Ik rijd in een zwarte jeep over modderige wegen door de sloppenwijken van Nairobi. Langs de weg een en al bedrijvigheid. Het leven speelt zich hier op straat af. Wie niks verkoopt is wat aan het maken. Om de zoveel meter knalt keiharde muziek uit boxen. Ik geniet van de chaos en de sfeer. Overal lopen mensen met mobieltjes in hun hand of aan hun oor. Nog meer dan ik had verwacht.

Dat ik hier ben, heeft alles te maken met de tragische dood van mijn vader Joep, die om het leven kwam toen vlucht MH17 werd neergehaald. Vóór zijn dood hield ik me nauwelijks bezig met zijn werk: zijn onderzoek naar aids en hiv en de projecten die hij had opgezet in Afrika. Na zijn dood is dat veranderd. Ik maak nu documentaires voor het Joep Lange Institute. Samen met collega Dorte ben ik hier om een verhaal te maken over de enorme invloed van de mobiele telefoon op het leven in Afrika en de manier waarop PharmAccess, de organisatie die mijn vader heeft opgezet, daarop heeft ingespeeld. PharmAccess – de naam zegt het al – heeft als doel de gezondheidszorg toegankelijk te maken voor de allerarmsten.

Helaas heeft mijn vader de start van het project niet kunnen meemaken door zijn totaal onverwachte en abrupte dood.

Mijn vader vertelde me vaak dat er in Kenia een doorbraak aan zat te komen op het gebied van mobiele telefonie en gezondheidszorg, en met PharmAccess ontwikkelde hij M-Tiba, waardoor Kenianen via hun mobiele telefoon geld kunnen sparen voor het geval ze ooit ziek worden. Wie regelmatig een klein bedrag opzij legt via zijn M-Tiba account, wordt daarvoor beloond met een extra tegoed. En het mooie is: je kunt dat geld er niet meer vanaf halen voor andere doeleinden.

Helaas heeft mijn vader de start van het project niet kunnen meemaken door zijn totaal onverwachte en abrupte dood.

De mobiel als instrument van hoop

We slaan een nog smaller pad in. De jeep past er nauwelijks doorheen. Vervolgens komen we in een stukje Nairobi dat veel weg heeft van het platteland. Na zo’n tweehonderd meter komen we aan bij een geïmproviseerd hek van resthout en ijzerplaten. De piepende poort gaat open en voor ons staat een magere, knappe man van een jaar of veertig in een blauw Chelsea-shirt en een te grote spijkerbroek. Hij stelt zich voor als Sammy en vraagt ons zijn golfplaten huisje binnen te komen, dat niet groter is dan de oude tuinschuur van mijn vader. Sammy woont hier samen met zijn twee jongste kinderen.

Collega Dorte Hopmans kent Sammy van de tijd dat ze in Nairobi woonde. Sammy maakt leren riemen en tassen en Dorte kocht soms wat bij hem. De afgelopen jaren hebben ze sporadisch contact gehouden via e-mail. Sammy praat zacht, beheerst. We vragen hem wat zijn mobiel voor hem betekent. Hij kan zich geen leven zonder voorstellen. Zijn telefoon vormt een onmisbare schakel in zijn lederwarenhandel. Hij promoot zijn producten op internet en verkoopt over de hele wereld. Hij heeft klanten uit Duitsland, de VS en Japan. Met de inkomsten uit zijn bedrijfje kan hij moeilijk rondkomen, maar hij vertelt ons bloedserieus de ambitie te hebben een bepalende speler te worden in de mondiale mode-industrie. Zijn mobiel is een instrument van hoop.

Even later komen zijn kinderen binnen. Ze storten zich meteen op hem. Sammy lijkt me een betrokken en lieve vader. Waar de moeder is weet ik niet.

