Harm Botje deelt dit artikel met jou.
Het zijn tijden voor Vrij Nederland.

In de schaduw van de meester: seksueel misbruik in de kring van Wolfgang Frommel

Frank Ligtvoet
Castrum Peregrini aan de Herengracht 401. Foto: Jeannine Govaers/HH

De Amsterdamse culturele stichting Castrum Peregrini noemt zich vandaag de dag een ‘cultural playground’. Vroeger bood ze onderdak aan een sekte. Al begreep Frank Ligtvoet dat pas toen hij die had overleefd. Een bekentenis.

Het was een zondagmorgen in het≠ Stedelijk Museum in Amsterdam. Ik bezocht de Amsterdamse School-tentoonstelling. Het was najaar 1974 en de colleges op het Instituut voor Neerlandistiek aan de Amsterdamse Universiteit zouden snel beginnen. Het zou mijn derde jaar worden, maar ik had de eerste twee jaar weinig gestudeerd en lag een jaar achter. Ik zou een nieuwe start maken na een ongelukkig en veelal nachtelijk leven in nichtenbars en disco’s, een leven waaraan ik geen vrienden en geen liefde had overgehouden.

In een van de laatste zalen van het museum zag ik niets meer van de tentoonstelling maar alleen nog een jongen met krullen. Hij zag mij ook, we flirtten en we raakten aan de praat. Hij was binnenhuisarchitect, oorspronkelijk uit Joegoslavië. Na het bezoek aan het Museum zou hij zijn vriend gaan bezoeken, een Zwitserse antropoloog, die in de buurt woonde, en hij nodigde me uit met hem mee te gaan. We wandelden van het museum naar het oude centrum. De Zwitser bleek ook een man met krullen en wat ouder dan de jongen. Ze konden broers zijn geweest. Hij raamde dia’s in van een studiereis die hij naar Indonesië had gemaakt. Ik hielp.

Zo begon mijn leven in een sekte. Al begreep ik pas dat het een sekte was toen ik die had overleefd.

Cultural playground

Aan de Amsterdamse Herengracht op de hoek van de Beulingstraat staat een grachtenhuis dat als plattegrond een driehoek heeft. Het herbergt de culturele stichting Castrum Peregrini die zich vandaag de dag een cultural playground noemt en die tentoonstellingen, lezingen en bijeenkomsten organiseert met een internationaal karakter. Hun mini-mission statement op de website luidt: Art and Culture, Freedom and Friendship. De vorige eigenaresse van het huis, die het bij haar dood aan de stichting naliet, was een welgestelde patriciër, de schilderes Gisèle d’Ailly-van Waterschoot van der Gracht, die in 2013 op honderdjarige leeftijd overleed. Haar atelier en woonvertrekken zijn nu een soort museum geworden en kunnen op verzoek worden bezichtigd. Gisèle, haar schildersnaam, wordt op de Castrum-site rijkelijk geëerd.  Terecht, zij was de mecenas.

Gisele d’Ailly van Waterschoot van der Gracht in haar huis, Castrum Peregrini op de Herengracht 401, in 2012. Foto: Jordi Huisman/Freunde von freunden/Hollandse Hoogte

Er wordt op de website echter meer verzwegen dan gezegd. Het huidige Castrum is de voortzetting van het Castrum Peregrini dat zijn wortels had in de tijd van de Tweede Wereldoorlog. Het oude Castrum was het geesteskind van de charismatische Duitse homme des lettres Wolfgang Frommel, die zijn gesloten wereldbeeld, zijn buitenmaatschappelijke, dandyachtige levensstijl en zijn gestileerde uiterlijk tamelijk precies had gemodelleerd naar het voorbeeld van de Duitse dichter Stefan George (1868-1933). Frommel was in Nederland blijven steken toen de oorlog uitbrak en had via literaire connecties Gisèle in Bergen leren kennen. Zij die Frommel eerst liefhad en hem voor de rest van haar leven bleef adoreren, had voor onderdak gezorgd in Amsterdam. Dat zou ook, toen dat nodig werd, een onderduikplek bieden aan vrienden van Frommel, de Duitse Joodse jongens F.W. Buri en Claus Bock.

