Zijn beslissing in 2012 om met zijn vrouw te verhuizen naar een oud kustwachthuis in het zuiden van Engeland markeerde zijn pensioen als wetenschapper en uitvinder. Alle apparatuur en notitieblokken uit zijn laboratorium verkocht hij aan het Science Museum in Londen, een van ’s werelds grootste wetenschapsmusea, dat de aankoop meteen vierde met een aan hem gewijde expositie.

Maar, zo zal iedereen zich hebben afgevraagd die zijn werk kent: waarom ging James Lovelock nu uitgerekend aan het strand wonen? Was dat niet een beetje roekeloos?

Immers, niet lang geleden waarschuwde de invloedrijke milieugoeroe nog dat de zeespiegel wel drie keer sneller stijgt dan de klimaatmodellen voorspellen. Hij had iedereen geadviseerd om maar vast uit te kijken naar onroerend goed in Scandinavië of het noorden van Canada.

Lees ookDe zeespiegelstijging is een groter probleem dan we denken. En Nederland heeft geen plan B5 februari 2019

En dat wassende water was nog maar het begin. Klimaatverandering, zo betoogde Lovelock, zal deze eeuw een einde maken aan het meeste leven op aarde, inclusief dat van vele miljarden mensen. De mondiale opwarming was, zo schreef hij, een manier van Gaia, onze levende planeet, om zich te verlossen van de mensheid.

Advertentie

Advertentie

Met andere woorden: zocht James Lovelock het gevaar niet op, daar op het mooie Chesil Beach?

Lovelock geeft onomwonden toe dat veel boeken over het klimaat, inclusief die van hemzelf, wilde voorspellingen doen. ‘Ik was een beetje te zeker van mijn zaak.’

Als hij de vraag voorgeschoteld krijgt, reageert Lovelock op de hem kenmerkende, onverstoorbare stijl. ‘Och, dit huis is gebouwd in 1824. Het heeft al die tijd overleefd, ook de recente stormen. Het zal onze tijd wel duren.’

Maar al die doemvoorspellingen dan? ‘Ach, weet u, eigenlijk kunnen we gewoon niet weten wat er precies gebeurt.’ Lovelock geeft onomwonden toe dat veel boeken over het klimaat, inclusief die van hemzelf, wilde voorspellingen doen. Inmiddels meent hij dat het proces van opwarming – of ‘verhitting’, zoals hij het graag zegt – langzamer gaat dan verwacht. Misschien duurt het nog een paar honderd jaar voordat het hier op aarde ondraaglijk wordt. Zonder een sprankje schroom zegt hij nu: ‘Ik was een beetje te zeker van mijn zaak.’

Trouwens, op zijn leeftijd zou hij al die rampspoed toch niet meer meemaken? Afgelopen zomer vierde hij in dit huis zijn honderdste verjaardag.

Jaloersmakend scherp van geest

Maar zelfs als James Lovelock zijn vrees voor dramatische klimaatverandering niet had getemperd, was de keuze voor het kustwachtershuis verklaarbaar; hij is altijd een avonturier geweest. Die drang om iets nieuws te ontdekken – in zijn laboratorium of in zijn gedachten – zal hem ongetwijfeld hebben geholpen bij zijn uitvindingen. Sommige eindigden op andere planeten, andere wakkerden hier op aarde het moderne milieubewustzijn aan.

In zijn nieuwste boek, Welkom in het Novaceen, betoogt hij dat de aarde alsnog wordt gered – en wel met dank aan kunstmatige intelligentie.

En zijn meest recente avonturen, als hoogbejaarde intellectueel, staan in zijn nieuwste boek, Welkom in het Novaceen, uitgegeven door Atlas Contact. Daarin betoogt hij dat de aarde alsnog wordt gered – en wel met dank aan kunstmatige intelligentie. Jazeker, de robots die volgens de doemzeggers eerst onze banen zullen overnemen en ons daarna zullen vernietigen, zullen juist onze redding zijn. Deze zelflerende cyborgs zullen veel slimmer zijn dan wij en er alles aan doen om de aarde koel te houden.