Mijn vader was de wereld redden

Mijn eigen vader speelde tijdens de opvoeding van mij en mijn zussen een minder belangrijke rol dan mijn moeder. Hij was er in elk geval vaak niet, en áls hij er al was, kon hij zijn werk niet loslaten en was hij meestal gespannen. Mijn moeder stortte zich op de opvoeding van de kinderen, mijn vader maakte carrière en verdiende het geld. Tot die rolverdeling waren ze al vroeg gekomen, begreep ik later. Nadat ze elkaar ontmoetten in het AMC in Amsterdam, waar mijn moeder als verpleegkundige werkte, zijn ze snel getrouwd en aan kinderen begonnen.

In mijn herinnering was hij meestal op reis naar verre landen. Om de wereld te redden, grapte mijn moeder. Kinderen wilde hij eigenlijk niet. Mijn moeder wel. Na een ruzie hierover heeft ze een keer een prullenbak over zijn hoofd geleegd. Daarna ging hij overstag, vertelde ze mij eens. Acht kinderen, wilde zij. Ze zijn tot vijf gekomen. Ik ben nummer twee, de enige zoon.

Zijn idealen betekenden voor mij in ieder geval een vader die er veel te weinig was.

Tijdens zijn studie geneeskunde begin jaren tachtig kwam mijn vader in aanraking met de toen nieuwe ziekte aids. Het zou zijn levenswerk worden. Mijn vader was een heel betrokken arts. Ik ken een aantal van zijn patiënten van het eerste uur. Allemaal zijn ze dol op hem. En dat kan ik me goed voorstellen. Hij stond bekend om zijn temperament, maar ook om zijn betrokkenheid, intelligentie en gevoeligheid, en zijn enorme ambitie en werklust. Ik zou blij zijn met hem als mijn arts. Hij nam veel risico, met het verstrekken van nieuwe medicatie onder andere, en deed dat geloof ik met de juiste motivatie: om mensen te helpen.

Met gemengde gevoelens denk ik terug aan de rol die hij speelde tijdens mijn opvoeding. Zijn idealen betekenden voor mij in ieder geval een vader die er veel te weinig was. Ik herinner me de stress – hij kon snel driftig worden – en dus ook zijn langdurige afwezigheid. Maar ik heb ook warme herinneringen: samen voetballen in de tuin, rondrennen door de woonkamer met mijn zussen op muziek uit Fellini-films. Dan stond hij met een brede glimlach te kijken in de hoek. Of zijn invallen – ‘Heb ik je weleens verteld over de geschiedenis van de aardappel?’ – als het gespreksonderwerp hem verveelde. Ik geloof echt dat hij zijn best heeft gedaan een goede en betrokken vader te zijn, maar het werk drukte zwaar, hij heeft er veel voor moeten opofferen. Hij heeft onze jeugd grotendeels moeten missen. Toen ik afzwom, was hij weer eens in Afrika om mensen te redden.

Gekidnapt in Kinshasa

Thuis kon hij niet echt zijn ei kwijt over zijn werk. We snapten het simpelweg niet of hadden er geen interesse voor. We hadden geen goed beeld van waar hij allemaal mee bezig was. En dat was een heleboel, daar kwam ik na zijn dood pas achter.

Misschien wilde hij er ook wel niet altijd over praten, zag hij thuis als de plek om dat los te laten. Ik verbaas me er nog weleens over dat iemand die zo met hiv/aids bezig was, mij nooit heeft verteld over de gevaren van seks, over condoomgebruik. Maar het was ook eigenlijk niks voor hem om zo’n gesprek aan te knopen. Hij was niet zo goed in het bespreken van hele persoonlijke dingen.

Aan de keukentafel werd weleens over Afrika gepraat. Mijn vader vertelde over gevaarlijke situaties die hij daar meemaakte, zoals die keer dat hij bijna gekidnapt werd bij het vliegveld van Kinshasa. Daar kon hij wel om lachen, hij was niet bang aangelegd. Maar al die verhalen stonden heel ver van ons af.

Ik verbaas me er nog weleens over dat iemand die zo met hiv/aids bezig was, mij nooit heeft verteld over de gevaren van seks, over condoomgebruik.

