Liever luisteren dan lezen? Jonah Falke heeft zijn hoofdstuk ook ingesproken.

In 2015 werkte ik in de thuiszorg. Op mijn eerste werkdag kwam ik bij een negentigjarige vrouw in Amsterdam Oud-Zuid terecht. Haar huis zag eruit als een wereldwinkel, alleen de wierooklucht ontbrak. Zelf had ze het uiterlijk van een oude trotse Romavrouw, al was ze dat niet. Ze droeg een fluwelen gewaad, had rode lippen en grote oorbellen. Haar witte huid strak schril af tegen haar zwartgeverfde haar. We mochten elkaar meteen en ze vroeg: ‘Wil je mijn vaste hulp worden? Maar weet wel: ik wil snel sterven.’ Ze was erg ziek en wilde euthanasie. Later bleek dat ze die niet zomaar zou krijgen. Lachend zei ze dan: ‘Ik ben alleen erg ziek maar niet depressief, en dan mag je niet zomaar dood.’

Al tijdens die eerste ontmoeting wist ik dat ik ooit over haar ging schrijven. Wanneer ze sprak, leek het alsof ze tien levens had geleefd. Louter door het tonen van interesse in anderen en door tegen de klippen op te lezen had ze zich ontwikkeld en opgewerkt vanuit een kansarm gezin in een achterbuurtje van Amsterdam. Na de oorlog trouwde ze met een professor.

Tijdens de oorlog was ze kapster geweest en knipte ze hoertjes op de Nieuwmarkt. ‘In de oorlog heb ik het meest gelachen in mijn leven.’ Ze smokkelde paspoorten voor het verzet, zag bommen vallen en vluchtte het platteland op en sliep tussen de koeien in een stal om warm te blijven.

Advertentie

Advertentie

Verschoppelingen

Na de oorlog koos ze niet voor zekerheid maar ging ze naar de kunstacademie. Ze werd schilder. Op latere leeftijd maakte ze Balkanreizen, bezocht Afrika en ging eens op een vrachtschip mee naar Amerika. Ze bood onderdak aan Roma die in Amsterdam optraden. Ze leerde hun taal en ging op volksdansen. Ze leek een van hen te willen zijn.

Het allerbelangrijkste voor haar was dat ze de dakloze bij de ingang een paar euro’s gaf – haar boodschappen zou ze liever vergeten dan de bedelaar.

In haar laatste dagen leerde deze vrouw nog Spaans, luisterden we samen naar zigeunermuziek en sprak ze over kunst en Russische literatuur. Soms reed ik haar in een rolstoel naar de supermarkt. Het allerbelangrijkste voor haar was dan dat ze de dakloze bij de ingang een paar euro’s gaf – haar boodschappen zou ze liever vergeten dan de bedelaar.

Ik stopte al snel als thuiszorgmedewerker, maar tot aan haar dood heb ik voor deze vrouw gewerkt. Op haar begrafenis werd goed zichtbaar wat voor leven ze had gehad: haar vriendenkring varieerde van academici tot schoonmakers. Haar dochter zei me dat haar moeder altijd sympathiseerde met de underdog, met verschoppelingen.

Het eerste exemplaar van mijn nieuwe roman, die deze week verschijnt, zal ik aan haar overhandigen, want zonder haar moeder was het boek er nooit geweest.

Deze vrouw en de manier waarop zij in het leven stond, werd het vertrekpunt van mijn roman De mooiste vrouw van de wereld. Ze stond model voor de vrouw uit de titel.

Hoofdpersoon Jonah leidt een even zorgeloos als richtingloos bestaan. Terwijl zijn vriendin Lotte carrière maakt als anesthesist is hij huisman. Zijn leven lijkt een fuik te worden en hun appartement een gevangenis. De tijd dat mannelijkheid nog ontleend kon worden aan bescherming, geld of macht is voorbij, althans, dat lijkt me de tijdsgeest in het Westen. Al jaren verkeert Jonah in de schaduw van Lotte. Het is niet haar emancipatie die hem dwars zit, maar het succesvolle bestaan van zijn vriendin legt zijn eigen existentiële leegte wel pijnlijk bloot. Zoals psycholoog Esther Perel treffend zei: ‘De 21ste eeuw is de tijd voor de man om zichzelf opnieuw uit te vinden.’

