar het visioen van een innerlijke staat, naar een toestand waarin je plotseling als het ware over de rand valt en wordt opgenomen in de “ruimte van het volledig leven”, zoals Lucebert het heeft genoemd.’
Ook al verleidt het citaat van Lucebert tot instemming, de manier waarop je tot die ‘innerlijke staat’ moet komen heeft veel weg van hokus pokus. Meister Eckhart verleidt De Jong tot instemming met bondige beweringen als ‘Het ledige gemoed kan alles.’ Om tot een ‘ledig gemoed’ te komen moet je niet of minder ‘vervuld’ zijn van jezelf, zegt Eckhart. Maar dat ledige gemoed kan zich alleen maar leeg voelen wanneer het eerst vol is geweest, en dus wel vervuld is geweest van zichzelf. Op zijn tijd vervuld zijn van jezelf, zoals Oek de Jong in deze essays in gunstige zin regelmatig is, is een voorwaarde om iets tot stand te brengen.
Het visioen aan de binnenbaai van Oek de Jong is uitgegeven door Atlas Contact.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.