Remco Campert is altijd een compenserende schrijver geweest: hij maakte met schrijven goed wat in het leven niet goed ging. Schrijven en leven lagen eenvoudig in elkaars verlengde. Na het een kwam het ander. Er viel niet te leven als er niet geschreven werd.
En niet alleen vanwege de financiën, maar om existentiële redenen: het schrijven moest het veelal slordige leven verontschuldigen (vanwege stommiteiten), vergoeden (vanwege geleden leed), verantwoorden (dat hij niet helemáál een ellendige nietsnut was), met humor relativeren (omdat het anders een en al somberheid zou zijn), verheerlijken (omdat er wel degelijk de nodige verrukkelijke momenten waren), idealiseren (er moest gedagdroomd kunnen worden waarin een heldenrol werd gespeeld, zoals bij Kees de Jonge of Walter Mitty), wraak nemen (het leven betaald zetten met sprankelende zinnen die het leven zijn plaats wijzen). Dat betaald zetten is ook de daad van het schrijven zelf.
Campert heeft niet één speciale persoonlijke mythe als bron voor zijn schrijverschap.
Vanwege de schijnbare eenvoud en vanzelfsprekendheid waarmee Campert schreef, lokte hij de vraag uit waarin het geheim van zijn schrijverschap school. Zijn eigen uiteindelijke antwoord: zijn geheim is dat hij geen geheim heeft. Dat is in zekere zin ook zo. Campert heeft geen verborgen ‘patroon in het tapijt’ zoals de schrijver in The Figure in the Carpet van Henry James.
Campert heeft niet één speciale persoonlijke mythe als bron voor zijn schrijverschap. Bij Campert draait alles om een reeks verschillende emoties en krachtige gevoelens, van lamlendigheid tot euforie, van verveling tot misantropie en somberheid. Het gaat om al deze emotionele motoriek, waarbij de motor van zijn personages vaak stationair op drank draait. Zich laten meeslepen door de onbewuste drijfveren waar ze niet bij kunnen, dat is kenmerkend voor zijn personages. Met spleen en speelsheid maakte hij daar als schrijver iets van.
Ongrijpbaar zijn
Mirjam van Hengel noemt Een knipperend ogenblik, haar boek over Remco Campert, een ‘portret’ omdat een echte biografie niet echt past in zijn geval. Er is iets in Campert dat niet om een biografie vraagt, maar eerder om een schets van een leven. Het moet niet in al te definitieve lijnen gevat worden. Campert hield en houdt van de oppervlakte. Hij wilde wel graven, maar niet te diep. Zoals hij zich ook altijd heeft willen onttrekken aan het hebben van een uitgesproken ‘identiteit’. Die moest het liefst een beetje onscherp blijven zodat er nog veel mogelijk bleef.
Zijn identiteit moest het liefst een beetje onscherp blijven zodat er nog veel mogelijk bleef.
Het liefst hield hij die ‘identiteit’ (het woord krijgt in de buurt van Campert iets onheilspellends) wat verborgen. Hoewel hij zich allerminst in zijn verhalen of columns verborg wilde hij uiteindelijk toch tamelijk ‘ongrijpbaar’ zijn. ‘Het geheim van zijn schrijverschap is de ongrijpbaarheid van zijn talent’, schrijft Van Hengel: ‘De lichtheid die een robuuste mokerslag kan uitdelen, de eenvoud die diep ontroert, de snedigheid die de melancholie om zeep helpt terwijl daarna de weemoed het juist weer wint van de grap. Het is allemaal taal, taal van de dichter die graag zwijgt, van ingenieuze simpelheid, vitale onthechtheid en diepzinnige oppervlakkigheid – de lijst van paradoxen kan lang zijn.’
Dit citaat laat zien hoe Van Hengel probeert zo dicht mogelijk in de buurt van Campert te komen, in de zoekende woordkeus door hem geïnspireerd. Het lukt haar wel vaker om in de parafrasering van verhalen of gedichten de juiste toon te vinden, het net anders dan Campert zelf te zeggen, waardoor een verheldering ontstaat.
Een eeuwige beginner
Bij Campert is lang en veel in status nascendi gebleven, in permanent ontstaan. De warrige manier waarop hij door zijn toneelspelende moeder werd opgevoed bevorderde niet dat hij solide in het leven kwam te staan (‘onvastheid was altijd mijn zekerheid geweest’). Bovendien was er nauwelijks contact met zijn vader de dichter Jan Campert. Zijn puberteit (hij werd geboren in 1928) speelde zich in de oorlog op de Veluwe af en na de oorlog was zijn vader er niet meer want hij werd vermoord in het concentratiekamp Neuengamme. Dat maakte van Campert een eeuwige beginner, zoals hij zelf al vroeg inzag getuige dit gedicht in zijn debuutbundel Vogels vliegen toch in 1951:
al ben ik eeuwig bezig met
beginnen en opnieuw beginnen
al houdt het vruchtvlees nooit op groen te zijn
al blijft mijn linkervoet zoekend
zweven in de lucht
en grijpen mijn handen nooit voorgoed
liever dan dat trots maar beurs te zijn
of steeds hetzelfde spoor
van de voet die niet meer groeien wil
of spierkramp in de handen
die naar niets anders staan
Dit steeds weer opnieuw beginnend leven als schrijver had iets stuurloos, beheerst door primaire emoties van verliefdheid, hang naar afwezigheid, en naar vergetelheid in drank en nachtenlang doorhalen. Dat een verhalenbundel als Alle dagen feest in 1955 zoveel indruk maakte, had alles te maken met de behoefte van de tijdgeest: het moest na de oorlog maar eens feest mogen zijn, ook als een manier om de oorlog de rug toe te keren.
