Er zijn niet echt veel foto’s van graaf Moïse de Camondo, de Parijse bankier die bekend werd omdat hij zijn stadspaleis in 1936 in een museum veranderde. Het werd genoemd naar zijn in de Eerste Wereldoorlog gesneuvelde zoon: Musée Nissim de Camondo, gelegen aan het Parc de Monceau. Op de twee bekende foto’s zit hij ontspannen in de tuin te praten met zijn nog levende, vijfentwintigjarige zoon in het uniform van luitenant-vliegenier.
Het zijn aandoenlijke foto’s omdat we weten dat Nissim zijn vader en zus Béatrice tijdens zijn dienst aan het front 268 hartelijke brieven en ansichtkaarten stuurde, ook als er niets te melden viel: ‘Rien de nouveau, mon cher Papa, le temps est beau.’ Hij sloot altijd af met ‘Mille et mille tendresses’ of ‘Je t’embrasse tendrement’. Maar er was ook genoeg vreselijks te melden. In het voorjaar van 1917 sneuvelden in drie weken tijd 135.000 Fransen.
In september maakte Nissim met een fotograaf annex boordschutter een verkenningsvlucht. Ze kwamen niet terug. Het duurde drie weken voor hun dood werd bevestigd. Toen er nog hoop was betuigde Marcel Proust aan Moïse de Camondo zijn medeleven. ‘Met diepe droefheid verneem ik dat u wordt gemarteld door het lot van uw zoon.’
La France juive
Dat van die omhelzingen op de ansichtkaarten was niet zomaar. Er bestaat een foto van Nissim met zijn zus Béatrice waarop hij in luitenantsuniform een arm om haar heen heeft geslagen, zijn rechterbeen ontspannen in de vrijstand. Er was alle reden voor die ontspannenheid. De Camondo’s behoorden in die tijd tot de rijkste families van Parijs, samen met de Rothschilds, de Ephrussi’s en de Reinachs.
De antisemitische Édouard Drumont noemde de Camondo’s arrivisten, nouveaux riches, woekeraars, strebers, patsers, nabootsers en statuszoekers.
Tegelijk was er ook alle reden voor spanning. De Camondo’s waren in 1870 vanuit Constantinopel via Italië naar Parijs gekomen als niet-belijdende joden. Het joods-zijn was voor hen geen religie, maar een gemeenschap van gelijkgezinden. Maar zo werden zij en de andere rijke joodse families niet gezien, zelfs niet na de Dreyfusaffaire. En zeker niet door de nog altijd populaire antisemiet Édouard Drumont, de schrijver van het 1200 pagina’s tellende La France juive. De Camondo’s noemde hij arrivisten, nouveaux riches, woekeraars, strebers, patsers, nabootsers en statuszoekers.
Het zou een schier onontwarbaar spinnenweb worden wanneer Edmund de Waal aan de hand van een stamboom zou laten zien hoe hij en zijn Ephrussi-familie in de verte verwant was aan de Camondo’s. Zeker is dat de tragische familiegeschiedenis van de Ephrussi’s die hij beschrijft in De haas met de ogen van barnsteen hem op het spoor bracht van de Camondo’s, die ook in de Rue de Monceau woonden.
In het geval van de Ephrussi’s was het een verzameling Japanse netsukes die wonderbaarlijk werden gered terwijl hun stadspaleis aan de Ringstrasse in Wenen door de Gestapo werd geplunderd en onteigend. Graaf Camondo schonk bij zijn dood in 1935 nog net op tijd zijn stadspaleis aan de staat, als museum van kunst uit de achttiende eeuw. Maar deze generositeit voorkwam niet dat zijn dochter Béatrice, haar man en haar twee kinderen ontkwamen in concentratiekampen.
een bleke bewondering
De geschiedenis van het museum en het lot van de Camondo’s is al een aantal keren beschreven, onder meer in de catalogi van het museum, maar ook door Pierre Assouline in Les dernier des Camondo. De Waal, de fijnzinnige pottenbakker en schrijver van De haas, is wel als historicus in de archieven van Camondo gedoken, maar niet minder als kunstenaar en estheet. In die hoedanigheid valt hij hier tegen.
De Waal mag een allround liefhebber van kunst zijn, hij is als pottenbakker wel een minimalist, iemand die taoïstisch-eenvoudige witte vaasjes en bekers maakt in de geest van Morandi. Dat contrasteert sterk met de inhoud van het Musée de Camondo, dat van onder tot boven op een perfectionistische manier vol staat en vol hangt met achttiende eeuwse rococo-kunst. Denk aan uitbundige, goed gevulde interieurs, met speelse terelantijnen, gouden ornamenten, ingelegde kasten en tafels. Ook zijn er veel luchtig vormgegeven gracieuze voorwerpen. De Waal mag er, ondanks zijn eigen minimalisme, gevoel en sympathie voor hebben, het blijft een bleke bewondering.
monsieur le comte
De Waal onderzoekt het archief dat zich op zolder van het museum bevindt, maar het verslag van zijn bevindingen heeft hij de vorm gegeven van brieven en briefjes aan Moïse de Camondo. De graaf was een verzamelaar en populaire kunstkenner, een spil van het Parijse kunstleven, lid van elke club die er toedeed, vermaard vanwege de lunches en diners die hij gaf. Maar waarom schrijft De Waal hem brieven, en waarom wordt hij afwisselend aangesproken met Vriend, Monsieur, Beste vriend, Waarde vriend en Monsieur le Comte, waar nooit sprake is geweest van vriendschap?
