Overal waar Jane Toppan over de vloer kwam, werd er plotseling en voortijdig gestorven. En niemand die de connectie legde. De betreurden waren mensen die te zeer op haar waren gesteld. Bij wie ze het huishouden runde, die haar als familie beschouwden of als een toegewijde vriendin.
Opzet werd niet aannemelijk geacht; fatale ziektes genoeg in het Amerika van de 19de eeuw. Artsen die de doodsoorzaak moesten vaststellen, deden gissingen op basis van hun nog beperkte medische kennis, en hun autoriteit werd niet betwist. Het kwam ook door wie Jane Toppan was. Een ongetrouwde, moederlijk forse matrone met een verpleegstersdiploma en een bruisende persoonlijkheid. Zo vrolijk en praatgraag dat iedereen begreep waarom ze ‘Jolly Jane’ werd genoemd. Met haar zorgzaamheid en daadkracht een onmisbare steun voor families die kampten met een tragisch verlies. Een vrouw die zo troostrijk aanwezig was op de begrafenis van je echtgenote, dat je haar na afloop smeekte om bij jou in te trekken.
Dit verhaal komt uit de Detective en Thriller Gids 2018. Ook dit jaar hebben we weer flink wat thrillers gerecenseerd en de allerbeste uitgekozen. Neem hier een kijkje.
Uit de weg ruimen
Bij de 60-jarige mevrouw Mattie Davis kreeg de warmte de schuld, in combinatie met haar zwaarlijvigheid en diabetes. De hittegolf die Massachusetts teisterde in de zomer van 1901 had al meer slachtoffers geëist toen mevrouw Davis een treinreis naar Boston ondernam om haar dochter te bezoeken. Weinig luchtig gekleed had ze zich naar het station gehaast, op wandelafstand van haar woning in het kustplaatsje Cataumet. De akelige val die ze maakte bij de toegang naar het perron werd aan een flauwte toegeschreven, en betrokken bij speculaties over haar ineenstorting diezelfde avond en haar overlijden de volgende dag.
De doodskist die Mattie Davis per trein terugbracht naar Cataumet werd begeleid door Jane Toppan. Aan haar had de overledene op weg naar Boston bij een tussenstop een bezoekje gebracht toen ze plotseling doodziek werd. Een gelukkig toeval: in haar laatste uren was mevrouw Davis in de verzorgende handen geweest van een familievriendin die ook nog eens verpleegster was. Toppan was trouw aan haar zijde gebleven toen er naarstig werd gezocht naar een arts die de hitte niet was ontvlucht.
De familie Davis had Jolly Jane leren kennen als een geliefde zomergast op hun landgoed in Cataumet, waarop huisjes stonden die zij verhuurden. Toppan had wel een huurachterstand, en Mattie Davis had haar bij een tussenstop in het Amerikaanse Cambridge, waar Toppan het huishouden van een chique familie bestierde, bezocht om haar daar eens over toe te spreken. Maar niemand kon vermoeden wat de reactie van de toegesprokene was geweest. En wat er omging in de vrouw die naast de weduwnaar en zijn twee dochters op de begrafenis stond en daarna op hun verzoek bleef om hen bij te staan. Dit is wat Jane Toppan dacht toen ze de begrafenisgasten bekeek: ‘Nog even en ik zorg voor een nieuwe begrafenis.’ Ze was namelijk van plan om ook de drie andere kernleden van het gezin Davis uit de weg te ruimen. Binnen zes weken lagen de weduwnaar en de dochters die bij hem waren gebleven ook onder de grond.
Geen berouw
Dat we toegang hebben tot de gedachten van Jane Toppan komt doordat ze uitgebreid zijn opgetekend. Na haar arrestatie in oktober 1901 op verdenking van de viervoudige gezinsmoord bleef ze eerst ontkennen, overtuigd van de onbewijsbaarheid van haar methode. Maar met de publiciteit (de kranten noemden haar al een monster toen haar vele vrienden nog fervent voor haar opkwamen) kwamen er getuigenissen over eerdere sterfgevallen die ineens anders werden bezien. Er werden lichamen opgegraven die bij nadere beschouwing sporen van Toppans moordmethode bevatten.
