Wie had kunnen vermoeden dat het essay nog eens in de gratie zou komen? Het essay is aan het profiteren van de voortschrijdende belangstelling voor non-fictie boeken, de boeken over geschiedenis, maatschappelijke problemen, neurologische bijzonderheden, hersenonderzoek, politieke biografieën en allerlei andere denkbare onderwerpen. Alle boeken met een documentair karakter, waarin feiten en gebeurtenissen in een context worden geplaatst, raken tegenwoordig een snaar. Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays, de bloemlezing van het formaat kinderzitje die Joost Zwagerman in 2010 samenstelde, had nog voornamelijk een literair karakter.

Dat is veel minder het geval met de nieuwe selectie die is gemaakt door Nina Polak en Joost de Vries: De wereld in jezelf. De Nederlandse en Vlaamse literatuur van de 21ste eeuw in 60 essays. Daarin valt meteen op dat pornografie als onderwerp wel erg vaak voorkomt. En politiek (Fortuyn, Rutte, populisme), en maatschappelijke problemen (racisme, feminisme, antisemitisme). Dat wil zeggen: wereldse zaken, die zich kennelijk zo opdringen dat schrijvers ze niet meer kunnen ontwijken. Dat is typisch voor het début de siècle, het begin van de 21e eeuw waarin de werkelijkheid zich in het individu dringt, of dat individu dat nu wil of niet.

Dat begint met 9/11 2001, het jaar dat het spel van het postmodernisme ten grave werd gedragen door de aanslag op de Twin Towers. Gevolgd door de moord op Pim Fortuyn (2002) en Theo van Gogh (2004). En door de onstuitbare verdere opmars van ‘de media’, van televisie tot Instagram. Het individu is gaan samenvallen met de media-werkelijkheid, er is geen of nauwelijks afstand meer. Je wordt een zonderling wanneer je enige distantie probeert te houden tegenover de invasie van de media-werkelijkheid.

De wereld in jezelf

De goed gekozen titel van het boek, De wereld in jezelf, duidt op de tendens in deze essays om de eigen belevingswereld voorop te stellen, de wereld binnen te laten en subjectief te ondergaan, zonder al te veel reflectie. Het is geen narcisme, maar louter een individuele beleving van de werkelijkheid. Het essay is nu een manier om de grote wereld aan jezelf te spiegelen, onderzoekend, meanderend en persoonlijk, zoals de samenstellers schrijven. Dit is iets anders dan de manier waarop Rudy Kousbroek, Karel van het Reve, Andreas Burnier of K.L. Poll essays schreven: dat was, hoe lichtvoetig ook, geïnformeerder, intellectueler, kritischer, polemischer, filosofischer.

Door het sterk subjectieve van de essays in deze nieuwe bloemlezing stijgt men niet boven zichzelf uit, blijft in het eigen kringetje ronddraaien en ontstaan er geen scherpzinnige inzichten.
Met uitzonderingen natuurlijk. Zoals het stuk ‘Een glimp van een tijger’ van Roel Bentz van den Berg, waarin hij in zes paragrafen verschillende thema’s aansnijdt, zoals de ziel, de tekeningen van holbewoners, zijn vader Han die thuis zijn acteursrollen leert, de dieren en wij, de vlieg en zijn vliegenglas, Wallace Stevens, Wittgensteins bewering dat de ziel samenvalt met iemands verschijning en over Aristoteles, om uiteindelijk weer terug te komen bij de ziel, de holbewoners en het acteren. Briljant essay.

Het essay is het uitproberen van gedachten, maar liefst wel met een resultaat: een oplichtend inzicht.

Het essay is weliswaar een elastisch genre dat vele vormen aan kan nemen, maar in De wereld in jezelf neigen verschillende essays toch wel erg naar de reportage. Zoals Tommy Wieringa’s stuk over pornografie. Dat had zo een HP-reportage had kunnen zijn. Kristien Hemmerechts stuk over seksueel geweld in de literatuur en de werkelijkheid is een documentaire zoektocht. Bregje Hofstede schrijft met haar stuk over haar burn-out een kleine studie. In elk van die stukken ontbreekt het extra niveau van een essay, waardoor inzichten opduiken die het resultaat zijn van iets verder doordenken en combineren. Het essay is het uitproberen van gedachten, maar liefst wel met een resultaat: een oplichtend inzicht.

Zoals de verandering die Bas Heijne signaleerde in het essay: dat het lang met een zekere distantie op de wereld was georiënteerd, maar nu is gericht op de individuele belevingswereld, omdat de werkelijkheid zich zo opdringt. Zo’n inzicht is het resultaat van essayistisch denken en combineren. Maar het kan ook over iets frivolers gaan: het essay waarin Kousbroek de ‘aaibaarheidsfactor’ introduceerde, een begrip dat vele levens is gaan leiden, van het aaien van dieren tot de al dan niet aaibaarheid van mensen. Of wanneer iemand (ik ben vergeten wie) in een essay zegt dat we verdacht moeten zijn op het ‘Houellebecq-effect’: de sluipende gewenning aan islamitische regelgeving zoals die wordt beschreven in zijn roman Onderworpen.

Het essay als onbestemde tekst

Het essay als genre wordt in de nieuwe bloemlezing wel erg opgerekt wanneer Nina Weijers het laat bij het ophalen van herinneringen aan haar jeugd op Curacao. Het minimale essayistische element is de niet al te diepgaande vraag hoe vrijwillig die herinneringen zijn: ze wil ze eigenlijk niet hebben. Van Karin Amatmoekrim is geen essay maar een verhaal opgenomen. De wandeltocht door Amsterdam en de Haagse Schilderswijk die Arie Storm beschrijft in ‘De enige levende man in Amsterdam’ onttrekt zich aan elk genre. Ongebruikelijk van vorm, maar heel geslaagd is ‘Een man van vijftig’ waarin Willem Otterspeer zijn vriendschap met Michael Zeeman memoreert, gelardeerd met de laatste brieven die hij stuurde.

