Augustus is een superieure halfgod die volledig vat heeft op zijn bestaan. Doordat hij menselijke emoties overstijgt blijft de keizer zelf op afstand in Williams’ roman. Dit maakt het verhaal niet meeslepend maar wel interessant.

Verwonderlijk aan John Williams’ vierde en laatste roman Augustus (1972) is de genreaanduiding: roman. Akkoord, het is historische fictie, een caleidoscopische waaier bestaande uit brieven, memoires, getuigenissen, dagboeken, senaatsverordeningen, reisverslagen – het meeste daarvan gefingeerd. Tezamen wordt zo, rond zijn bekende levens-, wapen- en bestuursfeiten, een verzonnen biografie opgetrokken van Julius Caesars geadopteerde zoon die de eerste Romeinse keizer werd. We volgen Octavius vanaf het moment dat hij na de moord op zijn oom zijn bestemming zag en aan de macht kwam, en we nemen na veertig jaar regeren als imperator Augustus (63 v.Chr. – 14 n.Chr.) afscheid van hem.

Augustus ontrafelt het mysterieuze karakter van de bleke jongen die afrekende met de moordenaars van zijn oom en een keizerrijk naliet dat hem generaties lang zou overleven

Illustratie: Siegfried Woldhek
Illustratie: Siegfried Woldhek

John Williams (1922-1994) volgt daarin de geschiedenis, en die indruk van non-fictie wordt versterkt door de, al met al, weinig bloemrijke stijl van Augustus. Al met al, want hoewel ieder personage in deze epistolaire roman toegerust is met een eigen stem, beklijft de sensatie dat we eerder een Romeinse geschiedschrijver lezen die zich uitdrukt in heldere, nuchtere taal, dan de twintigste-eeuwse schrijver van Butcher’s Crossing (1960) en Stoner (1965). Zeker als je Augustus vergelijkt met de twee beeldende, muzische Claudius-romans van Robert Graves, waarin de laatste fase van Augustus’ leven voorbijkomt, doet Williams’ roman vaak droog en stroef aan.

Misschien was dat de bedoeling. Augustus is daardoor een boek dat een langzame lezing dicteert; je schiet er bepaald niet doorheen. Om die reden komt in dit precieze realisme de nadruk niet te liggen op de vertrouwde feiten rond Augustus, maar door het verschuivend perspectief binnen die waaier aan stemmen, door die zorgvuldige polyfonie dus, op de interpretatie van die feiten. De impliciete vraag in Augustus is die naar het karakter van de heerser.

Zo belicht Williams wederom een karaktertrek op het palet van menselijke eigenschappen. Menselijkheid is Williams’ thematische noemer. Butcher’s Crossing is een inwijdingsverhaal: hoe de jonge romanticus Will door de moordexpeditie op bizons waaraan hij deelneemt zijn onschuld verliest, en daarna de waarde van het leven beseft. Stoner toont hoe een vernederde en getrapte leraar zijn waardigheid behoudt en trouw blijft aan zijn liefde voor literatuur. En Augustus ontrafelt het mysterieuze karakter van de bleke jongen die keizer werd, afrekende met de moordenaars van zijn oom, zijn tegenstanders effectief uitschakelde, een eind maakte aan de burgeroorlog, zorgde voor de Pax Augusta en een keizerrijk naliet dat hem generaties lang zou overleven.

Puzzeltocht

Vooral de eerste twee van de drie delen waaruit Augustus bestaat, lezen als een puzzeltocht naar de ware Augustus. Het slotdeel, waarin hij eindelijk zelf uitgebreid aan het woord komt, bestaat uit een lange brief van de dan 76-jarige keizer aan zijn laatst levende jeugdvriend, vlak voor zijn dood geschreven. Hij maakt daarin opeens met omhaal van woorden de balans op van zijn geleefd bestaan: ‘Ik ben een mens, en even dwaas en zwak als de meeste mensen. Als ik iets op mijn medemensen heb voorgehad, dan is het dat ik dat van mijzelf heb geweten, en dus hun zwakheden heb gekend, en nooit heb gedaan alsof ik meer kracht en wijsheid in mijzelf aantrof dan in een ander. Dat ik dat wist, was een van de bronnen van mijn macht.’ Romantechnisch is die grote zelfverklaring niet zo’n gelukkige keuze, want hierin wordt alles wat we de eerste twee delen door niet-verslappende aandacht moesten registreren, nog eens herhaald en erger: uitgelegd.

Het werkte juist goed om in die eerste 358 documentaire-achtige pagina’s geconfronteerd te worden met het vat vol tegenstrijdigheden dat de moeilijk te doorgronden Augustus is. Stapje voor stapje proberen we hem te leren kennen, via zijn familie, vrienden en vijanden die aan het woord komen. Hij houdt het hoofd koel, laat zich niet beledigen, komt kil over en gedraagt zich ingehouden. ‘Bij alle opwinding blijft de keizer de rust zelve, alsof hij geen idee heeft van wat iedereen zegt of denkt. Maar hij weet ervan. Hij weet het altijd.’

In zijn daden leren we hem eerst kennen als een koelbloedige strateeg en als hij de macht heeft als een verlichte, stoïcijnse heerser, ongelukkig en in een isolement. Tegelijkertijd onderhield hij hartelijke vriendschappen met dichters als Horatius en Vergilius en gaf hij zich ongeremd over aan een simpel vermaak als dobbelen.

‘Naarmate de jaren verstrijken, heb ik steeds meer de indruk dat de oude “deugden” de mensen eenvoudigweg van hun menselijkheid hebben beroofd’

Superieure halfgod

En toch komt Augustus in Williams’ roman niet echt nabij, er blijft afstand. Misschien omdat Augustus de menselijke emoties overstijgt, omdat hij sublimeert. Daarbij vergeleken is zijn schurkachtige rivaal Marcus Antonius – grof, intuïtief reagerend, wreed, zinnelijk, rancuneus, dierlijk, een matig strateeg en een speelbal in de handen van de manipulatieve koningin Cleopatra – een toonbeeld van herkenbare menselijkheid. Hij hechtte zelfs te veel aan het leven om ‘eervol’ aan zijn eind te komen – een schande in zijn tijd, maar begrijpelijk vanuit contemporain westers inzicht. Williams moet dat ook gezien hebben, want hij laat Publius Ovidius Naso in een brief aan Sextus Propertius zeggen: ‘naarmate de jaren verstrijken, heb ik steeds meer de indruk dat het zo is dat de oude “deugden” waarop de Romein trots pretendeert te zijn, en waarop, zo benadrukt hij, de grootsheid van het Rijk berust – heb ik meer en meer de indruk dat die “deugden” van stand, prestige, eer, plicht en trouw de mensen eenvoudigweg van hun menselijkheid hebben beroofd.’

Toch is het niet het bezit van die ‘onmenselijke’ deugden dat Augustus minder universeel maakt dan de antiheld Stoner. Het zit ’m er meer in dat Augustus volledig vat heeft op zijn bestaan (‘Hij weet het altijd’). Zo’n superieure halfgod is nu eenmaal minder tragisch dan een stamelende kleiner Mann die zich levenslang overeind moet zien te houden.

John Williams’ ‘Augustus’, vertaling Edzard Krol, Lebowski, 432p. €19,95