Want hoewel Lovelock al bijna veertig jaar geleden een hartaanval kreeg en sindsdien tientallen operaties onderging – en intussen alles overleefde van miltvuur (antrax) tot een adderbeet – is hij nog altijd jaloersmakend scherp van geest. En aangezien Lovelock al eerder baanbrekend werk naar buiten bracht, kunnen we het ons niet veroorloven om niet opnieuw naar hem te luisteren nu hij een nieuwe theorie ontvouwt over onze eigen toekomst.

Oermoeder Gaia

Zijn bekendste theorie betrof niets minder dan ons begrip van de aarde. In de jaren zestig werkte James Lovelock bij de NASA, het Amerikaanse ruimteprogramma. Hij ontwikkelde er onder meer instrumenten om te onderzoeken of er leven was op Mars. (Nee, was zijn conclusie.) Toen kreeg hij op een dag een inzicht dat zijn leven veranderde, en dat het begin inluidde van een nog immer voortgaand debat in de wetenschap.

Lovelock vroeg zich af of de aarde misschien een levend organisme is.

Lovelock vroeg zich af of de aarde misschien een levend organisme is. Immers, wanneer de zon de aarde opwarmt, worden minder kooldioxide en andere warmtevasthoudende gassen vastgelegd. En wanneer het afkoelt, stijgt de uitstoot, zodat de aarde weer warmer wordt.

Dergelijke uitwisselingen, zo dacht hij, duiden op een intelligent systeem dat zichzelf op de been houdt en probeert te floreren. Dan is de aarde dus een zelfregulerende planeet, min of meer zoals levende wezens dat doen.

Op suggestie van zijn buurman William Golding, auteur van Heer van de vliegen, vernoemde Lovelock de hypothese naar de oermoeder Gaia, de Griekse godin van de natuur.

Hij ontwikkelde het concept verder en publiceerde een aantal artikelen in vakbladen. Die bleven vrijwel onopgemerkt. Pas toen Lovelock er in 1979 een populair boek over schreef (Gaia: Een nieuwe visie op de aarde), brak hij door. Lovelock werd gebombardeerd tot een goeroe – althans, door milieuactivisten, New Age-adepten en feministen, niet door academici. De poëtische toon van het boek beviel hen niet, en dat was alleen nog maar de toon…

Als de aarde een levend organisme is, heeft ze zich moeten meten met andere planeten: hoe kan er nu natuurlijke selectie zijn op de schaal van het Melkwegstelsel? En hoe wordt die Gaia van hem dan wel aangestuurd? Suggereerde Lovelock soms dat er een vooropgezet plan was? Zou Gaia zich trouwens niet, zoals andere levende organismen, behoren voort te planten? Hoe dan? Al die vragen en aanvallen, onder meer van een kopstuk als Richard Dawkins, klonken grimmig. Het leek, zo zou iemand later fijntjes opmerken, alsof Lovelock een scheet had gelaten tijdens het theekransje van de dominee.

Intuïtie

Lovelock heeft in de loop der jaren enkele vragen opgehelderd. Maar hij realiseerde zich al snel dat zijn critici hem niet wíllen begrijpen.

‘Wetenschappers steunen te veel op taal en logisch denken’

Volgens hem zijn ze niet oprecht geïnteresseerd en willen ze niet twijfelen aan kennis die ze altijd voor lief namen. Boven alles willen ze niet accepteren dat niet alles te meten is, en dat iets ongrijpbaars als intuïtie een belangrijke bron van kennis kan zijn. ‘Wetenschappers steunen te veel op taal en logisch denken,’ verklaart Lovelock het verschil in zienswijze.

‘Zij menen dat intuïtie geen rol speelt in ons begrip van de wereld. Intussen laten zij zich leiden door hun intuïtie dat de aarde wel dood zal wezen.’