Mijn moeder hield haar wereld liever klein, ons leven speelde zich voornamelijk af in een vreedzaam dorpje in de buurt van Amsterdam. Wij hadden heel andere problemen dan arme Afrikaanse aidspatiënten en konden ons moeilijk met die kant van mijn vaders leven identificeren. Ik vroeg hem eens: ‘Als je de keuze hebt tussen het redden van de levens van alle zieke Afrikanen of van die van je kinderen, wat kies je dan?’ Waarop mijn vader volmondig antwoordde: ‘Die van mijn kinderen natuurlijk.’ Dat was een hele opluchting.

Geen zin om tussen al die vrouwen te zitten

Voor zover dat voor hem mogelijk was, heeft mijn vader wel erg zijn best gedaan ons aandacht te geven. Ik mocht weleens met hem mee naar het AMC. Dan liep hij in een witte doktersjas en bezocht hij patiënten. Ik zag dat hij gerespecteerd werd en keek dan erg tegen hem op. Om de beurt nam hij mijn zussen en mij mee naar congressen over de hele wereld. Ik mocht onder andere mee naar Rome, Washington, Montreal en Bangkok. Daar maakte hij altijd tijd vrij om wat samen te doen, hoe druk hij ook was.

Maar het nam het gemis thuis niet weg. Als ik nu terugkijk heeft zijn afwezigheid ook negatieve gevolgen voor mij gehad. Ik sloot me meer en meer af voor thuis, had geen zin om tussen al die vrouwen te zitten. Op mijn twaalfde begon ik met blowen en sloot ik me aan bij de plaatselijke hangjongeren. Aan lezen, iets wat mijn vader zo graag deed, had ik een hekel.

Nadat hij van mijn moeder scheidde, maakte hij meer tijd vrij voor zijn kinderen. Onze relatie verbeterde in de jaren voor zijn dood. Hij woonde in een appartement in Amsterdam, en ik woonde boven hem en at vaak mee. We vonden elkaar in een gedeelde liefde voor film, muziek en boeken – ik was de laatste jaren ook flink aan het lezen geslagen. Beiden waren we idolaat van Frank Zappa. Dat draaiden we vaak tijdens het eten, meestal tot grote ergernis van andere aanwezigen.

Totale shock

Op donderdag 17 juli 2014 was ik ’s middags aan het oppassen op de demente moeder van Jacqueline, zijn nieuwe partner. De televisie stond aan en opeens werd er overgeschakeld op een extra bulletin met belangrijk nieuws. Er was een vliegtuig neergestort in Oekraïne. Het zweet brak me uit. Het vliegtuig was op weg naar Kuala Lumpur en er waren veel Nederlanders aan boord, zo werd gemeld. Een paar uur daarvoor had ik nog afscheid van mijn vader en Jacqueline genomen.

Volgens mij hadden ze me gezegd dat ze met Malaysia Airlines via Kuala Lumpur naar Melbourne zouden vliegen voor het jaarlijkse internationale aidscongres. Meteen belde ik een vriendin van mijn vader, die mijn paniek probeerde weg te nemen: ‘Maak je niet druk, ze vlogen met KLM op Singapore. Ik bel zijn secretaresse even om het te bevestigen.’ Het stelde me niet echt gerust, met elke seconde die verstreek kreeg ik het benauwder, ik liep zenuwachtig heen en weer op de gang. Na tien lange minuten rinkelde de telefoon. Eerst een lange stilte, en toen: ‘Schatje, het spijt me zo, ze zaten aan boord. Ik kom nu naar je toe.’

Nadat de verbinding was verbroken, raakte ik totaal in paniek. Ik begon te hyperventileren, liep naar de badkamer, gooide koud water in mijn gezicht. Daarna ging ik op de grond liggen en begon ik keihard te huilen. Na een paar minuten belde ik mijn vriendin en vroeg haar naar me toe te komen. Daarna mijn beste vriend en mijn tante. Ze probeerden me allemaal tot bedaren te brengen, maar dat wilde niet echt lukken.

‘Is er iets met papa?’ Ik hoorde dat ze in elkaar zakte toen ik het haar vertelde.

