Ik ben een pragmatist die haar verlangen naar een betere, schonere wereld moet verenigen met haar beperkte invloed erop, lees ik in The Longing for Less van Kyle Chayka. Chayka schreef een boek waarin hij minimaliserende neigingen onder de loep neemt. Een boek waarin ik mezelf herken, want die neigingen heb ik ook.

Sinds 2017, om precies te zijn. Toen interviewde ik de Japanse minimalist Fumio Sasaki en leek het aantal objecten in mijn huis opeens veel en veel te veel. In de weken erna ontdeed ik me van honderden kilo’s spullen, en sindsdien komt een voorwerp lastiger het huis in dan dat het eruit gaat. Het is een intensief onderhoud van de spullenbalans, waardoor mijn vierkoppige gezin vooralsnog weinig last heeft van ons tekort aan vierkante woonmeters. Ik dwing ruimte af, forceer leemte. Ik geloof niet eens dat je het er echt aan af ziet, maar het ruimen zorgt tenminste voor een gevoel van controle en puurheid, en de opgetogen gedachte dat verdere verbetering (van het leven, de wereld) makkelijk haalbaar is. Een omgekeerde shopping spree.

De problemen van deze tijd

Toch heb ik nooit de gedachte van me kunnen afschudden dat ik eigenlijk ook niet anders kan. Dat het meer een moetje is dan een keuze, eerder blijk geeft van de problemen van deze tijd dan dat het die oplost. Minimalisme, zegt Kyle Chayka, ‘is een copingmechanisme voor wie de status quo wil oplappen of verbeteren, in plaats van hem omver te werpen. Het is gericht op overleving.’

Chayka trekt lijntjes tussen Seneca, Thoreau en opruimwonder Marie Kondo, en observeert dat de zucht naar minder het grootst is wanneer mensen de wereld onoverzichtelijk vinden. Als het allemaal een beetje too much is. Dan gaan we ons afvragen of we niet beter af zijn zonder alles wat de moderne samenleving heeft gebracht. De Romeinse redenaar Cicero beschreef het verlangen naar bezit – huizen, weelde, macht – al als de grote dwaling van zijn tijd.

Marie Kondo’s Opgeruimd! verscheen in 2011, toen de gevolgen van de kredietcrisis het meest voelbaar waren.

Halverwege de negentiende eeuw, aan het einde van de industriële revolutie, verschuilde de Amerikaanse schrijver Henry David Thoreau zich twee jaar lang in een boshutje omdat hij vond dat modern levenscomfort de mens verhinderde zich te verheffen.

In 1936 publiceerde de filosoof Richard Gregg een essay genaamd ‘The Value of Voluntary Simplicity’, waarin hij zelfverkozen eenvoud het juiste antwoord vond op ‘het gehaaste leven’ vol telefoons, automobielen en inhalige beurshandelaars. Hij dacht dat als de rijken zelf kozen voor een eenvoudiger leven, degenen die leefden in ‘gedwongen eenvoud’ zich minder inferieur konden voelen. In de jaren zeventig, rond de oliecrisis, leidde Greggs essay tot de populaire ‘VS-beweging’ (‘voluntary simplicity’).

Marie Kondo’s Opgeruimd! verscheen in 2011, toen de gevolgen van de kredietcrisis het meest voelbaar waren. De ramp in Fukushima schijnt de verkoop een flinke zet te hebben gegeven.

Onbehagen

In Kondo’s beginjaren liggen ook de wortels van het huidige gevoel van onbehagen over de staat van de wereld. Dat hangt samen met klimaatverandering en de groeiende ongelijkheid, en – wederom – de nieuwe technologische ontwikkelingen. Zij zijn de belangrijkste bron van ons huidige levenscomfort, maar helemaal relaxed zijn we er niet mee. Het voelt weer too much allemaal, en diep vanbinnen verlangen we naar een technologie-arm cabin porn-hutje op de hei. Maar is de behoefte eigenlijk terecht? Rechtvaardigt de staat van de wereld dit verlangen? Technologieblad Wired probeerde laatst een antwoord te formuleren op die vraag aan de hand van een opmerkelijke weddenschap tussen twee grijze mannen.