Toppan genoot van het aanzien dat het haar gaf als ze levensreddend optrad bij patiënten die ze eerst zelf had ‘behandeld’.
Toen het net zich sloot om de wreedste seriemoordenares die Amerika in eeuwen had gekend, bekende Jolly Jane onverwacht niet alleen het wegvagen van de familie Davis, maar ook de slachtoffers die ze eerder had gemaakt. Ze beschreef er 31. Er waren er veel meer. Patiënten die ze aan het begin van haar carrière in de ziekenhuizen waar ze werkte een zetje had gegeven richting het hiernamaals. Die kon ze zich niet allemaal meer exact voor de geest halen, maar het moesten er tientallen zijn. Haar motief was een ambitie: ze wilde ‘meer mensen hebben gedood dan iedere andere man of vrouw die ooit heeft geleefd.’ Eén detail uit haar bekentenis werd in eerste instantie uit de publiciteit gehouden omdat het te choquerend was voor de krantenlezers: het moorden gaf Jane Toppan een gevoel van seksuele opwinding.
In zijn boek over Jane Toppan, Fatal. The Poisonous Life of a Female Serial Killer, stelt Harold Schechter dat we haar nu een psychopaat zouden noemen. Tot aan haar dood in de bewaakte inrichting waartoe ze werd veroordeeld, toonde Jolly Jane geen berouw of inzicht in het verdriet dat ze had veroorzaakt. Verhalen die loskwamen na haar bekentenis onthulden de sinistere schaduwzijde van haar innemende persoonlijkheid. Ze bleek óók een leugenachtige stoker die fabuleerde over haar afkomst en anderen liet opdraaien voor conflicten die ze zelf had veroorzaakt.
Strychnine tegen maagpijn
Met mededogen schetst Schechter, een Amerikaanse literatuurprofessor die bekendheid verwierf met zijn true-crime-boeken, de slechte levensstart van Toppan, die moederloos opgroeide in armoede en geweld. De geestelijke instabiliteit van een oudere zus en van haar vader, die haar bij een kindertehuis afleverde toen ze 6 jaar oud was, zou erop kunnen wijzen dat de waanzin in haar DNA zat. Schechter stelt dat Toppan zich op haar 29ste aanmeldde bij de verpleegstersopleiding omdat ze de mogelijkheid zocht om anderen pijn te doen. Dit wordt niet gestaafd door citaten uit haar bekentenis. Voor een alleenstaande vrouw zonder bezit of familie was de verpleging in die tijd een beroep dat bestaanszekerheid gaf.
Dat Jane Toppan zich als (leerling)verpleegster zou specialiseren in spoorloze vergiftigingen, kan ook zijn ingegeven door de 18de-eeuwse medische praktijk. Maagklachten werden nog bestreden met strychnine. Morfine werd gul voorgeschreven als pijnstiller en als ‘gezond’ alternatief voor alcoholverslaafden. Atropine, een plantenextract dat bij een hoge dosis dodelijk is, was hét medicijn voor nachtzweten of astma. Toen Toppan, een ijverige en snelle leerling, in het eerste jaar van haar interne opleiding de dagelijkse zorg kreeg voor ziekenhuispatiënten begon ze met wat ze zelf haar ‘wetenschappelijke experimenten’ noemde. Ze ontdekte dat morfine en atropine tegengestelde lichamelijke uitwerkingen hadden die elkaar maskeerden als ze beide werden toegediend. Ze bestudeerde het effect van diverse hoeveelheden en toedieningen (geïnjecteerd, opgelost in een drankje, via een klysma) en testte hoe snel of langzaam ze bejaarde of verzwakte patiënten kon laten sterven. Ze genoot ervan als dienstdoende artsen in haar bijzijn naar verklaringen zochten voor een plotselinge verslechtering, en van het aanzien dat het haar gaf als ze levensreddend optrad bij patiënten die ze eerst zelf had ‘behandeld’.