Als Jonah in plattelandsbordeel De Neue Liebe de leider van een zigeunerorkest ontmoet die hem vraagt om voor ‘de mooiste vrouw van de wereld’ – zíjn vrouw – te zorgen terwijl hij op tournee gaat, komt Jonah terecht in een spagaat tussen de wereld van de succesvolle mensen en het vrolijke niemandsland aan de zelfkant van de maatschappij, waar wordt gedronken en gedanst tot iedereen erbij neervalt en de rundvleessalade in de gordijnen zit.

Bubbel

In juni 2018 schreef ik voor Vrij Nederland een artikel over hoe ik ernaar verlang om mijn linkse, atheïstische, hoogopgeleide bubbel te doorbreken. Ik opperde dat het verfrissend kan zijn om met een racist aan de bar te gaan zitten in een dorpscafé, of om een tijdje het klooster in te gaan om eens in een wereld te verkeren waarin God wél bestaat. Op beide plekken is iedereen welkom en is achtergrond niet van belang.

Op Twitter vroeg iemand zich af waar ik last van had, en noemde me een stuk genetisch afval.

De reacties op het stuk waren gemengd. De Volkskrant schreef: ‘Een origineel en prikkelend verhaal. Hij vraagt zich af hoe hij zichzelf uit zijn linkse, atheïstische, hoogopgeleide en geëngageerde bubbel kan bevrijden. Dat klinkt soft en wellicht ook elitair, maar Falke omzeilt de valkuilen van dit verhaaltype en kiest de juiste toon.’

Op Twitter vroeg iemand zich af waar ik last van had, en noemde me een stuk genetisch afval. Gelukkig, zo zei hij, is de schrijver nog jong, vergaat de aarde snel, dus veel zuurstof zal er voor hem niet overblijven.

Beide reacties las ik met evenveel vreugde. ‘Genetisch afval’ vond ik een fraaie vondst.

Klasse-overloper

De Franse schrijver Édouard Louis, net als ik afkomstig uit de arbeidersklasse, trekt als auteur van binnenuit van leer tegen de elite. Hij wordt een transfuge de classe genoemd: een klasse-overloper. Net als de vrouw op wie De mooiste vrouw van de wereld gebaseerd is, voel ik me verwant met klasse-overlopers.

We spraken met handen en voeten en dronken samen zelfgebrouwen gelig spul uit waterflessen.

Net als de vrouw die ik verzorgde, trok ik een tijdje op met Roma. We spraken met handen en voeten en dronken samen zelfgebrouwen gelig spul uit waterflessen. Het was sterk en smaakte naar schoonmaakmiddel. De muzikanten dronken en speelden avond na avond alsof er geen morgen bestond. Die vrijheid was jaloersmakend.

De lelijke en pijnlijke kanten van mensen zijn vaak onzichtbaar als je je niet mengt onder anderen. En als schrijver interesseert me de pijn meer dan het geluk. Want waarom ‘kunst’ maken of iets onderzoeken als je daarmee de verborgen kanten van de mens, in de breedste zin van het woord, niet wilt laten zien? Door het verborgene te tonen, krijg je iets nieuws te zien.

Hoofdstuk 2

Midden op het fietspad liep ik naar huis. Bussen reden er nog niet en ik wilde liever geen geld uitgeven aan een taxi. De Neue Liebe had me binnen drie uur al negentig euro gekost. De prijzen zijn er all inclusive. Voor de meisjes en drank betaal je dertig euro per uur, een dagkaart kost 119 euro.

Ik liep de route die ik vroeger na een werkdag fietste. Zonder afscheid te nemen had ik het ziekenhuis destijds verlaten. Mijn collega’s, nu ex-collega’s, waren altijd vriendelijk geweest. Als ik met Hugo en Helga mee naar binnen was gegaan, zouden de receptionisten me vast onthalen als een verloren zoon en vragen of deze twee mensen mijn ouders waren. Ik kon moeilijk zeggen dat ik Helga in de berm had zien liggen en dat Hugo toevallig kwam aanrijden. Ze zouden vragen: ‘Hoe is het, Jonah?’ terwijl ze ondertussen ongetwijfeld dachten: is Lotte nog steeds met die viezerik?

De Neue Liebe was een oordeelvrije zone. Een zeldzame plek waar je afkomst en status niet telden, slechts je geld en het geslacht in je broek.

