De Franse Revolutie was al lang achter de rug en Voltaire lag al geruime tijd in zijn graf bij zijn kasteel in Ferney, maar toch was er nog gekrakeel rond zijn persoon en ideeën. Een van degenen die postuum nog met hem van mening wilde verschillen was Benjamin Constant, de liberale schrijver en politicus (1767-1830), vooral bekend vanwege zijn liefdesnovelle Adolphe en zijn vriendschap met Madame de Staël.
Voltaire vond het bij leven onzinnig dat men in het ene dorp aan de rivier voor een vergrijp duchtig gestraft kon worden, terwijl je in het dorp aan de overkant van de rivier voor dezelfde misstap een milde straf kon krijgen. Dat moest gelijk getrokken worden. Recht en rede moesten overal hetzelfde zijn. Zo dacht Constant er niet over. Waarom zou een dorp aan de ene kant van de rivier geen rechtspraak kunnen hebben die verschilt van het dorp aan de andere kant? Ze zijn allebei misschien wel voortgekomen uit jarenlange traditie en ervaring. Die dorpen hebben eeuwenlang een eigen bestaan geleid. Een van buiten opgelegde uniforme rechtspraak is hen vreemd.
Waarom zou een dorp aan de ene kant van de rivier geen rechtspraak kunnen hebben die verschilt van het dorp aan de andere kant?
Hier hebben we een uit het leven gegrepen voorbeeld van behoefte aan verschil en behoefte aan uniformiteit. Voor een buitenstaander is voor allebei wel iets te zeggen, maar voor de gewortelde beide dorpsbewoners niet. Evenmin voor Voltaire en Constant, ook al waren ze allebei verlichte geesten. Ze waren allebei voor vooruitgang.
‘We zijn moderne mensen,’ schreef Constant, ‘die van hun rechten willen genieten en hun vermogens willen ontwikkelen.’ Daarvoor hebben we vrijheid nodig voor alle burgers, niemand uitgezonderd. Die vrijheid was een liberale, universele waarde. Die was nodig om diversiteit en allerlei individuele vrijheden mogelijk te maken. Constant vond zich een modern mens, terwijl hij een ouderwets standpunt lijkt in te nemen door de dorpstraditie te onderschrijven. Maar hij onderschreef daarmee tegelijk het moderne principe van de diversiteit: ‘Variatie is leven, uniformiteit is dood,’ schreef hij.
gevoelig onderwerp
Dat ‘diversiteit’ gevoelig ligt ondervond de Amerikaanse ideeënhistoricus Russell Jacoby bij het publiceren van zijn boek On Diversity. The Eclips of the Individual in a Global Era. Als gerenommeerd auteur van zo’n tien boeken, waaronder The Last Intellectuals, het boek uit 1987 waarin hij het begrip ‘public intellectual’ introduceerde, dacht hij geen probleem te zullen krijgen bij het uitgeven van zijn boek. Maar acht universiteitsuitgevers zagen ervan af: een te brisant onderwerp.
Met ‘diversiteit’ wordt in Amerika zo geforceerd omgegaan dat men er schichtig van is geworden. Steeds vaker zijn er incidenten waarbij iemand het spreken onmogelijk wordt gemaakt op grond van de diversiteit. In een artikel over de Werdegang van het boek in het online tijdschrift Heterodox schrijft Jacoby dat diversiteit heel relatief kan zijn.
Diversiteit is vooral gaan gelden voor het respecteren van de identiteit van groepen, niet voor individuen. Een afwijkende mening wordt al gauw onacceptabel gevonden, niet lankmoedig getolereerd. Vrije meningsuiting wordt wel ‘de ideologie van oude witte mannen’ genoemd.
‘Diversity may be the slogan of the moment, but uniformity is the reality,’ schrijft Jacoby. De uniformiteit is af te zien aan de groepen die voor diversiteit pleiten, terwijl ze echte individualiteit negeren of afwijzen. Jacoby betoogt dat de wereld niet meer, maar minder divers wordt. Door de globalisering gaat alles in de richting van ‘hetzelfde’. Alle mensen worden steeds meer gelijk aan elkaar. Ze dragen dezelfde kleren, kijken naar dezelfde amusementsprogramma’s, kopen dezelfde artikelen, de shoppingsmalls in Dubai en Denver zijn identiek, iedereen logt in op Netflix, Google, Facebook of Apple.
De marxistische historicus Eric Hobsbawm zei al dat de opmars van de blue jeans de echte revolutie is geweest van de afgelopen vijftig jaar. Alles wordt gelijk, alleen de economische ongelijkheid wordt alleen maar groter.
zelfstandigheid, eigenzinnigheid, openheid en originaliteit
Jacoby is het voorbeeld van een linkse intellectueel die kritiek heeft op links. Zijn actieradius is die van een onafhankelijke geest die op alles en iedereen kritiek kan hebben, maar zichzelf niet uitsluit. Als het om diversiteit gaat, waar hij een warm voorstander van is (maar de ‘dark underbelly’ van onderkent), richt zijn kritiek zich op de nieuwe orthodoxen die diversiteit absoluteren. Die willen dat iedereen gerepresenteerd wordt, desnoods ten koste van de kwaliteit. Die willen in groepen denken, en niet in (ook) autonome individuen.