Castrum Peregrini was vooral Frommels Castrum Peregrini, niet Gisèles.

Wolfgang Frommel.

Er is een reden voor het verdonkeremanen van Frommel. Het tijdschrift dat hij uitgaf onder de titel Castrum Peregrini was aan George gewijd. George was een fragiele estheet uit de laatste jaren van de negentiende eeuw, die zich in de twintigste eeuw met het pre-fascistische Duitsland mee ontwikkelde tot de profeet en wetgever van een sektarische en autoritaire homo-erotische kring die uitsluitend uit mannen en jongens bestond: Der Kreis. Het poëtische wetboek van de Meister zoals George werd genoemd, is een cyclus van honderd gedichten, waarin de ‘erotische opvoeding’ van jongens door oudere mannen wordt beschreven: Der Stern des Bundes (1914). George was vanzelfsprekend geïnspireerd door het opvoedingsideaal van de Grieken, dat in Plato’s Symposium is beschreven, waarin de persoonlijke relatie tussen man en knaap centraal stond. George was in Duitsland overigens geen eenling: de ontwikkelingen in de Jugendbewegung en de onderwijsfilosofie van die tijd, de Reformpädagogik, weerspiegelen verwante opvoedingsideeën.

Het poëtische wetboek van de Meister zoals George werd genoemd, is een cyclus van honderd gedichten, waarin de ‘erotische opvoeding’ van jongens door oudere mannen wordt beschrevenNaast drijvende kracht achter het Duitstalige tijdschrift was Frommel ook de stichter van een ‘vriendenkring’ in nabootsing van George’s Kreis. Hij had geprobeerd via een jongere vriend van George, Percy Gothein, tot de kring van de Meister zelf door te dringen, maar die had hem afgewezen, vermoedelijk om zijn al te zichtbare homoseksuele gedrag. In de jaren dertig begon hij zijn eigen vrienden te verzamelen. De meesten waren jonge jongens.

George’s vriendenkring bestond aanvankelijk uit leeftijdsgenoten. Maar rond de eeuwwisseling werden zijn vrienden jonger en jonger. De jongste zou een zekere Maximilian Kronberger worden, die hij in 1902 in München op straat ontdekte. De jongen was veertien jaar oud. Er ontstond, gedoogd door de ouders, een moeizame relatie. Kronberger stierf in 1904 aan de gevolgen van een hersenvliesontsteking. De ontmoeting met deze jongen en zijn dood leidde ertoe dat George de mythe van de goddelijk knaap tot realiteit verhief: de jongen, omgedoopt tot Maximin, was tijdens zijn leven geen verbeelding maar de belichaming van het goddelijke geweest. Een monumentaal gedenkboek werd aan hem gewijd met een foto van hem, halfnaakt, als een Griekse kouros. Wie niet in de goddelijkheid van de jongen geloofde verdween langzaam maar zeker uit George’s wereld. Dat gebeurde onder anderen met zijn Nederlandse vriend, de dichter Albert Verwey.

Stefan George, het gedenkboek ‘Maximin’

Het Georgiaanse opvoedingsmodel kreeg zijn vorm door wat in de Kreis de Maximin Erlebnis zou gaan heten: de oudere vriend moest het goddelijke in de jongere opwekken.

Wie niet in de goddelijkheid van de jongen geloofde verdween langzaam maar zeker uit George’s wereldEen van de eerste Frommel-vrienden was de twaalfjarige Joodse Billy Hildesheimer, de latere muziekleraar en componist die zijn naam na jaren in Duitse interneringskampen te hebben doorgebracht in William Hilsley zou veranderen. De eerdergenoemde Buri en Bock waren veertien toen Frommel ze ‘ontdekte’.