De conclusie moet zijn dat in De wereld in jezelf het essay van zijn beproefde karakteristieken wordt ontdaan en nu alle vormen aan kan nemen. Het verhalende is een onderdeel van het essay geworden. Het essay wordt daarmee minder beschouwend. Het reflectieve verdwijnt achter de horizon. Het essay wordt afhankelijk van indrukken. Het essay wordt een onbestemde ‘tekst’.

Het essay wordt daarmee minder beschouwend. Het reflectieve verdwijnt achter de horizon. Het essay wordt
afhankelijk van indrukken.

Ik heb dit nog niet geschreven of ik lees bij de Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen in zijn essaybundel Het einde van het einde van de wereld: ‘Ondertussen is het persoonlijke essay – het genre van eerlijk zelfonderzoek en diepgravende bespiegelingen over ideeën, zoals dat werd ontwikkeld door Montaigne en op een hoger plan werd gebracht door Emerson, Woolf en Baldwin – in verval.’ De essays in Het einde gaan voor het grootste deel over Franzens milde obsessie met vogels, liefst vogels in verre landen. En over klimaatverandering, waar Franzen een vreemd defaitistische houding tegenover aanneemt. Hij meent dat we al te laat zijn, en er niet veel maar aan kunnen doen. Voor de milieuverenigingen die doorgaan met zeggen dat er nog wel tijd is heeft hij vooral hoon.

Een mooi voorbeeld van een essay van een schrijver over een schrijver is Franzens sympathiserende stuk over Edith Warton, de op grote voet levende, vrijgevochten schrijfster van The Age of Innocence. Ze placht haar boeken na het ontbijt in bed te schrijven, waarbij ze de volgeschreven vellen op de grond smeet. Haar secretaresse mocht ze bij elkaar rapen om ze uit te typen.

Levend denken

Het is jammer dat in De wereld in jezelf bepaalde essayisten ontbreken, terwijl anderen er met twee essays in staan. Maarten Asscher, Oek de Jong, Maxim Februari, Anneke Brassinga, Kees Verheul, Tom Lanoye en Cyrille Offermans zijn er niet in te vinden. Het is niet zonder betekenis dat dit literaire essayisten zijn die de literatuur als grondstof van hun denken beschouwen, en niet de opdringende hectische werkelijkheid. Dat is goed te zien bij Cyrille Offermans in zijn nieuwe boek Een iets beschuttere plek misschien, een boek waarin hij een journaal bijhoudt van de twaalf maanden van het jaar 2017. Offermans bereikt hier, na zo’n tien boeken met essays, de zenith van zijn kunnen. Hij schrijft reflectief maar soepel over alle mogelijke onderwerpen. Hij incorporeert ze stuk voor stuk in zijn persoonlijke literaire, artistieke, gevoelsmatige of intellectuele domein. Offermans was in al de jaren dat hij essays en kritieken schreef (en schrijft) voor Vrij Nederland en De Groene een uitgesproken vitalist die voor een bevestigende houding in het leven koos. Dat was het gevolg van zijn ervaringen met het negativisme van Theodor Adorno.

In dit meer dan vijfhonderd pagina’s tellende Journaal speelt Offremans een ernstig essayistisch spel waarin het dagelijks leven net zo belangrijk is als de lectuur van schrijvers en denkers die alle toppen van de verbeelding beklimmen. Tot het vitalisme van Offermans behoort dat er ook over dichtbije dingen gedacht en geschreven moet worden: de geboorte van een kleinkind, de magnolia die ineens volop in bloei staat. Wat er te zien is tijdens een fietstocht. Dat dichtbije wordt niet onderschat: ‘Onheil kan alleen voorkomen worden door allereerst het gewone, nabije, het alledaagse te doorgronden en daar praktische consequenties aan te verbinden.’ De vorm van het Journaal zorgt voor het vloeiende en doorlopende van Offermans proza. Je zit dicht op de huid van het lezen en denken.

Het boek heeft een namenregister, maar had ook een register naar thema’s of ideeën kunnen hebben. Er worden terloops portretten geschreven over al dan niet bevriende schrijvers als Nicolaas Matsier, J. Bernlef, Jacq Vogelaar, Kees Nieuwenhuijzen, mijzelf, Enno Endt, Richard Sennett, Edouard Louis, Ton Lemaire, Mischa Mengelberg. Thema’s zijn carnaval, trots, Dada, Dubuffet, de islamitische renaissance, telefoneren, de overschatting van Tim Parks, abstracte kunst in bedrijven, Louvre Abu Dhabi, verloren autoriteit, onderwijs, lezen, koffie van Starbucks, Europese renaissance, de aardbeving in Lissabon, de bijen in zijn tuin, Flaubert als boekengek, de Gaberbocchus Pers, vergeetwoorden, psychiaters, George Orwell (‘wat is die Orwell toch een ongelooflijk goede schrijver!’). Kortom: Offermans beoefent in Een iets beschuttere plek het genre van het essay op zijn voorbeeldigst. Dit is levend denken.

De wereld in jezelf. De Nederlandse en Vlaamse literatuur van de 21ste eeuw in 60 essays, samengesteld door Nina Polak en Joost de Vries, is uitgegeven door Prometheus.

Het einde van het einde van de wereld. Essays door Jonathan Franzen is vertaald door Peter Abelsen en Robert Neugarten, is uitgegeven door Prometheus.

Een iets beschuttere plek misschien. Journaal door Cyrille Offermans is verschenen in de reeks Privé Domein van De Arbeiderspers.