De critici zullen het vast niet hebben gewaardeerd dat Lovelock al jaren dwars door allerlei afgebakende academische disciplines heen banjert: hij is opgeleid als doctor in de geneeskunde, werkte als professor in zowel de chemie als de cybernetica, en als voorzitter van de Vereniging voor Mariene Biologie. Bovenal is hij uitvinder – met zijn witte haar en grote, ronde bril voldoet hij aan de karikatuur – en sinds hij voor zichzelf ging werken, kan hij zichzelf en zijn gezin onderhouden met de opbrengsten van zijn patenten en de verkoop van zijn boeken.

Hij is bedolven onder wetenschappelijke prijzen. Als een van de weinige onafhankelijke wetenschappers is hij toegelaten tot de prestigieuze Royal Society vanwege zijn werk rondom de overdracht van luchtwegeninfecties, luchtsterilisatie, bloedstolling, het invriezen van levende cellen, kunstmatige inseminatie, gaschromatografie… Het lijstje gaat nog even door. Zijn obscure Gaia-theorie werd echter niet genoemd.

Waarschijnlijk heeft Lovelock meer gemeen met briljante denkers als Charles Darwin en Albert Einstein dan met het volk dat zich vandaag wetenschapper noemt.

Maar zelfs die theorie lijkt toch eindelijk te worden geaccepteerd. Enkele van zijn redeneringen zijn inmiddels ondersteund door studies uit opkomende vakgebieden als de aardwetenschappen en systeemecologie. In 2006 kreeg Lovelock de hoogste onderscheiding van het academische genootschap van geologen, onder meer vanwege zijn gefilosofeer over Gaia.

En de steun gaat voorbij de wereld van wetenschap; Václav Havel, de Tsjechische dissident die president werd, verkondigde bij de ontvangst van de Amerikaanse vrijheidsmedaille dat hij optimistisch over de toekomst is dankzij de Gaia-theorie.

Waarschijnlijk, zo zei de befaamde politiek filosoof John Gray eens, heeft Lovelock meer gemeen met briljante denkers als Charles Darwin en Albert Einstein dan met het volk dat zich vandaag wetenschapper noemt.

Augurkenfabriek

Darwin – Einstein – Lovelock: daar zag het niet direct naar uit toen hij werd geboren. In 1919 werd de vrede getekend na de eerste, uiterst bloedige wereldoorlog en rukten de revolutionaire bolsjewieken in Europa op. Mensen gingen in drommen de straten op om te demonstreren voor kiesrecht voor arbeiders en vrouwen, en voor de 48-urige werkweek. De eerste radiozenders dienden zich aan, autofabrikant Citroën installeerde de eerste lopende band en in zestien uur tijd klapperde het eerste vliegtuig non-stop over de Atlantische Oceaan.

Intussen werd in Letchworth, een lieflijk stadje nabij Londen dat even daarvoor ’s werelds eerste rotonde in gebruik had genomen, ene James Ephraim Lovelock geboren. Zijn moeder was op haar dertiende gaan werken in een augurkenfabriek. Zijn vader, geboren in 1872, was vroeger zo arm dat hij een soort jager-verzamelaar was om het eten voor zijn familie bij elkaar te sprokkelen; hij moest eens zes maanden dwangarbeid verrichten wegens stroperij. Vader was een conservatief, moeder een overtuigd socialist. Samen vonden ze elkaar in het geloof van de Quakers, ondogmatische christenen.

Hun zoon James (‘Jim’ voor vrienden) raakte al vroeg geïnteresseerd in de wetenschap. Dat kwam door de sciencefictionboeken van Jules Verne en H.G. Wells. Zijn andere passie, de natuur, was ingegeven door de wandelingen met zijn vader, die graag wilde ontsnappen aan de drukte van Londen, waar hij een weinig succesvol winkeltje in kunst had. ‘Hij had een diepgaande kennis van de ecologie van het platteland,’ blikt Lovelock nu liefdevol terug, ‘ook al kon hij die niet uitdrukken in academische termen.’