Lotte is de enige die me elke dag herinnert aan dat ziekenhuis. Vannacht was ze er niet aan het werk maar sliep ze thuis. Lotte dacht dat ik naar een café was met oud-huisgenoten. Maar sinds mijn achttiende bezocht ik de Neue Liebe een paar keer per jaar. Destijds was het verkrijgen van seks nog een probleem. Wat begon als een uitkomst werd een verslaving. Ook toen ik met Lotte ging, bleek die oude gewoonte sterker dan ik wilde.

En eerlijk gezegd, hoe langer ik met Lotte ging, hoe sterker de drang werd om te gaan. De Neue Liebe was een oordeelvrije zone. Een zeldzame plek waar je afkomst en status niet telden, slechts je geld en het geslacht in je broek.

Ik ging niet naar Bali. Ik bezocht een Duits industriegebied. De Neue Liebe was ook goedkoop en de mensen vriendelijk.

Mensen zijn net planten: ze groeien naar het licht toe. Massaal trokken leeftijdsgenoten voor een tussenjaar naar Laos of Bali, om hun toekomst te overdenken en ‘in het nu’ te leren leven. Gebruind en als filantropen en nog grotere kapitalisten keerden ze terug. Ze zeiden: ‘De mensen zijn zo vriendelijk daar en het is er zo goedkoop, we gaven dikke fooi.’ Ik ging niet naar Bali. Ik bezocht een Duits industriegebied. De Neue Liebe was ook goedkoop en de mensen vriendelijk.

Ik kon er ieder moment mee stoppen. Ik moest het alleen nog doen. Veel moeite zou het niet kosten, er was namelijk weinig om je aan te hechten daar. Nooit zag ik vaker dan één keer hetzelfde meisje. De doorstroom was groot en het werd niet duidelijk waar de meisjes bleven. Eens zei een man aan de bar: ‘Als circusartiesten worden ze heel Europa door gesleurd.’ Een ander zei: ‘Nee, ze komen hier alleen even om geld te verdienen en dan gaan ze weer naar huis.’

Ook Hugo zei vannacht dat hij er al jaren kwam. Maar ik had hem er nog nooit gezien.

Op enkele auto’s na waren de straten leeg. Telkens als er een auto opdoemde, was ik bang dat het Hugo was. In de verte, achter de hoge gebouwen rond het treinstation, kwam de zon al op. Het ging warm worden vandaag.

Ik liep langs het park, een heuvel af, onze wijk binnen. In de herenhuizen woonden veelal jonge stellen met of zonder kinderen. Her en der zaten makelaars of advocatenkantoren op de begane grond. Onder ons appartement, op driehoog in een voormalig klooster, zat de goedlopende gordijnenwinkel van de Syrische Atto. Een buitenlander in deze buurt was een unicum. Voor Atto’s donkere etalage bleef ik stilstaan. Ik keek opzij over mijn schouder en zag mezelf in de spiegeling. Het leek alsof een oudere man me achtervolgde. Als ik naar de gordijnen keek, zag ik mezelf. Als ik naar mijn spiegelbeeld keek, zag ik gordijnen.

Aan de rand van een bed, zo hadden we elkaar leren kennen. Onze patiënt, meneer Schouten, was uitbehandeld en kon ieder moment sterven.

Pas toen ik doorliep, wist ik zeker dat ik het echt was geweest. Ik opende de voordeur en ging langzaam en schuldbewust de krakende houten trappen op. De appartementen in het klooster waren mooi gerenoveerd maar slecht geïsoleerd. In de zomer was het te warm en in de winter te koud. Alleen het trappenhuis en de buitenkant waren nog in originele staat. Die houten trappen boezemden me angst in. Bij brand zou vluchten onmogelijk worden, het hout was oud en zo droog als stro, de trap zou onder onze voeten verdwijnen.

De lamp op onze overloop brandde niet meer. Lotte sliep en ik wilde haar niet wakker maken. Ik opende voorzichtig onze slaapkamerdeur. Ze lag er zorgeloos bij.

Aan de rand van een bed, zo hadden we elkaar leren kennen. Onze patiënt, meneer Schouten, was uitbehandeld en kon ieder moment sterven. Ik was destijds bijna dertig, het was drie jaar geleden.

Lotte liep haar coschap anesthesie en ik was verpleger. In de pauzes ging ik steeds vaker met haar mee naar buiten. Ik hoopte altijd dat niemand ons zou volgen naar de rookpaal. Soms gebeurde dat wel, dan zeiden we amper wat, we keken elkaar alleen aan. Al spoedig aten we voor het eerst samen in een luidruchtig café en vergaten we de tijd en de mensen om ons heen. De volgende dag werden we in dit huis wakker en hadden we ons verslapen.