Zijn er geen brieven aan zijn vrouw van wie hij in 1903 scheidde, aan zijn zoon of aan zijn dochter, zodat de lezer iets meer van zijn persoonlijkheid leert kennen?
De Waal heeft inzage in de mappen met correspondentie, hij ziet dat Camondo alle rekeningen van wat hij had aangeschaft bewaarde, maar hij maakt hier helemaal geen gebruik van. De persoonlijke brieven blijven onaangeroerd. Zijn er geen brieven aan zijn vrouw van wie hij in 1903 scheidde, aan zijn zoon of aan zijn dochter, zodat de lezer iets meer van zijn persoonlijkheid leert kennen?
aan de oppervlakte
Er is een vermogen aan meubels van gerenommeerde ontwerpers (Riesener, Oeben) in het museum te zien, er is een compleet Sèvres-servies gedecoreerd met Buffon-vogels. Er zijn objecten die van Marie-Antoinette zouden zijn geweest. Er is een Salon des Huet met idyllisch-landelijke wandschilderingen van Jean-Baptiste Huet. Er is een mooie ronde bibliotheek, maar wat er in de kasten staat, behalve de jaargangen van de Gazette des Beaux Arts van Charles Ephrussi, vertelt De Waal niet.
Had Camondo de complete Encyclopédie van Diderot? Las hij? Had hij een handzaam zetje werken van Voltaire, Rousseau, Helvétius, Buffon, Montesquieu, Hume, al die denkers van zijn geliefde époque? Het is niet bepaald een onthulling wanneer De Waal op de helft van zijn onderzoek denkt te weten wat Camondo met zijn verzameling heeft gewild: ‘U wilde een perfecte inrichting voor gesprek, voor Verlichting, voor dat ogenblik waarop de Franse cultuur het toppunt van verfijning en onderzoek bereikte.’
Jammer dan ook dat we niets van Camondo te lezen krijgen, geen brieven, geen toespraken. De Waal blijft met Camondo aan de oppervlakte.
ondanks de weelde
Tussen de regels door wordt wel duidelijk dat het in Brieven aan Camondo om contrasten gaat. Ondanks de weelde en de grandeur waardoor ze werden omgeven bevonden de rijke joodse families zich aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw in een precaire positie. Om zich goede Fransen te tonen wilden ze, en Camondo in het bijzonder, Franser zijn dan de Fransen. Camondo was een gulle patriot die Frankrijk een compleet museum schonk. Het is nog steeds een sierraad voor Parijs.
Het contrast tussen de rijkdom en de anti-joodse haat wordt in het boek schrijnend wanneer De Waal in de langste brief een chronologische opsomming geeft van de lotgevallen van de Camondo’s en de anti-joodse maatregelen die in Parijs werden ingesteld.
Ze reed in 1942 met haar dochter Fanny nog paard in het Bois de Boulogne. Maar aan de bescherming kwam in 1944 een eind, ook zij stierf in Auschwitz.
Er gingen in september 1941 een half miljoen mensen naar de tentoonstelling Le juif et la France. In doorgangskamp Drancy mocht men zich niet in het trappenhuis bevinden of uit de ramen kijken. In 1942 mochten joden niet meer in parken, theaters, zwembaden en nog vele andere publieke plaatsen komen. Ook in 1942 werden 38.000 joodse huizen leeggehaald. De krant Le Matin meldde: ‘Het kopen van joods huisraad is een uitstekende, risicoloze investering.’ Camondo’s dochter Béatrice dacht in 1942 nog dat zij ‘op een wonderbaarlijke manier werd beschermd.’ Ze werd katholiek. Ze reed in 1942 met haar dochter Fanny nog paard in het Bois de Boulogne. Maar aan de bescherming kwam in 1944 een eind, ook zij stierf in Auschwitz.
Het sterke aan De haas met de ogen van barnsteen was dat De Waal als familielid dicht op de tragische familiegeschiedenis zat. Dat is met de Camondo’s minder het geval. Hij is wel geïntrigeerd, begeeft zich in de geschiedenis, maar toch met afstand. Hij maakt van Camondo een verzamelaar in de geest van Walter Benjamin, iemand die zijn verzameling compleet wil hebben omdat hij niet van verstrooiing houdt. Daar komt Camondo niet dichterbij mee. Doordat De Waal zo aan de buitenkant blijft is het de vraag of hij Camondo niet tekort doet. Nu weten we niet of hij in psychologische en literaire zin wel rijk genoeg was voor een echt boeiend boek.
Brieven aan Camondo door Edmund de Waal is vertaald door Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre. Het wordt uitgegeven door De Bezige Bij.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.