Beide interesses inspireerden James om scheikunde en geneeskunde te studeren. Hij bleek al snel een hoogvlieger. Meteen na zijn studie kreeg hij een baan als onderzoeker op het Nationaal Instituut voor Medisch Onderzoek in Londen. De Tweede Wereldoorlog brak aan en hoewel hij stond geregistreerd als dienstweigeraar vanwege gewetensbezwaren kreeg hij wroeging. Hij wilde zijn vaderland dienen en meldde zich in 1944 alsnog bij het Britse leger. Daar kreeg hij te horen dat zijn werk toch echt belangrijker was.

Lovelock bewees dat virussen die griep en verkoudheid veroorzaken niet via de lucht worden verspreid, zoals werd gedacht, maar via fysiek contact.

Inderdaad zou Lovelock hier, tot zijn vertrek in 1961, talrijke ontdekkingen doen, en niet alleen in opdracht van het leger en de geheime dienst. Zo bewees hij dat virussen die griep en verkoudheid veroorzaken niet via de lucht worden verspreid, zoals werd gedacht, maar via fysiek contact.

Ook toonde hij aan dat kleine zoogdieren als hamsters urenlang of zelfs dagenlang kunnen worden ingevroren voordat ze weer ontdooid kunnen worden en tot leven worden gewekt. Daarvoor gebruikte hij iets dat wij nu zouden herkennen als een magnetron, compleet met een timer erop. Lovelock verwarmde er ook wel eens zijn lunchpakket in, maar vergat een patent aan te vragen. 

Je kunt gerust stellen dat James Lovelock een milieuramp heeft afgewend en dat hij bepalend is geweest in hoe we naar de aarde kijken en hoe we voor haar zorgen.

Dat deed hij wél bij tal van andere uitvindingen, onder meer voor bedrijven als Shell en Hewlett-Packard. Veruit zijn bekendste vondst is de elektronenvangstdetector, waarmee je de aanwezigheid van atomen en moleculen in de lucht kunt vaststellen. Zo kon je ineens zeer geringe concentraties van gassen en stoffen in de atmosfeer aantonen. Dankzij dit apparaatje kwam Rachel Carson aan het bewijsmateriaal voor haar boek Stille lente uit 1962 (over hoe pesticiden in de landbouw de vogels uitroeien) dat een klassieker werd in de ontluikende milieubeweging.

Ook registreerde het apparaat van Lovelock de chloorfluorkoolstofverbindingen (cfk’s) die destijds onder meer werden gebruikt in koelkasten en zorgden voor het gat in de ozonlaag.

Je kunt, kortom, gerust stellen dat James Lovelock een milieuramp heeft afgewend en dat hij bepalend is geweest in hoe we naar de aarde kijken en hoe we voor haar zorgen.

In de nesten gewerkt

Hij is, vrij letterlijk, een oude bekende. Tien jaar geleden zagen we elkaar voor het eerst. James Lovelock was 90 jaar. Met zijn Amerikaanse vrouw Sandy woonde hij in een sprookjesachtige omgeving in het zuidwesten van Engeland. Het huis was een oude watermolen, het laboratorium in de tuin een omgebouwde schuur met grote ramen erin. Eromheen een enorm stuk bos. Het was bijna een kilometer lopen naar de buren.

Waarom hij nog iedere dag werkte en niet gewoon lekker van zijn laatste jaren zou genieten? ‘Ik beschouw pensioen als dodelijk,’ zei hij beslist. ‘Zo’n grote leunstoel, de televisie en een paar blikjes bier: het is een mooie manier om jong te sterven, maar niet voor mij.’

‘We hebben Gaia een koorts gegeven,’ schreef hij plechtig, een ‘dodelijke griep’ die wel honderdduizend jaar kan duren.

Lovelock had zich juist weer eens in de nesten gewerkt. Hij had zich verdiept in klimaatverandering en raakte gealarmeerd. Dat had hij niet verwacht. Met zo’n rotsvast vertrouwen in de mogelijkheden van Gaia om voor zichzelf te zorgen, keek Lovelock altijd met argwaan naar lieden als Al Gore die op de trom van de Apocalyps sloegen.