In 1995 was techno-optimist Kevin Kelly, een van de oprichters van Wired, boos geworden op techno-pessimist Kirkpatrick Sale. Sale was namelijk wel erg negatief over het hypertechnologische moderne bestaan, en geloofde dat computertechnologie het leven van de mens aanzienlijk slechter zou maken. Hij zag liever dat mensen weer op kleine schaal gingen leven en producten zouden gaan consumeren die ze grotendeels zelf hadden geproduceerd (een zogeheten ‘bestaanseconomie’). Om zijn afkeer van computers te onderstrepen, had hij eens op een podium een pc gesloopt met een hamer. Ook voorspelde hij dat de beschaving binnen een paar decennia ineen zou storten.

Kelly was overtuigd van het omgekeerde: dat de wereld alleen maar beter zou worden dankzij technologie. In zijn jonge jaren had hij door het technologieloze achterland van Azië gereisd en gezien dat we blij moesten zijn met al wat het leven makkelijker maakt. Begin jaren tachtig had hij al een Apple IIe, die hem in contact bracht met allerlei fascinerende gemeenschappen. Sale’s ideeën beledigden Kelly’s wereldbeeld.

Onder het mom van een interview zocht Kelly Sale op in zijn appartement en verleidde dan wel pushte hem tot een weddenschap: in 2020 zouden ze kijken hoe de wereld ervoor stond, en wie gelijk kreeg, zou duizend dollar krijgen van de ander. Ze schreven allebei een cheque uit en gaven die in bewaring bij een gemeenschappelijke kennis, William Patrick, die afgelopen december mocht beredeneren wie er had gewonnen.

Dat moest Patrick doen aan de hand van drie doemdenkerige voorspellingen die Sale tijdens het interview in ’95 had gedaan: dat een economische ramp een depressie zou triggeren, erger dan die van de jaren dertig; dat er een wereldwijde klimaatramp zou zijn; en dat armen tegen de rijken zouden gaan rebelleren.

Op het eerste punt gaf de scheidsrechter Sale geen gelijk: de economie is immers nog prima draaiende. Over het klimaat kon geen twijfel bestaan, dat staat er slecht voor, punt voor Sale. En hoewel de ongelijkheid gigantisch is, spreken we niet van een oorlog tussen arm en rijk, dus hier zaten Kelly en Sale allebei een beetje goed. Gelijkspel dus, maar omdat Sale destijds sprak van een samenkomst van drie rampen, won Kelly de weddenschap.

In zijn reactie deed Kelly er meteen een schepje optimisme bovenop: ‘Over 25 jaar zal armoede zeldzaam zijn en het middenklasse-leven de norm,’ schreef hij. En dat oorlogen zeldzaam zouden worden, klimaatverandering zou vertragen dankzij hernieuwbare energie en mensen langer zouden leven.

Maar zo bevredigend mag zijn overwinning niet zijn: ‘Zijn montere visie ging maar nét over de finish, met Sale’s apocalyptische ruiters in zijn nek.’

De wereld blijft een slechte plek

Het minimalistenverlangen naar een betere, schonere wereld komt érgens vandaan. De breed gedragen zucht naar minder laat zien dat de wereld nog lang niet schoon en goed genoeg is. Het wringt.

Maar minimalisme zou wel eens een heel verkeerde manier kunnen zijn om dat aan te pakken. Het strijkt de kreukels glad, maakt ze onzichtbaar – je confronteert jezelf misschien met je eigen troep, maar op grote schaal is het vermijdingsgedrag. Zie bijvoorbeeld de iPhone, het ultieme minimalistische ontwerp van onze tijd. Geen van de voorwerpen op mijn bureau vallen zo mooi weg als de elegante donkere rechthoek die nu, zoals gewoonlijk, voor me ligt. Maar achter die visuele rust, schrijft Chayka, gaat een enorme, complexe, lelijke superstructuur schuil van satellieten en onderzeese kabels, uitgeputte grondstoffen en idem mensen. Een maximalistische, vieze onderneming waar we helemaal niets van merken.

Dat is nu eenmaal het ding met minimalisme: ‘Je slaapkamer mag dan schoner zijn, de wereld blijft een slechte plek.’