Ik moest weer bij zinnen komen, moed verzamelen, want ík was het die mijn zussen en moeder moest inlichten. Het liefst via hun partners, dan konden zij ze opvangen, besloot ik. En dus belde ik eerst de twee vriendjes van mijn oudste zussen. Daarna mijn op een na jongste zusje. Ze was aan het werk, hoorde aan mijn stem dat er iets aan de hand was en vroeg me direct ‘Is er iets met papa?’ Ik hoorde dat ze in elkaar zakte toen ik het haar vertelde. Als laatste belde ik de vriend van mijn moeder. Een paar minuten later belde ze me zelf, ze begon ze te gillen. Ik probeerde haar tot rust te manen, geen idee waar ik de kracht vandaan haalde, ik verkeerde zelf nog in totale shock. Ik zei dat ik naar haar toekwam, had iedereen gevraagd naar haar te gaan.

Daar aangekomen zat iedereen huilend voor zich uit te staren. Dat beeld krijg ik nooit meer uit mijn hoofd. Terwijl we daar zaten, zag ik aan de overkant van de straat een jongen in een bestelbus die helemaal overstuur leek. Hij huilde en schopte en sloeg tegen zijn voorruit en stuur. Had hij ook iemand verloren bij het vliegtuigongeluk?

Gesloten kist

Die avond bleven we bij elkaar. Iedereen was overstuur maar ik werd juist rustiger, hoefde niet langer te huilen. Ik belde een collega om te zeggen dat ik de dag erna niet kon komen werken. We bestelden pizza en er werden grappen over mijn vader gemaakt. Ik voelde me heel anders dan ik me had voorgesteld.

Later die avond ging ik met een paar vrienden en mijn vriendin naar Alto Jazz vlakbij het Leidseplein. Ik heb een paar biertjes gedronken, ik zei niet veel. We bleven bij een van hen slapen. Gek genoeg lukte dat, slapen. Om vijf uur ging mijn telefoon. Het was iemand van Malaysia Airlines om te bevestigen dat mijn vader aan boord had gezeten.

In de weken die volgden stortte ik me op de financiële afwikkeling en de nalatenschap. Het gaf me afleiding. Ook had ik vaak contact met de politie en de luchtvaartmaatschappij, vooral voor de identificatie van het lichaam. Ze stelden ons allerlei persoonlijke vragen, zoals waar hij moedervlekken had.

Na meer dan een maand werd mijn vader gevonden. We kregen de vraag of we het lichaam wilden zien, maar dat werd ons afgeraden omdat het verminkt was. We besloten de kist dicht te laten. Vrienden en kennissen van de familie zeiden tegen me dat ik nu de man in de familie was, en zo voelde dat ook voor mij. Ik voelde me verantwoordelijk en nam veel werk op me.

Wij als gezin zijn eigenlijk nooit echt boos geweest, nog steeds niet. Boosheid is een manier van rouwverwerking, maar het is niet de onze.

Daarbij kwam het hele mediaspektakel. Mijn vader was de meest bekende inzittende. Van radio- en tv-programma’s kreeg ik interviewverzoeken, maar daar ben ik niet op in gegaan. Ik had het gevoel dat ik niks kon toevoegen, want ik wist niet genoeg over zijn werk. En meedoen aan emo-tv, daar had ik geen trek in.

Na een aantal dagen sloot ik me helemaal af van de media; ik kon niet tegen de beelden van die brokstukken. Sindsdien heb ik nauwelijks meer een krant opengeslagen en kijk ik geen televisie meer. Ik ben ook maar naar één bijeenkomst voor nabestaanden gegaan. Eigenlijk had ik er niet zoveel mee, hoewel ik het goed vond dat Nederland, de overheid, er zo groots mee omging.

Bij die bijeenkomst merkte ik dat veel andere nabestaanden erg boos waren. Op de regering, op Malaysian Airlines, op de Russen. Wij als gezin zijn eigenlijk nooit echt boos geweest, nog steeds niet. Boosheid is een manier van rouwverwerking, maar het is niet de onze. Ik heb me nooit verdiept in het onderzoek naar de ramp. Of het nou pro-Russische rebellen waren die de raket afschoten of niet, mijn vader is er niet meer.