Toen ze haar opleiding vervolgde in een vooraanstaand ander ziekenhuis werd ze daar vanwege haar uitstekende prestaties benoemd tot plaatsvervangend hoofd. Tegen die tijd, verklaarde Toppan later, was haar spel met leven en dood ‘een gewoonte’ geworden.

Koortsachtig genot
In haar bekentenis toonde ze zich verwonderd over haar eigen gebrek aan spijt of schuldbesef. Het enige gevoel dat ze beschreef, was het ‘koortsachtig genot’ dat haar gewoonte haar bracht. Jane Toppan was een lustmoordenaar. En in haar modus operandi een vertegenwoordiger van de klassieke vrouwelijke variant. Mannelijke lustmoordenaars richten zich doorgaans op slachtoffers die ze niet persoonlijk kennen en die zij bruut penetreren, seksueel of met messengeweld. Hun vrouwelijke tegenhangers vinden opwinding in ‘een groteske, sadistische travestie van intimiteit en liefde’, aldus Schechter. In het teder in een lijk transformeren van een vriend(in), familielid of een patiënt die van hen afhankelijk is.
Opererend als een klassieke Engel des Doods omringde Jane Toppan haar ziekenhuisslachtoffers met zorgzame toewijding. Een patiënte die na Toppans arrestatie besefte dat ze aan haar was ontsnapt, vertelde dat de verpleegster in een van haar slechte nachten met een olielamp aan haar bed was verschenen. Toppan had haar een drankje gevoerd dat haar lichaam en geest had verdoofd. Als in een droom had de patiënte ervaren hoe ze bij haar in bed was gekropen, haar liefdevol had gestreeld en gekust en in haar oor had gefluisterd dat alles goed zou komen. Haar gesloten oogleden werden geopend en de verpleegster had haar pupillen bestudeerd. Toen voelde de vrouw het glas weer tegen haar lippen. Voordat ze het tweede drankje kon innemen, was Toppan plots verdwenen, wellicht gestoord omdat er iemand naderde.
Of Toppan met dit doel voor ogen de verpleging in was gegaan, valt niet te bewijzen. Duidelijk is wel dat ze in haar functie als verpleegster eindelijk beschikte over datgene wat aan haar leven daarvoor ernstig had ontbroken: status, macht en controle. Ze was altijd iemands willoze eigendom geweest. Er bestaat geen informatie over wat er in haar vroegste jeugd is gebeurd. Veel goeds zal het niet zijn geweest. Haar vader was een agressieve alcoholicus die zich zo afschrikwekkend vreemd gedroeg dat zijn bijnaam ‘The Crack’ was, van ‘crackpot’: ‘mafketel’. Een paar jaar nadat zijn echtgenote aan tbc was overleden, leverde hij twee dochters van 6 en 8 af bij het weeshuis van Boston, om nooit meer iets van zich te laten horen. Het weeshuis tekende op dat de meisjes uit miserabele omstandigheden kwamen. Waarschijnlijk waren ze thuis psychisch en fysiek mishandeld.
‘Ik hield haar in mijn armen en genoot ervan hoe ze naar adem happend het leven verliet.’
De naam Jane Toppan komt overigens in de weeshuisboeken niet voor. Het jongste meisje heette Honora Kelley. Zij zou later de achternaam aannemen van de familie Toppan, waar zij op haar achtste in huis kwam wonen. Dat was gebruikelijk. Welgestelde huishoudens kregen in ruil voor hun goedhartigheid een goedkoop dienstmeisje, dat tot haar 18de verplicht was om daar zonder salaris te blijven werken. Jane’s pleegmoeder en werkgever was een weduwe die geloofde in een disciplinair pak slaag. Naar Jane later vertelde, werd ze door Ann Toppan, die zij aansprak met ‘tante’, voortdurend herinnerd aan haar afkomst. Tekenend is dat het pleegkind, hoewel ze tot haar 28ste bij dezelfde familie diende, nooit officieel werd geadopteerd, wat wel tot de mogelijkheden behoorde. En dat ze na Ann Toppans natuurlijke (niet door Jane opgeëiste) dood in dier testament ontbrak. Pijnlijk moet de dagelijkse confrontatie zijn geweest met pleegzus Elizabeth, die geliefd opgroeide en mooier was dan de nogal plompe Jane, die weinig mannelijke aandacht kreeg. Nog pijnlijker was het dat Elizabeth, die kort na het overlijden van haar moeder trouwde met een respectabel heerschap, Jane Toppans werkgever werd.