Terug ‘in de kast’

Toen ik het oude Castrum werd binnengeleid door mijn oudere Joegoslavische vriend en diéns oudere Zwitserse vriend, wist ik niets van dit alles. Ik was net geen tiener meer en had al een heel leven achter me. Ik was een wat vreemd, eenzaam moederskind uit een grote katholieke familie, dat tamelijk onbarmhartig gepest was door twee van zijn oudere broers. Ik werd aangetrokken door jongens en kon dat aanvankelijk niet laten blijken in de buitenwereld. Homoseksualiteit zoals ik die in mijn eerste studiejaren had beleefd, had me niet gegeven wat ik ervan had gehoopt, namelijk liefde. Mijn familie was uit zicht verdwenen en mijn oudste vriend, uit  mijn middelbare schooltijd, had ik van me vervreemd. Castrum en Frommel en diens wereld leken vrij van de voor mij toen bedreigende kanten van gay life in de jaren zeventig. Het ging er om vriendschap, die in de eerste plaats ‘literair’ was. Ik ging in zekere zin terug ‘in de kast’.

Frommel, toen in de zeventig, was een indrukwekkende, erudiete en geestige man, een meeslepend verteller en een amusante roddelaar. Ik raakte snel in zijn ban, zo zeer zelfs dat ik de hoogst onaangename, al te erotische afscheidskussen met valse tanden en met oudemannen-erecties tegen mijn been voor lief nam.

Stefan George. Foto: Jakob Hilsdorf

Er opende zich een geheime wereld voor me van Duitse en Nederlandse mannen en jonge mannen met klimopkransen op hun hoofd die bijeenkwamen op kaarsverlichte, rituele feesten waar gedichten van George hardop en monotoon werden voorgelezen en waar gegeten en tot diep in de nacht gedronken werd. Er passeerde trouwens niks seksueels op die feesten en er waren geen twaalf-, dertien- of veertienjarigen aanwezig. Een van de deelnemers was misschien ‘te jong’, maar dat was de zoon van een van de vrienden, zodat ik niet aan seks dacht tussen hem en zijn oudere vriend die ook aanwezig was. Ik herinner me een andere jonge Nederlandse jongen, waarover achter de schermen enig gedoe was, en die uit zicht verdween, omdat ‘zijn ouders bezwaren hadden gehad’. Toen had ik misschien beter kunnen weten.

Het idee dat er misschien ooit pedoseksuele contacten hadden plaatsgevonden tussen Frommel en die mannen was moeilijk voor te stellenDe eerdergenoemde drie vrienden van Frommel waren inmiddels oude mannen. Hilsley was een broodmagere, wat spookachtige muziekleraar op de International School Beverweerd en woonde in een toren van het kasteeltje. Buri was een hippieachtige tekenleraar en had een school voor amateurkunstenaars in Amsterdam-Oost. Bock was een zwaarlijvige hoogleraar Germanistiek in Londen. Het idee dat er misschien ooit pedoseksuele contacten hadden plaatsgevonden tussen Frommel en die mannen was moeilijk voor te stellen, en die gedachte had ik dan ook niet.

Intense kussen

De ‘officiële’ George-leer, zo die al bestond, hield overigens niet in dat seksueel contact  tussen de jongere en de oudere vriend noodzakelijk of gewenst was. In George’s poëzie zijn er intense kussen en innige omarmingen tussen mannen en jongens te vinden, maar van seks is aan de oppervlakte van de tekst geen sprake. Woorden als homoseksualiteit of pedofilie vind je niet, niet bij George en niet bij Frommel. Platonische liefde was niets anders dan platonische liefde. Het magische woord dat in Duitsland gebruikt werd in de context van deze persoonlijke meester-leerling of oudere-jongere verhouding was pädagogischer Eros. Dat klonk edel en erudiet.