Mijn wilde leven

Waar ik wel wat troost in vond, was in de manier waarop mijn vader werd geëerd. Collega’s organiseerden een bijeenkomst ter nagedachtenis van hem en Jacqueline. Daar kwamen veel prominente wetenschappers op af en prinses Mabel hield een speech. Er waren mensen uit alle delen van de wereld. Daar kreeg ik voor het eerst echt goed door hoe belangrijk hij was geweest en wat voor enorme impact zijn werk had. Deze openbaring en de ontelbare steunbetuigingen hielpen mij enorm tijdens die periode. Mijn zussen en ik voelden ons soms wel wat ongemakkelijk met al die aandacht, schaamden ons soms zelfs een beetje. Al die slimme, ambitieuze en succesvolle mensen om ons heen die onze vader goed bleken te hebben gekend. We voelden ons niet thuis in die wereld en waren bang vergeleken te worden met hem.

Na een maand of twee werd het rustiger. Ik pakte mijn werk weer op bij het Hans Brinker Hostel in Amsterdam, waar honderden jonge backpackers verbleven en elke nacht gefeest werd. Een totaal andere wereld. Daar begon ik me af te sluiten voor de drukte rondom de ramp en mijn vader, ik had een beetje genoeg van alle aandacht. Hans Brinker werd de plek om het allemaal los te laten. Het merendeel van de tijd was ik daar tot diep in de nacht, er begon een lange periode vol drank en meisjes. Ik studeerde Media, informatie en communicatie aan de Hogeschool van Amsterdam, maar was daar nauwelijks mee bezig. Ik deed twee jaar over mijn scriptie.

Op een gegeven moment had ik er genoeg van. Hans Brinker opende een vestiging in Lissabon. Ik kon daar gaan werken en verhuisde, weg uit Amsterdam. In Portugal zette ik mijn wilde levensstijl door.

Een foto van mijn vader

In november 2016, meer dan twee jaar na de ramp met de MH17, maakte ik samen met drie van mijn zussen op uitnodiging van het Joep Lange Institute een rondreis in Afrika langs projecten waar mijn vader aan had gewerkt. De organisatie was na zijn dood opgericht om zijn werk voort te zetten. We reisden drie weken lang door Kenia, Tanzania en Uganda. We bezochten klinieken waar hij gezondheidsprogramma’s had opgezet. Iedereen ontving ons warm en sprak met bewondering over onze vader. In een klein ziekenhuis op het platteland in Tanzania had de dokter om een foto van mijn vader gevraagd. Zodra we hem die gaven, kuste hij het portret geëmotioneerd. Mijn zussen begonnen te huilen, ik hield het nog maar net droog.

Met zijn werk heeft hij ontelbare kwetsbare mensen in ellendige omstandigheden geholpen. En ja, ik kreeg er meer begrip voor dat hij thuis vaak afwezig was.

Gaandeweg realiseerde ik me dat de impact die mijn vader heeft gehad veel groter is dan ik me ooit had gerealiseerd. Hij leverde een enorme bijdrage aan de ontwikkeling van virusremmers voor hiv/aids en zijn onderzoek naar de preventie van moeder-op-kind-transmissies redde vele levens. Samen met de organisaties die hij opzette, heeft hij betaalbare medicatie voor miljoenen Afrikanen beschikbaar gemaakt in een tijd waarin ze grotendeels aan hun lot werden overgelaten. Met zijn werk heeft hij ontelbare kwetsbare mensen in ellendige omstandigheden geholpen. En ja, ik kreeg er meer begrip voor dat hij thuis vaak afwezig was.