Dat veranderde toen hij keek naar de computermodellen van klimaatwetenschappers. Die hielden volgens hem nauwelijks rekening met de zogeheten negatieve terugkoppeling. Een voorbeeld: als ijskappen smelten, stijgt niet alleen het zeeniveau, maar vermindert ook het vermogen van de aarde om de hitte van de zon terug te kaatsen, waardoor het zeeniveau nog sneller stijgt, waardoor de aarde de hitte van de zon minder goed kan terugkaatsen, et cetera.

Het beviel hem niet dat de klimaatexperts hun kennisgebieden keurig netjes hebben opgesplitst in overzichtelijke categorieën: een neiging in de academische wereld waar de aarde zich geen mallemoer van aantrekt.

In een geruchtmakend opiniestuk presenteerde Lovelock zich als een ‘planetaire arts’ die een medische diagnose kwam stellen: ‘We hebben Gaia een koorts gegeven,’ schreef hij plechtig. Niet zomaar een griepje, maar een ‘dodelijke griep’ die wel honderdduizend jaar kan duren. ‘Binnenkort zal haar conditie verergeren tot een coma.’

Dat artikel werd de opmaat voor een boek, De wraak van Gaia: Waarom de aarde terugvecht en hoe we de mensheid alsnog kunnen redden. De uitgever had vast afgedwongen dat de ondertitel opgewekt moest klinken, maar het boek was één en al naargeestigheid. Al snel daarna volgde The Vanishing Face of Gaia: A Final Warning. Dat boek werd niet meer vertaald.

Lovelock betoogde dat alles nog veel erger is dan we denken. Extreme hitte en droogte zouden in 2020 al heel gewoon zijn. Nog twintig jaar later zouden grote delen van het Europese vasteland en het Amazone-regenwoud onbewoonbare woestijn zijn. Aan het einde van deze eeuw zal het in Europa tien graden warmer zijn. De aarde zal warmer zijn dan op enig moment in de afgelopen 55 miljoen jaar toen er nog krokodillen zwommen in de Noordelijke IJszee.

Honderden miljoenen klimaatvluchtelingen zullen samenscholen in nieuwe stedelijke gebieden tot aan de Noordpool, waar minder voedsel en minder energie beschikbaar zullen zijn. De massamigratie zal een recept blijken voor politieke spanningen en gewapende conflicten.

In het jaar 2100 zijn nog maar een miljard mensen over; de rest is uitgeroeid ‘op dezelfde genadeloze wijze als waarop wij zoveel soorten hebben vernietigd door hun omgeving zodanig te veranderen dat overleving moeilijk werd’.

En daar, zo besloot Lovelock, is niets meer aan te doen.

Groene absurditeit

Voor de milieubeweging – die zo haar best deed om het probleem op de politieke agenda te krijgen en oplossingen aan te dragen – had hij geen goed woord over. Alle oplossingen noemde hij kortzichtig of lachwekkend.

Hernieuwbare energie zijn volgens hem namelijk niet bijster efficiënte manieren om energie op te wekken. Windmolens? ‘Zonde van ons landschap’, reageerde hij. Zonnepanelen? ‘Ja hoor, prima, maar dan wel in de woestijn.’ Biomassa, waarbij houtsnippers uit oude eikenbossen worden verscheept om te verbranden in een kolencentrale? ‘Een van de meest monsterlijke voorbeelden van groene absurditeit.’ ‘Elektrische auto’s, een extra trui, gescheiden afval, dubbelzijdige printjes? ‘Haha! Sorry hoor, maar dat maakt echt niet zoveel uit.’

‘Voor sommigen is het milieu een geloof geworden,’ zei hij eens, ‘en een geloof trekt zich doorgaans niet veel aan van feiten.’

Hij maakte in die tijd weinig vrienden. De mening van de oude goeroe werd weinig gewaardeerd. Het verwijt klonk dat zijn beweringen ‘misleidend’, ‘onverantwoordelijk’ en ‘gevaarlijk’ waren, omdat er geen beleid meer zou komen als alles toch zinloos was. Sommigen vroegen zich hardop af of de oude baas misschien de weg was kwijtgeraakt. Zelf geloofde hij overigens stellig dat hij voor de troepen uit liep, niet er achteraan. Bij onze ontmoeting wuifde hij de botsing met de milieubeweging laconiek weg: ‘Och, we sturen elkaar nog geen bommen.’