Dierbare vriendin
Zelf beschouwde Elizabeth haar pleegzus als een dierbare vriendin. Zonder enig besef van de diepe wrok die Jane Toppan in de 22 jaar dat ze een huis deelden tegen haar had ontwikkeld, accepteerde ze in de zomer van 1899 Jane’s uitnodiging om naar haar vakantiehuisje in Cataumet te komen. Toppan had haar ziekenhuiswerk achter zich gelaten (later bleek dat ze was ontslagen wegens grootverbruik van de medicinale voorraad) en had een keurige reputatie opgebouwd als inwonend privéverpleegster bij de welgestelden. Elizabeth werd warm ontvangen. De avond na een gezellige picknick werd ze doodziek. Ze was al in een onomkeerbare coma toen haar man arriveerde, gealarmeerd door een telegram van Jane.
De opgetrommelde arts concludeerde dat een beroerte haar fataal was geworden. Wat haar man wel bevreemdde, was de verdwijning van het geld dat Elizabeth bij zich had. Toen hij Jane daarnaar vroeg, vond die het ook een raadsel. Ze wist hem wel te vertellen dat Elizabeth vlak voordat ze wegviel haar gouden horloge en ketting aan haar geliefde pleegzus had geschonken. Toppans latere bekentenis bevatte een gedetailleerde beschrijving van de werkelijkheid. Ze had Elizabeth in een gefaseerde vergiftiging extra lang laten lijden, en was ook bij haar in bed gekropen: ‘Ik hield haar in mijn armen en genoot ervan hoe ze naar adem happend het leven verliet.’
Wantrouwende schoonvader
De moord op Elizabeth was een van de weinige waar Toppan een motief voor had, en waar ze al jaren op aasde. Voor de anderen had ze weinig redenen. Er waren ziekenhuispatiënten bij die ze niet zo had gemogen, maar ook lievelingetjes. Hier en daar sneuvelde een dienstmeisje dat in de weg stond omdat Jane het rijk alleen wilde hebben in een bepaald huishouden. Soms veroorzaakte ze alleen een milde vergiftiging, wat haar aanblijven als privéverpleegster des te noodzakelijker maakte.
In de zes weken waarin Toppan na Mattie Davis ook de rest van haar gezin wegvaagde, had ze blijkbaar zo’n haast dat ze ook een roekelozere methode uitprobeerde. Drie keer brak er in die periode brand uit in de ouderlijke woning. Tegen de tijd dat die ontdekt werden, kwam de geliefde huishoudster/verpleegster geschokt aanzetten. Ze was buiten geweest, had bij buren staan kletsen en had wel een verdacht sujet zien rondlopen bij het huis.
Hier en daar sneuvelde een dienstmeisje dat in de weg stond omdat Jane het rijk alleen wilde hebben in een bepaald huishouden.
Ze kwam pas als verdachte in beeld door de volhardendheid van Paul Gibbs, de wantrouwende schoonvader van een van de overleden Davis-dochters. De 70-jarige Gibbs was erbij geweest toen de arts machteloos aan het ziekbed van zijn schoondochter Minnie stond en haar dood uiteindelijk toeschreef aan uitputting. Ze had immers in korte tijd haar ouders verloren, plus haar geliefde zuster Geneviève, die in de schuur een insecticide had aangetroffen en zichzelf daar uit pure wanhoop mee had geïnjecteerd. Op de inwonende privéverpleegster, die de weggegooide spuit had gevonden, was Minnie dol geweest. De verpleegster had de zieke trouw verzorgd en zich bovendien ontfermd over Minnies 10-jarige zoontje. Toen zijn moeder lag te sterven, had zij het jongetje zelfs bij zich in bed genomen.