Mijn steentje bijdragen

Tijdens een diner raakte ik in gesprek met een van mijn vaders collega’s. Ik vertelde hem dat ik worstelde met mijn eigen inzet en betrokkenheid. Waar was ik de laatste jaren nou eigenlijk allemaal mee bezig geweest, vroeg ik me hardop af. Wat ik vooral had gedaan was flink mijn best doen om me af te sluiten van de wereld. Ik had nooit enige verantwoordelijkheid genomen, was voornamelijk bezig geweest mezelf te vermaken. Door wat ik tijdens deze reis had gezien en gehoord, begon ik dit beter in te zien. Iedereen moet doen wat hem of haar het meest ligt, zei mijn vaders collega. ‘Dat heeft Joep ook gedaan toen hij voor geneeskunde koos. Daar begon hij echt niet aan omdat hij toen al op grote schaal mensen in Afrika wilden gaan helpen.’

Ik wilde dat wel van hem aannemen, maar het bleef knagen. In mijn vaders voetsporen hoefde ik niet te treden. Dat kon ik niet eens, ik had er de opleiding niet voor. Maar ik begon wel na te denken over hoe ik mijn steentje kon bijdragen aan de strijd die mijn vader jarenlang had gevoerd.

Langzamerhand raakte ik er steeds meer van overtuigd dat ik iets wilde bijdragen.

De maanden na de rondreis met mijn zusjes door Oost-Afrika moest ik vaak denken aan mijn vader en wat hij daar allemaal tot stand bracht. Het gemis en het verdriet kwamen vanzelfsprekend weer naar boven. Ik bleef werken in het hostel in Lissabon maar begon het rustiger aan te doen en las in die periode veel boeken over Afrika en ontwikkelingssamenwerking. Ook speurde ik het internet af naar artikelen en publicaties over en van mijn vader. Langzamerhand raakte ik er steeds meer van overtuigd dat ik iets wilde bijdragen.

Max Lange
Max Lange. Foto: Gilleam Trapenberg.

Begin 2017 ben ik in Amsterdam met iemand van het Joep Lange Institute gaan praten. Kon ik niet iets betekenen? Het Institute had inmiddels meerdere activiteiten opgestart, waaronder een onderzoeksprogramma in samenwerking met de wereldberoemde gedragseconoom Dan Ariely. Ook was er een documentaire over vernieuwingen in de gezondheidszorg in Kenia geproduceerd. Daar wilden het Institute een vervolg op laten maken. Misschien ligt hier een rol voor mij, dacht ik bij mezelf.

Sindsdien ben ik drie keer in Kenia geweest. Na de tweede reis hielp ik met het schrijven van het script en de voorbereiding van de opnames voor de nieuwe documentaire. Tijdens mijn meest recente reis leerde ik Sammy kennen, en zijn we begonnen met filmen.

Revolutionair betalingssysteem

Sammy stilt zijn honger naar kennis via zijn mobiel. Hij speurt het internet af naar interessante artikelen en leest ontzettend veel. De ochtend na onze eerste ontmoeting bezoeken we hem weer. We komen aan om een uur of zeven, net nadat het gezin is opgestaan. Weer valt me op hoe zorgzaam en lief hij met zijn kinderen omgaat. Hij helpt ze aankleden en geeft ze een warme omhelzing voor ze naar school vertrekken. Ik vraag hem waar de moeder is. Daar zegt hij liever niet te veel over. Hij vertelt dat ze nog in leven is, maar de zorg over de kinderen aan hem heeft gelaten.

We zijn zo vroeg omdat we met hem meegaan naar de markt, waar hij zijn leer inslaat. Eens per week reist hij met een Matatu, een minibusje, naar het centrum van Nairobi om grote lappen koeienleer te kopen. Dit keer rijdt hij met ons mee in de Jeep. Het gigantische marktterrein is een verzameling rommelige kraampjes. Er branden vuurtjes en het stinkt er ontzettend naar gesmolten plastic. Het stikt er ook van de autobanden. Die worden veel gebruikt om slippers of tassen van te maken. Dit is pas recyclen.

Als ze het eens zijn, pakken ze allebei hun mobieltje en beginnen druk te typen. Binnen een minuut is de transactie voltooid en vervolgen we onze weg.