Bijna dagelijks deden we het stiekem in het ziekenhuis. Meestal op invalidentoiletten. Ook vreeën we in de kamer waar meneer Schouten was overleden.

Lang hielden we de relatie naar ons idee geheim, maar toen we het eenmaal schoorvoetend toegaven zeiden collega’s: ‘Dat wisten we allang.’ Toch zorgde liefde op de werkvloer binnen de kortste keren voor problemen.

We hadden last van beginnersgeluk. Bijna dagelijks deden we het stiekem in het ziekenhuis. Meestal op invalidentoiletten. Ook vreeën we in de kamer waar meneer Schouten was overleden. We vonden het niet macaber; liefde is blind en kamers zijn vooral gewoon kamers.

Toen we klaar waren, schoot Lotte het toilet in om zich te verschonen. Ik bleef op bed liggen en wreef me schoon met tissues. Er klonk gestommel, een schoonmaker kwam de kamer binnen. Hij schrok, schreeuwde zelfs en spurtte de kamer uit. De man diende een klacht in en ik werd geschorst. Lotte verzweeg haar aandeel om haar carrière te beschermen. Ze kwam er ongeschonden uit. Maar bij het vallen van mijn naam schijnt nog steeds iedereen in de kantine te lachen.

Ik zou nooit meer terugkomen naar het ziekenhuis. Dat was niet moeilijk: Lottes aankomende carrière als anesthesist zette mijn marginale verpleegwerk buitenspel. De liefde won. Lotte zou in de toekomst genoeg geld verdienen en geld gaf lucht, zei ze.

Ik stopte als verpleger, verliet mijn studentenkamer en trok bij Lotte in. Sinds we samen waren, was ik nauwelijks meer op mijn kamer geweest. Enthousiast had ik hem ontruimd en bijna al mijn spullen aan de straat gezet. Ik was er te lang blijven wonen en had de huisgenoten steeds jonger zien worden.

Ik bestelde Chinees en ging soms een dagje uit; Lotte at sushi en maakte verre reizen.

Lotte had alles al: een eigen appartement, een auto en een toekomst. En omdat ik Lottes wereld leerde kennen, begon de mijne me tegen te staan. Ik bestelde Chinees en ging soms een dagje uit; Lotte at sushi en maakte verre reizen. Ik wilde niets liever dan meedoen aan de rest van haar leven. Het leek het gemakkelijkste wat er was.

Inmiddels was Lotte anesthesist en was ik bijna altijd thuis. Voor de vorm werkte ik na mijn vertrek uit het ziekenhuis nog even als intermediair in kleine ziekenhuisartikelen: verband, haarnetjes, urinepotjes. Ik handelde in producten die ik nooit zag, meer dan een paar keer per week bellen of e-mailen vanuit huis was het niet. Het verdiende erg veel geld. En met het kapitaal leek ook heel even mijn zelfvertrouwen in dit nieuwe leven te groeien. Maar sinds een half jaar was het werk overgenomen door computers. Ze waren sneller, accurater en kostten bovendien minder.

Ik vroeg Lotte of ik weer eens bij een ander ziekenhuis zou solliciteren.

Ze zei: ‘Ben je gek, ik verdien toch meer dan genoeg om van rond te komen, Henny?’ Ze liet een tweede bankpasje van haar rekening maken en wilde het er niet meer over hebben. De tijd dat mannelijkheid nog ontleend kon worden aan bescherming, geld of macht leek voorbij.

Om dat te onderstrepen noemde Lotte me maar al te graag Henny, naar Henny Huisman, aangezien ik ons huishouden bestierde.

Lotte had alles, maar ze wilde nog één ding. Geleidelijk aan bereidde ze me voor op die volgende stap. ‘Ik ben al dertig, Jonah. Mijn leeftijd begint wel echt een rol te spelen, vind je niet? Zal ik mijn spiraaltje laten verwijderen?’

Ik was bang en zei dingen als: ‘Maar ons huis dan? Met die vele onhandige trappen, dat is toch niks?’ Of: ‘Zou het je carrière niet gruwelijk in de weg zitten?’

