Slechts de helft van onze vriendschappen blijkt wederzijds. Wat een opluchting.

Dat er zo weinig aandacht voor is verbaasde me eigenlijk nog het meest. Goed, de wereld staat in brand en de Olympische Spelen zijn ongetwijfeld ook best het vermelden waard. En inderdaad, ik vind Yuri ook heel zielig. Maar kom: dit bericht was toch ook geen kattenpis.

Zondag schreef de New York Times over een recent gepubliceerd onderzoek van wetenschappers aan de MIT, en de feiten waren op z’n zachtst gezegd confronterend. Slechts ongeveer de helft van je vrienden beschouwt jou ook als vriend. Bij de rest is de vriendschap dus niet wederzijds.

Ik weet niet hoe de gemiddelde persoon op dit nieuws reageert, maar ik ben nog altijd een beetje van slag. Ik twijfelde ook of ik er nog meer aandacht aan moest geven, bang dat het voor mijn eigen vrienden de laatste druppel zou zijn om het rookgordijn neer te halen. Misschien is het een persoonlijk trauma. Als 9-jarige keek ik ooit ziekelijk op naar een klasgenootje, met het soort adoratie als die van het Turkse volk voor Erdogan of die van Wilders voor Trump. Het soort adoratie dat je alleen als 9-jarige zo vurig kunt voelen. Ze was mijn beste vriendin, vond ik, totdat ik er via de groep 4-grapevine achter kwam dat de vriendschap volgens haar helemaal niet bestond. Dit veroorzaakte fikse kortsluiting in mijn prepuberale brein. Was dit überhaupt mogelijk? Kon ik niet gewoon zelf bepalen met wie ik bevriend was, zonder bemoeienis van de ander?

Die vertwijfeling is nooit helemaal opgehouden. En nu blijkt dus inderdaad dat de helft van mijn vrienden mij ziet als een vaag bekend gezicht met een karakter dat op z’n best overtollig of onopgemerkt is.

In het New York Times artikel halen wetenschappers verschillende oorzaken aan. Volgens sommigen ligt het aan het steeds utilistischer worden van ons vriendschappen. Anderen denken dat het gewoon begripsverwarring is: mijn type vriend is niet de jouwe. Anderen geven – verrassing! – de schuld aan sociale media, waardoor vriendschap, en eigenlijk het hele leven natuurlijk, veel ingewikkelder is geworden. Weer andere denken dat het aan ons chronische optimisme en narcisme ligt, waardoor we de situatie voor onszelf altijd zonniger inzien dan die eigenlijk is.

Zou het zo zijn? Eerder dan optimisme lijkt het me een vorm van uitgesteld pessimisme. Een soort hypothese, waarvan je de falsificeerbaarheid maar even op de lange baan hebt geschoven. Het donkerbruine vermoeden hebben we wel, maar de moed om het te testen ontbreekt. In een druk restaurant om vochtig toiletpapier vragen voelt nog minder gênant dan vragen om een vriendschapsbevestiging.

Er zijn prachtige romans en popsongs over geschreven, films en series aan gewijd: het gevoel dat je vrienden je eigenlijk helemaal niet mogen, maar je zelfs niet belangrijk genoeg vinden je dat te vertellen. Dat je eigenlijk het ceremonieel staatshoofd, de blindedarm van je vriendenkring bent. Dieper krijg je de existentiële angst haast niet. De Quora-vragen over ‘onbeantwoorde vriendschap’ zijn misschien wel het treurigste hoekje van het internet.

‘Wegkijken’ als strategie heeft het dezer dagen zwaar te verduren, maar in het geval van vriendschappen lijkt het me eigenlijk zo kwaad nog niet. Nu de angst dat we eigenlijk door onze vrienden veracht worden volkomen terecht blijkt, kunnen we die angst eindelijk ten volste omarmen, ‘m recht in de ogen kijken en zeggen: inderdaad, ik heb een ingebeeld vriendschapsidee – maar jij ook. En vervolgens het hoofd weer vakkundig onder de grond duwen. Iedereen liegt elkaar al sinds mensenheugenis voor en eigenlijk was die situatie best prima. Niet gehinderd door enige feiten, zelfs niet als ze van MIT komen.