Sinds 31 maart zijn ten minste 112 Palestijnen door Israelische scherpschutters gedood en 12.270 gewond geraakt. Van enkele tientallen moesten ledematen worden afgezet. Onder de gedode Palestijnen zijn ook kinderen en vrouwen, en sommige doden zaten in een rolstoel. De Grote Mars naar de Terugkeer, waartoe Ahmed Aboe Ratima een paar maanden geleden op Facebook opriep nadat Trump verklaard had Jeruzalem als hoofdstad van Israël te erkennen, kostte alleen al vorige week ruim zestig Palestijnse levens. Vriend en vijand noemen het een bloedbad maar over de schuldvraag woedt een propagandaoorlog.

Lees ookMeer macht op vrijdag: Vrij Links - maar waarheen?25 mei 2018

Het gaat me er nu niet om als scheidsrechter te fungeren. Onbegonnen werk. Het is ook een kwestie van interpunctie wie er begon en wie reageerde op wie; in een propagandaoorlog weegt gelijk krijgen nu eenmaal zwaarder dan gelijk hebben. Je weet van tevoren dat de partijen altijd nog een laatste woord kunnen opeisen en de ander voor leugenaar zullen uitmaken. Vroeg of laat vallen – al dan niet terecht – termen zionisme en antisemitisme, geijkte showstoppers in het vanaf dat moment vruchteloze discours.

Bloedbad

Hamas heeft de oproep van Ahmed Aboe Ratima op enig moment overgenomen, zich ‘juichend slachtoffers toegeëigend, wat de actie ontegenzeggelijk heeft geïntensiveerd (Israël juicht: zie je wel, terroristen!) . Het woord ‘bloedbad’ heeft evenzo ontegenzeggelijk te maken met de meedogenloze reactie van Israel, allemaal voer voor de onderzoekers die de materiële feiten zullen onderzoeken (‘ongewenst’ en bij voorbaat waardeloos vinden Israël en de VS). Maar het is een boeiende vraag of er regels zijn om zelfs de propagandaoorlog ‘fatsoenlijk’ te voeren, of dat we moeten concluderen dat ook daarin geen grenzen meer gelden.

Op 17 mei kreeg ik in mijn inbox een mailtje met de boodschap: ‘Dear Ko, Israel is under attack. In Gaza, Hamas sends terrorists along with thousands of civilians to attack and flood Israel’s border, achieving the casualties and pictures they seek.’ Dat is niet mis, dacht ik, ik ben me er goed van bewust dat de afzender, de ngo UN Watch, een pro-Israëlische waakhond van de Verenigde Naties is die niet moe wordt informatie te verspreiden die de inderdaad op mensenrechtengebied vaak voorkomende tekortkomingen van de VN aan de kaak stelt, maar dat met nogal open vizier doet. Dan vind ik partijdigheid niet zo hinderlijk maar eerder uitdagend. Maar dat Israël ‘aangevallen’ werd, de ‘border’ overspoeld werd door Hamas-terroristen die zich onder burgers mengden ging wel ver.

‘De acties van Israël redde de levens van Gazanen, volgens UN Watch’

‘Dear Ko’, dat was een wake-up call die ik nooit eerder van UN Watch had ontvangen, het moest om iets heftigs gaan. Via UN Watch meldde kolonel Richard Kemp zich een dag later, gepokt en gemazeld in het uit elkaar houden van vechtende groepen op de hele wereld, die de aanklacht tegen Hamas voor de VN-Veiligheidsraad herhaalde en nog een stap verder ging: wie goede bedoelingen achter de Grote Mars wilde zien, was medeplichtig aan verder bloedvergieten.

‘Your failure to admit that Hamas is responsible for every drop of blood spilt on the Gaza border encourages their violence and use of human shields. It makes you complicit in further bloodshed’ en als Israël niet had geschoten zouden ‘the mobs’ Israël zijn binnengevallen, het Israëlische leger had zijn onderdanen voor een slachting moeten behoeden door nog veel meer Palestijnen dood te schieten, ergo ‘Israel’s actions therefore saved lives of Gazans’; de VN-Veiligheidsraad zou het Israëlische leger hiervoor een pluim moeten geven. Hier vond reeds een omkering van argumentatie plaats, al was dat nog binnen het kader van een feitenrelaas: Israël vergoot geen bloed maar spaarde levens van de Gazanen, en wie dat niet gelooft is medeplichtig aan nog meer bloedvergieten.