Ik maakte haar verdrietig en ongeduldig tegelijk. Ze zei: ‘Ik kan hem toch gewoon alvast weg laten halen en dan zien we daarna wel wat er gebeurt?’

Ik keek naar Lotte in ons bed. Ze sliep zo vredig als een hond in de zon. In het ziekenhuis zwichtten collega’s en patiënten makkelijk voor haar. Lotte leek niet eens gewend aan weerstand. Haar toon was vriendelijk maar rationeel, en ze sprak nooit over een mens maar altijd over de patiënt alsof het een object met gebreken was, zoals een brommer die afslaat. Een collega noemde Lotte eens: ‘Pragmatisch op een liefdevolle manier.’

Thuis verloor ze gelukkig al die diagnostische kwaliteiten en werd ze een ander. Hier moest er ruimte zijn voor leuke en luchtige zaken. Het liefst zou ze ons huis ombouwen tot een speeltuin, met een pingpongtafel en een schommel in de woonkamer. Die pingpongtafel beloofde ik haar al twee verjaardagen, in de hoop dat ze het zou vergeten.

Met mijn jas nog aan kroop ik onder de dekens. Lottes lichaam gloeide en ze werd een beetje wakker. Ik pakte haar vast en rook gewassen haren. In de Neue Liebe rook het naar chloor. Ik drukte haar stevig tegen me aan om die gedachte te verdringen. Ze ademde zwaar en brabbelde wat in mijn armen.

Voor een dokter is geen enkel gebrek vreemd. Ze stelde voor om een plastic zeil op het matras te leggen. In hotels doen ze dat ook, zei ze.

Elke keer als ik veel dronk, was ik bang dat Lotte wakker werd met een natte rug. Gelukkig was de laatste keer al even geleden. Het was een kwaal die ik pas op latere leeftijd ontwikkelde, mijn blaas was te klein geworden. In het ziekenhuis had ik bejaarde mannen geleerd om ‘in streepjes’ te plassen: aanzetten en weer ophouden enzovoorts, om de bekkenbodemspieren sterker te maken. Al jaren plaste ik zo, alsof ik nooit anders gedaan had. Het ging met veel ongemak gepaard om Lotte over het bedplassen te vertellen. Toen we elkaar net kenden, dronk ik niet, en ze vroeg zich af waarom. Ze reageerde niet geschokt, wel grinnikte ze. Voor een dokter is geen enkel gebrek vreemd. Ze stelde voor om een plastic zeil op het matras te leggen. In hotels doen ze dat ook, zei ze.

Lotte maakte zich moeizaam los uit mijn greep en draaide zich naar me om. Het plastic in ons bed kraakte niet. Haar gezicht deed me denken aan een verregende krant. Er stond wel iets te lezen maar het was lastig te zien wat. Versuft zei ze: ‘Jonah, ben je dronken? Ga plassen, ga slapen.’

Ik kuste haar schouder en stond op. Lotte was meteen weer vertrokken. In de badkamer kleedde ik me helemaal uit en keek ik even in de spiegel. Ik trok een ochtendjas aan en ging op de bank in de woonkamer liggen. Morgen zou ik zeggen dat Lotte droomde over een man met een jas aan in haar bed.

De volgende ochtend was mijn ochtendjas opengevallen en scheen de zon fel de woonkamer in. Lotte stond naast me en keek op me neer. Ik was naakt en schaamde me. Lottes blonde haar viel slordig over haar gezicht en met haar zachte stem zei ze: ‘Hé, word eens wakker.’

Ze bevoelde mijn benen. Ik had niet geplast en geen vlekken gemaakt. Ik sloeg de ochtendjas dicht en kwam overeind.

In huis rook het naar koffie en vers brood. Lotte had de tafel al uitgebreid gedekt, ze was de goede gewoonten van haar ouderlijk huis niet vergeten.

‘Kom je aan tafel?’ vroeg ze.

Ik ging zitten. Neuriënd schonk Lotte de koffie in. Ik glimlachte naar haar maar ik zag ons geluk niet, of ik herkende het niet meer als zodanig.

Ik bleef naar haar glimlachen. Het was laat in de ochtend, en net als de dag waren dit jaar en deze eeuw al even bezig. Maar ik vroeg me af wanneer alles echt zou gaan beginnen.

Dit was het tweede hoofdstuk uit De mooiste vrouw van de wereld van Jonah Falke, dat op vrijdag 24 mei verschijnt bij uitgeverij Lebowski, 176 p., € 21,99.