We banen ons door nauwe paadjes een weg naar het kraampje waar Sammy zijn leer inkoopt. Er liggen stapels gelooide koeienhuiden die Sammy kritisch keurt. ‘Deze wordt het,’ zegt hij tegen de koopman terwijl hij goedkeurend met zijn hand over een groot stuk leer wrijft. ‘Negenduizend shilling,’ reageert verkoper beslist, iets meer dan zeven euro. Te veel, vindt Sammy en ze beginnen flink te onderhandelen. Als ze het eens zijn, pakken ze allebei hun mobieltje uit hun zak en beginnen druk te typen. Binnen een minuut is de transactie voltooid en vervolgen we onze weg.

Op de weg terug legt Sammy uit hoe hij betaalde. ‘Ik gebruik nog amper cash sinds je overal met M-Pesa kunt betalen.’

De introductie van dit revolutionaire betalingssysteem een paar jaar geleden heeft het land op zijn kop gezet. Vóór de introductie van M-Pesa werd de grote groep arme Kenianen nauwelijks commercieel interessant bevonden. Er kon niet aan ze verdiend worden, zo werd gedacht. M-Pesa’s moederbedrijf, telecomaanbieder Safaricom, was de eerste die het aandurfde zich op deze groep te richten. Het werd een commercieel succes, en zo kwam de mobiele revolutie in Kenia op gang. Bijna elke Keniaan heeft nu een mobiel met M-Pesa, of deelt er een met vrienden of familie. En je kunt er echt overal mee afrekenen.

In de namiddag gaan we met Sammy en zijn zoon Eugene naar een kliniek. Zijn kinderen hebben de nodige gezondheidsproblemen en vooral deze jongen oogt zwak. Sammy gebruikt M-Tiba, dat mede is ontwikkeld door de organisatie die mijn vader heeft opgezet. Met M-Tiba bouwt hij een buffer op voor noodgevallen. De applicatie verbetert bovendien de transparantie van de relatie tussen patiënt en dokter. Rekeningen worden direct via de mobiel betaald, wat gesjoemel voorkomt, en de gebruikers ontvangen informatie over nazorg, zoals medicijngebruik. Dokters krijgen beter inzicht in patiëntengedrag en zorgaanbieders kunnen door de beschikbare data efficiënter te werk gaan.

Eugene is snel aan de beurt en wordt door de dokter onderzocht. Sammy betaalt de rekening bij de balie met M-Tiba. Hij heeft genoeg gespaard, en dat is maar goed ook, want bijna al zijn andere geld heeft hij eerder die dag uitgegeven aan de leren lap.

Max Lange
Max Lange. Foto: Gilleam Trappenberg
Trade not aid

De volgende dag bezoeken we het lokale kantoor van PharmAccess. Er werken ongeveer zestig mensen bij PharmAccess Kenia. Veel dokters, maar ook economen en mensen met een andere achtergrond. De meesten van hen dragen een pak en zitten achter de computer. Zodra ik geïntroduceerd wordt als de zoon van Joep Lange krijg ik veel aandacht. Ze lijken allemaal erg tegen hem op te kijken.

Hier wordt niet aan ontwikkelingshulp gedaan op de traditionele manier, die draaide om het gratis verstrekken van voedsel, medicatie en andere middelen en leidde tot problemen als hulpverslaving en corruptie. PharmAccess’ aanpak laat zich beter omschrijven als ‘trade not aid’. Er wordt niet alleen samengewerkt met de overheid, maar vooral ook met het bedrijfsleven.

De kritiek op gezondheidsprogramma’s in samenwerking met Heineken en Unilever is verstomd, domweg omdat het werkt.

Ze geloven hier dat marktwerking meer kan doen voor de gezondheidszorg dan traditionele hulp. Onder leiding van mijn vader zijn door PharmAccess gezondheidsprogramma’s opgezet met onder andere Heineken en Unilever. In het begin kwam hier veel kritiek op, vooral van mensen uit de hoek van de traditioneel opererende ngo’s. Maar daar trok mijn vader zich niet veel van aan, en de kritiek is verstomd, domweg omdat het idee werkt.