Slachtofferrol

Op 18 mei sloeg ik de Volkskrant open en las de vertaalde column van The New York Times-columnist Bret Stephens, gelauwerd en omstreden, ook ingaand op de gebeurtenissen rond Gaza. Bij de column stond – de lezer was gewaarschuwd – een vignet afgebeeld dat nog eens aangaf dat we hier met de beste NYT-columnist van doen hadden, dus de boodschap was: denk tweemaal na voordat je het durft om je wenkbrauwen te fronsen. Stephens stukje heette Het mysterie van de Midden-Oostenpolitiek is waarom de Palestijnen zo lang vrijgesteld waren van deze normale morele oordelen. En inderdaad, Stephens kiest onmiddellijk de moral high ground door in het propagandagevecht de Palestijnen te verwijten voor de slachtofferrol te kiezen, die hun de bonus van de internationale steun oplevert die eigenlijk Israël moet toekomen omdat het zich verdedigt tegen agressie.

‘Blaming the victims’ is de inzet van het conflict geworden, niet de werkelijke toedracht. Stephens toont ook niet in die werkelijke toedracht geïnteresseerd te zijn, want hij bedient zich van het beschamende en onzindelijke ‘argument’ dat de Palestijnen eigenlijk helemaal geen recht van spreken hebben, hij schrijft letterlijk ‘wanneer de Palestijnen een waardige, trotse en welvarende natie willen opbouwen, kunnen ze nog wat leren van de buren’. Een dubbele omkering die het ‘mysterie’ waarover Stephens zich beklaagt zelf schept, de lezer die even advocaat van de Gazanen (70 procent van de twee miljoen mensen die in die openluchtgevangenis wonen is vluchteling) wil zijn bij voorbaat moreel veroordeelt, en in feite ontzegt de schulddiscussie überhaupt te voeren.

Alsof elk verzet bij voorbaat weggezet mag worden als laf en cynisch als je preventief met gerichte vergelding gewaarschuwd hebt.

‘Waar was de woede over Hamas dat de Palestijnen bleef oproepen naar het hek te gaan, terwijl Israël ruim van te voren had gewaarschuwd dat dat levensgevaarlijk zou zijn? Op andere plekken in de wereld zou dit soort gedrag zijn bestempeld als roekeloos en veroordeeld als zelfdestructief, laf en ongehoord cynisch’, vraagt Stephens serieus, alsof elk verzet bij voorbaat weggezet mag worden als laf en cynisch als je preventief met gerichte vergelding gewaarschuwd hebt. ‘Er is een patroon – beschadig jezelf, geef de ander de schuld – dat de aandacht verdient te midden van de storm van moreel blinde, onhistorische kritiek die elke keer over de Israëli’s neerdaalt als ze zich verdedigen tegen gewelddadige aanvallen van Palestijnen’, schrijft Stephens, alsof zo’n patroon niet onvermijdelijk kan zijn na zeventig jaar weggejaagd zijn van je geboortegrond.

‘Onhistorisch’: is Stephens vergeten dat de Israëlische regering de Amerikaanse regering in 1966 liet weten niet langer over‘repatriëring’ van de Palestijnse vluchteling te willen praten, omdat dit woord neerkwam op vernietiging van de staat Israël? Is hij (en de Nederlandse regering als die spreekt over de legitieme defensierechten van Israël) vergeten dat de grens tussen Israël en Gaza geen volkenrechtelijke grens is maar een wapenstilstandslijn tussen een bezettingsmacht en een aan alle kanten afgesloten en afgeknepen strookje land? Is het Stephens ontgaan dat er bezettingsplichten bestaan, en dat er sinds Trump in de jaarlijkse mensenrechtenrapporten van het State Department niet langer wordt verwezen naar Gaza en de Westoever als ‘bezette gebieden’, een omineuze suggestie van normalisering? Gelauwerde columnisten, waarom vrijgesteld van normale morele oordelen?