Bij het ophalen van de geschiedenis van het idee diversiteit stuit Jacoby op de verlichte Voltaire die met de beste bedoelingen de rechtspraak wilde uniformiseren. En op de verlichte Constant die de eigen aard en karakter van een dorp wilde respecteren. Dat zou je conservatief kunnen noemen, maar Constant noemt het zelf modern. Voltaire met zijn uniformisering zou je een despoot kunnen noemen want uniformiseren is vanouds iets voor despoten (zoals Napoleon en de latere Louis Napoleon). Diversiteit moet als begrip niet te simpel worden uitgelegd. De slavenhandel werd ermee verantwoord (het waren andere mensen). De apartheid werd ermee ondersteund.
Diversiteit moet als begrip niet te simpel worden uitgelegd. De slavenhandel werd ermee verantwoord. De apartheid werd ermee ondersteund.
Er hebben in de geschiedenis twee bewegingen plaats: doordat de wereld steeds opener wordt, met als apotheose de huidige globalisering, worden de mensen meer aan elkaar gelijk. Dat is een bijna onvermijdelijk proces. De cultuurverschillen nemen af. Tegelijk (er gebeurt veel tegelijk) wordt de vraag naar verschil en diversiteit groter. Maar volgens Jacoby is dat vooral buitenkant. Het gaat niet zo diep. Wat naar zijn idee écht teloor gaat is substantiële individualiteit. Hij heeft een zwak voor Benjamin Constant die niets moest hebben van individualisme, maar wel van individualiteit. Het isme van het individualisme maakte het voor Constant te veel tot een ideologische stroming, te weinig… individueel.
Individualiteit heeft te maken met zelfstandigheid, eigenzinnigheid, openheid en originaliteit.
arrogante glitter van de macht
Jacoby vindt in de geschiedenis de denkers en schrijvers die hier een zintuig voor hadden, zoals Alexis de Tocqueville, Wilhelm von Humboldt, John Stuart Mill, Arhur O. Lovejoy, Darwin en Burckhardt. Zij waren allemaal bevreesd voor de ‘creeping uniformity’ van de massa die ze zagen aankomen. Alexander Herzen werd door die massa ontmoedigd omdat hij er aanvankelijk vertrouwen in had gehad. Hij moest inzien hoe conformistisch en gehoorzaam de massa was. De mensen hielden van autoriteit en van de ‘arrogante glitter van de macht’.
In de geschiedenis was menige conservatief een voorstander van diversiteit en individualisme. Net zoals verlichte liberalen. Het verschil tussen de twee is dat de conservatieven de diversiteit en het individualisme aanhingen om zich met een gerust hart tot hun eigen erf te kunnen beperken: die wilden verder niet zo veel met de wereld te maken hebben. Eigen erf eerst. Die wilden met rust gelaten worden.
Anders dan de verlichte liberalen: die gebruikten het als opstap, om zich op basis van die individualiteit op de wereld te kunnen oriënteren, zoals Tocqueville, Von Humboldt en Mill. Deze dubbele oriëntatie kon nog wel eens verwarring stichten. De nadruk die Von Humboldt en Mill op de individualiteit legden zorgden ervoor dat ze goed lagen bij conservatieven. Maar Mill had ook grote sympathie voor nonconformisten en excentriekelingen en daar hoefde hij bij de conservatieven, een enkeling uitgezonderd, niet mee aan te komen.
misbruik van diversiteit
Jacoby belandt voor het traceren van pleidooien voor diversiteit niet alleen bij negentiende eeuwse denkers, maar ook bij Walter Benjamin (1892-1940). Speciaal bij de Benjamin van de herinneringen aan zijn Berlijnse Jeugd. Daarin vindt Jacoby Benjamins substantiële individualiteit, in zijn stijl, in zijn opmerkingsgave, in essayistisch inzicht en in zijn poëtische verbeelding. Die jeugd was constitutief voor Benjamins originele, soms grillige, karakter. Benjamin had een zwak voor kinderboeken en speelgoed, wat voor Jacoby aanleiding is om het, ook aan de hand van Huizinga’s Homo Ludens, over de diversiteit in het spelen van hedendaagse kinderen te hebben.
Volgens Jacoby is de ‘ongeorganiseerde dimensie’ van de kindertijd tot een minimum gereduceerd en is alles nu door volwassenen voorgeprogrammeerd. Niet alleen in de vele games, maar zelfs de hinkelbaan die niet meer met kleurkrijt door de kinderen zelf wordt getekend, maar door de overheid is aangelegd met officieel goedgekeurde tegels. De eigen wereld van de kinderen is door de volwassenen gekoloniseerd. Dat is funest voor het ontwikkelen van hun individualiteit en funest voor het ontstaan van de latere diversiteit aan karakters en persoonlijkheden.
De eigen wereld van de kinderen is door de volwassenen gekoloniseerd. Dat is funest voor het ontwikkelen van hun individualiteit.
Hoe bedrieglijk men kan omgaan met diversiteit is te zien aan de toename van de via verkiezingen gekozen autoritair-populistische regeringen in Polen, Hongarije, Brazilië etc. Die wijken onder het mom van diversiteit en soevereiniteit af van de liberale democratieën. Ondertussen wordt door die regeringen aan de lopende band vrijheden ontnomen, ten koste van diversiteit en ten faveure van uniformiteit. Tocqueville, Von Humboldt en Mill waren er al bang voor dat het individu te zwak zou zijn om de liberale democratie te beschermen.
Jacoby herhaalt nog maar eens het motto van Von Humboldt dat John Stuart Mill gebruikte voor zijn On Liberty (1852): alle pagina’s van dit boek staan in het teken van het essentiële belang van de menselijke ontwikkeling ‘in zijn rijkste diversiteit’.
On Diversity. The Eclips of the Individual in a Global Era door Russell Jacoby is uitgegeven door Seven Stories Press.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.