In de kring van Frommel waren de meeste mannen heteroseksueel. In hun jonge jaren waren zij door Frommel, of door vrienden van Frommel, of door vrienden van vrienden van Frommel ‘ontdekt’, vervolgens erotisch opgevoed – of zouden wij nu zeggen gegroomd – met Der Stern des Bundes en tenslotte geïnitieerd. Wat die initiatie inhield hing van de seksuele geaardheid of seksuele voorkeur van de oudere vriend af. Het kon bij een kus blijven. Frommel pousseerde de seksuele variant en had die – voor zover dat is na te gaan – ook steeds zelf gepraktiseerd.  Frommel – blijkt uit verschillende bronnen – pousseerde trouwens elke vorm van seksualiteit: met de meeste mensen in zijn directe omgeving – mannen en vrouwen van elke leeftijd – had hij wel verhoudingen gehad of had er tenminste gevraagd of ongevraagd mee geslapen.

Wat die initiatie inhield hing van de seksuele geaardheid of seksuele voorkeur van de oudere vriend af. Het kon bij een kus blijven. Frommel pousseerde de seksuele variantIk was homoseksueel dus betekende de seksualiteit van de initiatie door mijn vriend niet zo veel: ik ging naar bed met iemand op wie ik verliefd was. Ingewikkelder was de seks met de vriend van de vriend, die meer uit ideologische overwegingen plaatsvond en dus niet zo vrijwillig was. Voor velen die niet homoseksueel of die erg jong waren, was de eventuele seksuele initiatie een verkrachting. Die gebeurtenis en de soms daarop volgende seksuele relatie waren traumatisch, zeker ook omdat ze omgeven waren met geheimzinnigheid naar de buitenwereld toe en ze tegelijkertijd normaal werden gevonden in de kring zelf. Dat trauma leidde bij sommigen tot afwending van de groep of tot een halfslachtige, gefrustreerde aanwezigheid in de groep.

Bij anderen leidde het tot eeuwige trouw, die misschien past binnen het concept van het Stockholm Syndroom, een pathologie waarin het machteloze slachtoffer zich aan de dader bindt. Bock (overleden in 2008), die een eerbiedig boek schreef over zijn leven met Frommel leek mij eraan te lijden: hij bevond zich tijdens de onderduik jarenlang dag en nacht in een paar kleine ruimtes met Frommel.[1] Hij had geen mogelijkheid te vluchten of zich te verzetten. Of Buri (overleden in 1999), wiens tekenklassen ik een paar jaar volgde, eraan leed, weet ik niet. Hij was vierentwintig toen hij moest onderduiken; Bock was zeventien. Buri was voor mij een raadselachtige figuur die zich niet liet kennen: er scheen mij echter een op Frommel gerichte stille woede in hem te broeien. In zijn pijnlijk opgesmukte herinneringen aan hem schrijft Buri veelbetekenend dat voor Frommel de oorlogssituatie ook na de bevrijding ‘had kunnen blijven zoals die was.’ [2]

Een veelpleger

Meer vrienden van het eerste uur waren slachtoffer van Frommel. Een van de mensen die ik graag mocht en waar ik vaak mee optrok, was een oudere, kwetsbare gemeenteambtenaar, die vertaalde en dichtte. Ik zag hoe hij zijn hele leven leed onder de druk van zijn ervaringen in de kring. Hij kwam er nooit onderuit of vanaf. Zijn vrouw, die als de meeste echtgenotes van vrienden door de kring niet serieus werd genomen, en zijn kinderen, leden ongevraagd met hem mee.

Een speciaal geval was Frommels vriend William Hilsley. Ik ben geen psycholoog maar bij hem leek het erop dat hij zijn traumatische ervaringen bij anderen herhaalde. Hilsley was een veelpleger: hij had als leraar op kostscholen gemakkelijk toegang tot jongens en had veel jongere vrienden geworven die in de Frommel kring werden opgenomen. Daarnaast had hij ook pedofiele contacten en verhoudingen daarbuiten.