Dat Gibbs deze huisengel toch begon te verdenken van de sterfgevallen had twee aanleidingen. Bij het betreden van Minnies kamer had hij gezien dat Toppan zijn schoondochter een injectie toediende, en er was iets heimelijks geweest in de manier waarop dat gebeurde. En de jonge weduwnaar van de twee weken eerder overleden Geneviève had hem toevertrouwd dat Minnie vlak voor haar heengaan nog even vaag bij kennis was gekomen. Bij de nadering van Toppan was Minnie zichtbaar ineengekrompen, alsof ze bang was voor Jane.
Gibbs zocht contact met een van zijn oude vrienden, een vooraanstaand toxicoloog, die de districtsadvocaat van de plaatselijke rechtbank inschakelde. Er werd een onderzoek ingesteld en een politiedetective kreeg de opdracht om Jane Toppans gangen na te gaan. Die was intussen ingetrokken bij de weduwnaar van Elizabeth, die zonder huishoudster zat omdat Jane deze bij een eerder bezoekje had vergiftigd. Onaangenaam verrast door het verblijf daar van de oudere zuster van de weduwnaar had ze die ook meteen uit de weg geruimd. Het zou de laatste moord zijn van Jolly Jane.
Zwaaien als een beroemdheid
Toen de kranten melding maakten van een onderzoek naar de dood van de familie Davis moet Toppan in paniek zijn geraakt. Ze vergiftigde zichzelf, misschien om medelijden op te wekken. Tegen de arts die haar oplapte, zei ze niet te zijn opgewassen tegen de praatjes die over haar rondgingen. Maar bij haar arrestatie had ze haar levenslust hervonden. Als een beroemdheid zwaaide ze naar de menigten die rondom de rechtbank dromden, riep naar verslaggevers dat ze binnenkort wat met hen zou gaan drinken, en bij de eerste zittingen babbelde ze er vrolijk op los. Hoewel de lijst van haar mogelijke moorden met de dag langer werd, dacht ze nog steeds dat niemand haar erop pakken kon. Het was ook moeilijk om de bewijslast rond te krijgen. Het arsenicum dat in de opgegraven lichamen werd aangetroffen en waar de aanklagers zich aanvankelijk op blindstaarden, bleek een veelgebruikt middel waarmee overledenen werden geprepareerd. Pas toen het idee postvatte dat Toppan minder detecteerbare gifstoffen had toegediend, werd duidelijk hoe veel atropine en morfine zij bij apothekers had afgenomen.
Moreel krankzinnig
Het team van psychiaters dat Toppan onderzocht nadat ze officieel was aangeklaagd, werd verrast door haar volledige bekentenis. Die was zo triomfantelijk gedetailleerd dat de specialisten haar ‘moreel krankzinnig’ verklaarden. Dat hoefde de 22-koppige jury alleen nog maar te bevestigen. In de inrichting waar Toppan pas op haar eenentachtigste stierf, beweerde ze haar gekte geveinsd te hebben. Maar haar snelle psychische achteruitgang daar wees op het tegendeel. Ze werd paranoïde, dacht voortdurend dat personeelsleden of collega-patiënten haar wilden vergiftigen. Ze brak uit in schaterlachen zonder aanleiding en kreeg volgens getuigen een waanzinnige blik in haar ogen.
In de laatste jaren van haar leven noemde ze zichzelf ineens weer Honora. Toen de gekte haar helemaal had overgenomen, werd ze pas weer het moederloze, mishandelde kind dat ze met fabels over haar afkomst en een nieuwe naam altijd had toegedekt. In een zelfgeschreven terugblik die Jane Toppan vanuit de inrichting bij een krant wist te krijgen, stelde ze eerder dat ze nooit was gaan moorden als ze een getrouwde vrouw was geweest. ‘Dan had ik mijn echtgenoot, mijn kinderen en mijn huishouden gehad om mijn geest mee bezig te houden.’
Harold Schechter, Fatal. The Poisonous Life of a Serial Killer, Simon & Schuster, 2003
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.