Stiekem houdt hij wel een akkefietje. Sinds hij bezorgd werd om het klimaat is hij – en bepaald niet voor het eerst – gaan wijzen op het nut van kernenergie: CO2-vrij, geen luchtvervuiling, het veiligst van alle energiebronnen, en met maar een klein beetje afval dat geen vlieg kwaad doet. Maar ja, klinkt zijn verzuchting: de milieugroepen willen er niet aan. ‘Voor sommigen is het milieu een geloof geworden,’ zei hij eens, ‘en een geloof trekt zich doorgaans niet veel aan van feiten.’

Over de publieke afwijzing van kernenergie blijft hij zich verbazen. ‘Wij mogen dan wel de enige bron van hoge intelligentie in de kosmos zijn,’ stelt hij nu, ‘maar ons besluit om het gebruik van kernenergie te vermijden, staat gelijk aan autogenocide. Niets laat de grenzen van onze intelligentie duidelijker zien.’

miljoen keren intelligenter

En nu, op 100-jarige leeftijd, laat James Lovelock opnieuw van zich horen met een radicaal idee. Nadat hij eerder de aarde omschreef als ‘Gaia’ en daarmee een nog altijd voortdurend debat in gang zette, introduceert hij deze keer niets minder dan een heel nieuw tijdperk: het ‘Novaceen’.

Misschien dacht u dat we nog leven in het Holoceen, of was u net gewend geraakt aan het Antropoceen, het Tijdperk van de Mens, vanwege onze vergaande invloed op natuurlijke processen. Maar volgens Lovelock, lopend voor de troepen uit, zijn we dus al op weg naar het Novaceen.

Cyborgs zullen komen tot nieuwe manieren van weten die ondenkbaar zijn voor eenvoudige stervelingen als wij.

In dit tijdperk streeft de technologie ons voorbij. Lovelock heeft het over cyborgs. Daarmee bedoelt hij niet wezens die deels vlees, deels machine zijn. Hij verwijst met die term naar intelligente, elektronisch wezens die zichzelf ontwerpen en in elkaar zetten, dankzij kunstmatige intelligentie.

Ze zullen al snel duizenden, of zelfs een miljoen keren intelligenter zijn dan wij. Ze zullen komen tot nieuwe manieren van weten die ondenkbaar zijn voor eenvoudige stervelingen als wij, en ze zullen telepatisch met elkaar communiceren. Waarschijnlijk kunnen ze op meerdere plaatsen tegelijk zijn. Misschien kunnen we ze niet eens zien of aanraken, maar zijn ze ‘biosferen’.

Misschien is het Novaceen eigenlijk al begonnen. Dan is AlphaGo het startpunt geweest. In oktober 2015 speelde dit computerprogramma van Google een potje go (een eeuwenoud, uiterst complex Aziatisch bordspel) tegen de Europese kampioen van dat moment. De computer won.

Nu had een computer een generatie eerder al eens gewonnen van een schaakgrootmeester, maar dit was echt iets anders. Waar de schaakcomputer nog was gevoed met informatie die door mensen was ingevoerd, daar had AlphaGo het spelletje grotendeels zichzelf eigen gemaakt.

Zijn opvolger, AlphaGo Zero, maakte zelfs helemaal geen gebruik van menselijke kennis toen die in 2017 de wereldkampioen versloeg. Binnen niet meer dan enkele dagen werd deze computer een bovenmenselijke go-speler – niet door per seconde tientallen miljoenen zetten te overwegen, maar juist door wat Lovelock omschrijft als ‘een soort kunstmatig intelligente vorm van intuïtie’.