Ook aan de basis van M-Tiba ligt een samenwering van private en publieke partijen. De applicatie is deels tot stand gekomen met donorgeld, maar gebruikers zoals Sammy, moeten een deel van de kosten zelf betalen en de participerende klinieken hebben een winstoogmerk en zijn er dus bij gebaat goede diensten te leveren. Ik moet denken aan een uitspraak van ontwikkelingseconoom en Nobelprijswinnaar Angus Deaton: ‘Geld weggeven aan arme landen is geen oplossing voor armoede.’

De Afrikaanse droom

We volgen Sammy voor onze documentaire over de mobiele revolutie in Kenia. Daarvoor werken we samen met de Keniaanse filmmaker Tim Mwaura. Ik ontmoet hem voor het eerst in een bar in het centrum van Nairobi. Het zit er vol met jonge hippe Kenianen. Tim brandt meteen los. Hij is opgegroeid in Korogocho, een van Nairobi’s grootste slums. Zijn ouders hadden het niet breed en hij sliep met vier broertjes en zusjes in een bed. Zijn moeder merkte dat hij slim was, slimmer dan de rest, en stimuleerde hem om door te studeren. Tim kocht zijn eerste camera op jonge leeftijd, een heel goedkoop model waar hij jarenlang voor spaarde. Hij begon een eigen productiebedrijfje en werkte zich langzaam op. Nu filmt hij met apparatuur ter waarde van 70.000 euro en heeft hij een paar mensen in dienst. ‘Ik heb de Afrikaanse droom verwezenlijkt,’ grapt hij.

De mobiel heeft de massa mondig gemaakt, een instrument gegeven om de machthebbers te controleren.

Onze documentaire over de mobiele revolutie gaat over Sammy en de gevolgen van M-Tiba voor de gezondheidszorg, maar ook over de invloed die deze revolutie heeft op de politiek, de veiligheid en de solidariteit en mondigheid van de armen. Mensen delen verhalen over corruptie en politiegeweld op sociale media, en dat zet meer druk op de overheid. Tims geluidsman vertelde me dat er vroeger weleens een politiefuik werd opgezet in zijn buurt. ‘Iedereen die ze te pakken kregen moest dan zijn geld inleveren.’ Dat kan hij zich nu niet meer voorstellen. ‘Die agenten zijn veel te bang dat mensen foto’s of filmpjes van ze maken die op internet terecht komen.’ De mobiel heeft de massa mondig gemaakt, een instrument gegeven om de machthebbers te controleren.

De mobiele revolutie zorgt ook voor meer onderlinge verbondenheid en een nieuw soort solidariteit. Tijdens de politieke onlusten in de afgelopen verkiezingsperiode zijn veel huizen en winkels in vlammen opgegaan. Als reactie lanceerde een groepje jonge Kenianen een website waarop mensen een slaapplek konden aanbieden aan diegenen die hun huis verloren. Honderden mensen hoefden hierdoor niet op straat te slapen. Het werd een groot succes.

De wereld beter maken

Mijn werk in Kenia heeft mijn kijk op Afrika enorm veranderd. Er is hier veel ellende, maar er zijn ook veel positieve ontwikkelingen, zoals de mobiele revolutie. Kenia loopt voorop in de ontwikkeling van nieuwe toepassingen op het gebied van mobiele telefonie. Wat ik gezien heb, stemt mij veel optimistischer dan ik voorheen was.

De afgelopen tijd veranderde mijn leven ook op andere gebieden enorm. Ik ben gestopt bij het hostel en woon nu op het Portugese platteland waar ik met twee Amsterdamse vrienden een duurzame camping aan het bouwen ben. We doen ons best milieuvriendelijk te leven. Als je de wereld beter wilt maken, moet je daar ook voor kiezen in je privéleven, vind ik.

Ik heb ook meer vrede met de relatie die ik met mijn vader had, en ik heb meer begrip gekregen voor zijn afwezigheid. Ik ben nu vooral trots op zijn prestaties. Mijn bijdrage aan het Joep Lange Institute is een eerbetoon aan hem.