‘Van mislukking tot mislukking’
Het titelverhaal, waarin zo’n nachten doorhalend feest wordt opgeroepen, had iets uitdagends. Campert leidde een slordig beheerd leven met vier huwelijken waarbij de aandacht voor het opvoeden van kinderen er bij inschoot. Aan zijn onvermogen om voldoende aandacht voor de opvoeding van zijn dochters te hebben is te zien hoe obsessioneel het in zijn uiterlijk zo stille hoofd toeging. ‘Hij kon dat er niet bij hebben’ moet de bijna standaard-verklaring zijn. De jaren zeventig, rond zijn veertigste jaar, zijn daarom in Camperts leven een ramp. Zijn kinderen vatten het samen in: ‘Het was niet leuk, echt helemaal niet leuk.’ Zelf had hij het gevoel van ‘mislukking tot mislukking te gaan.’
Het moest na de oorlog maar eens feest mogen zijn
De kalme, vaak zwijgzame Campert kon stuurs op kinderen reageren. Om dat komisch te compenseren schreef hij het volwassen kinderboek Oom Boos-Kusje en de kinderen, waarin Oom Boos-Kusje het aanvankelijk niet erg lukt om aardig voor kinderen te zijn, ondanks zijn goede voornemens. ‘Om te laten zien hoe aardig hij wel was wilde hij het kindje dat lief naar hem lachte over zijn wangetjes strijken. En dat ging natuurlijk helemaal mis. In plaats van zachtjes te strelen kneep hij gemeen hard in het rose huidje. De kleuter begint te krijsen’ en de moeder roept de politie.
Somber, Camperts alter ego in het verhaal ‘Somber en Omber’, heeft gelijk wanneer hij denkt dat ‘hij alleen maar schreef omdat hij zich onrustig zou voelen als hij het niet deed.’ Hij schreef alleen maar voor zijn eigen gemoedsrust. En voor het plezier dat daarbij soms optreedt, mogen we, op grond van andere verhalen en columns, wel zeggen. Zoals ook aan dit verhaal is te zien, dat eigenlijk gaat over de verliefdheid van Campert en Fritzi ten Harmsen van der Beek, met wie hij een tijdje was getrouwd.
Aan het begin van het verhaal vinden we daar een voorbeeld van Camperts vermogen tot sublieme lyrische overdrijving, niet voor niets door Van Hengel geciteerd. Somber en Omber zitten samen in de vroege ochtend (waarschijnlijk na een feest) in de bus van Amsterdam naar Blaricum vol verbijsterd toekijkende boeren: ‘Voor hun ogen veranderde hij in een poes, die spinnend over haar huid liep, in een vogel, die haar mond in vloog, in een spin, die een web om haar haren weefde, in een lieveheersbeestje, dat kleine woorden in haar oren sprak, in een uitgelaten ijsbeer, die haar vrolijk maakte. Hij veranderde in suiker die in haar mond smolt, in honing, die zij langzaam doorslikte, in alcohol, die haar buik de vlammen deed uitslaan. Hij veranderde in haar kleren, die haar overal raakten. Hij veranderde in haar huid.’
Campert liep niet over van lust en bereidheid om al te diep te graven.
Deze Somber is een voorloper van Somberman, de emblematisch boze piekeraar die vanaf de jaren tachtig namens Campert prominent de zwarte kant van het leven laat zien. Hij won het van andere personages die in Wie doet de koningin? (1984) voor hun opvallendste eigenschap stonden, zoals Schreeuw Wanhoop, Domoor, Driftig Baasje, Hogerhand, Kreet Vreugde en Letter, ‘die het altijd zo druk heeft met het concipiëren van zijn oeuvre, dat hij aan het schrijven ervan niet toekomt.’
Het is wel te merken dat het portret van Campert met zijn hulp tot stand is gekomen door vaak wekelijkse gesprekken. Maar Campert liep niet over van lust en bereidheid om al te diep te graven. Van Hengel begreep dat en heeft zich wijselijk zelf goed in zijn leven en werk ingegraven. Campert fungeerde vooral als klankbord van wat ze al wist. Het is een soms met enige literaire flair geschreven substantiële schets van zijn leven en werk. Van Hengels visie op zijn poëzie en proza ontstaat te terloops en is niet al te diepgaand, maar bevindt zich wel op de juiste toonladder. Camperts humor, ironie, sarcasme, ernst en paradoxen gaan niet langs haar heen. Evenmin als het meest essentiële deel van zijn schrijverschap: dat hij een ‘solofiguur’ is, voor het grootste deel in zijn hoofd leefde en dan ‘de angst en vreugde’ van het alleen zijn onderging.
Een knipperend ogenblik. Portret van Remco Campert door Mirjam van Hengel is uitgegeven door De Bezige Bij.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.