We hebben elkaar nodig

O jee, zullen de robots komen, de wereld overnemen en ons vertrappen?! ‘Nee, ik geloof niet dat cyborgs ons zullen vernietigen’, verduidelijkt Lovelock in een e-mailcorrespondentie. ‘Wij mensen zijn misschien een miljoen keer intelligenter dan planten. Maar wij maken planten toch ook niet moedwillig dood? Wij laten planten groeien en bloeien voordat we ze oogsten, zodat wij kunnen eten en leven.’ Dus waarom zouden de cyborgs een einde maken aan dat minderwaardig gepeupel dat tot de menselijke soort behoort?

Onze nazaten zullen worden getolereerd door de cyborgs, meent Lovelock.

Sterker, cyborg en mens hebben in relatie tot Gaia eenzelfde behoefte: dat het niet te warm wordt. Want anders zijn er existentiële problemen voor zowel het organisch als het elektronisch leven die beide niet tegen al te hoge temperaturen kunnen. En waar de homo sapiens met enige moeite accepteert dat de aarde gevaarlijk opwarmt en oppert om nu, of anders morgen, toch maar eens actie te ondernemen, daar zullen de cyborgs dat direct beseffen.

Dus, ter geruststelling: onze nazaten zullen worden getolereerd, meent Lovelock. ‘Zij hebben ons nodig om het klimaat te reguleren, zodat de aarde koel blijft en we beschermd zijn tegen de ergste gevolgen van toekomstige milieurampen.’ Van een oorlog zal dan ook geen sprake zijn, verduidelijkt hij. ‘We hebben elkaar nodig.’

nestdieren

Ook als eeuwling behoudt James Lovelock zijn levenslust. Zelfs toen hij een zwartgallig beeld schetste van onze toekomst, bleven zijn pretoogjes fonkelen als hij erover vertelde. Een Britse journalist concludeerde eens dat Lovelock zo vol levensvreugde zit, ‘dat ze hem moeten bottelen en verkopen als een tonic’.

Tien jaar geleden verheugde hij zich op een ruimtereis, aangeboden door Richard Branson. Met Virgin Galactic werkte Branson aan commerciële ruimtevluchten en hij nodigde zijn idool uit mee te reizen. Lovelock deed geen moeite zijn binnenpret voor zich te houden: ‘Oh, wat leuk!’

Omdat Lovelock al de nodige operaties achter de rug had, werd even gevreesd dat zijn gezondheid zo’n reis niet zou toelaten. Alle testen wezen echter op een blakende conditie. De vraag was volgens Lovelock dan ook niet zozeer of híj het wel zou halen, maar of alle technische uitdagingen van Virgin Galactic wel op tijd werden overwonnen. Dat lukte niet.

‘Mensen lijken zich te ontwikkelen tot nestdieren, met de stad als de menselijke vorm van het nest.’

‘De ruimtevlucht werd afgeblazen,’ pakt Lovelock op waar we tien jaar geleden waren gebleven. ‘Erg jammer. Ik heb de kans gemist om Gaia vanuit de ruimte te aanschouwen.’ Zo’n kans, weet hij, zal niet snel meer komen. Hij is oprecht teleurgesteld.

Maar Lovelock laat zich nooit lang uit het veld slaan. Hoe heeft het toch zo lang volgehouden? Zijn antwoord – ‘doe wat je hart je ingeeft’ – klinkt wat vlakjes en ingestudeerd. Is er meer? Dan volgt zo’n typische redenering waarop hij mogelijk eveneens een patent heeft aangevraagd: ‘Mensen lijken zich te ontwikkelen tot nestdieren, met de stad als de menselijke vorm van het nest,’ begint hij. ‘Net als bij de ongewervelde dieren moet de mens een keuze maken tussen het eenzame, afgezonderde leven en het drukke leven in een groep. Als de stad ons lot is, hebben we misschien geen andere optie dan ons aan te passen en streetwise te worden. Persoonlijk heb ik deze manier van leven altijd verworpen, net als Sandy. Het was mijn keuze om meer te leven zoals mijn vader dat vroeger deed, met veel contact met de natuur, die voor mij heeft geleid tot een lang leven. Het is een leven waarvan ik na honderd jaar nog altijd kan genieten.’