Hij liet de ruimte zien boven zijn woonkamer, waar hij met jongere vrienden gedichten las. Ik voelde aan dat dat niet het enige was dat er gebeurdeIk voelde me ongemakkelijk in het gezelschap van Billy, zoals hij genoemd werd. Zijn blik was zijn oordeel, en ik voldeed niet. Ook de vrienden die hij om zich heen had verzameld, de Billies, zoals ik ze noemde, bevielen me zelden. Ik herinner me een bezoek in een groter gezelschap aan zijn torentje. Hij liet de ruimte zien boven zijn woonkamer, waar hij met jongere vrienden gedichten las. Ik voelde aan dat dat niet het enige was dat er gebeurde, maar liet dat niet echt tot me doordringen.

De jongen die door zijn ouders uit de kring werd gehaald, kwam uit de wereld van Hilsley. Een ander slachtoffer uit zijn kring beschreef tegen mij het jarenlange seksuele misbruik als ‘oorlogservaringen’: ‘Zoals ik het ervaren heb, is jarenlang de onderste helft van mijn lichaam niet van mij geweest, in zekere zin geamputeerd, als een been dat er niet meer zit, maar waar je ook geen gevoel meer voor/in kunt hebben. Het functioneerde a.h.w. “autonoom”, buiten mezelf om, en zo heb ik kunnen overleven zonder gek te worden.’ Het kostte hem vele jaren therapie om ‘met zijn trauma te leren leven.’

Kostschool Eerde in Ommen

Hilsley, die ook na zijn dood in 2003 nog altijd een geweldige reputatie heeft als leraar op Beverweerd, had al eerder slachtoffers gemaakt tijdens zijn leraarschap op de kostschool Eerde in Ommen, waar hij vanaf 1935 lesgaf. Frommel was op uitnodiging van Hilsley een voortdurende aanwezigheid op Eerde. De school werd spoedig een ‘visvijver’ voor Frommels kring: de eerste generatie Frommelianen van tijdens en na de oorlog bestond voor het overgrote deel uit scholieren en oud-scholieren van Eerde.

Ik had contact met twee van de Eerdense slachtoffers, die beiden niet terug willen keren naar die tijd en er niet meer over willen spreken. Een van hen is nu diep in de tachtig. Een ander slachtoffer is inmiddels overleden en heeft volgens zijn familie van deze ‘pedagogische opvoeding’ levenslang negatieve gevolgen ondervonden. Weer een ander slachtoffer heeft op latere leeftijd zelfmoord gepleegd met het pistool van zijn oudere vriend.

Een ander slachtoffer is inmiddels overleden en heeft volgens zijn familie van deze ‘pedagogische opvoeding’ levenslang negatieve gevolgen ondervonden.Hilsley, die volgens een bron net als zijn oudere vriend Wolfgang Frommel een geweldige libido had, had echter niet steeds een Georgiaanse onderbouwing nodig voor zijn misbruik. In een webgastenboek voor een reünie van oud-leerlingen van Beverweerd in 2015 vond ik de volgende bijdrage van een van zijn slachtoffers uit de vroege jaren tachtig: ‘Het seksueel misbruik (wat 2 jaar lang gebeurde) door William Hilsley (70 jaar toendertijd) en [F.] (huisvader van het B-huis), heeft mij toen ik als 11 jarig kind op Beverweerd zat geen goed gedaan. De meeste leerlingen zagen Hilsley onder aan de trap staan na het eten om mij met zijn vingertje naar de torenkamer te dirigeren. Ian G. [een andere leraar] heeft mij nooit aangeraakt, maar wel andere kinderen.’

Een andere oud-leerling reageert daar als volgt op: ‘M. [weer een ander slachtoffer] was leerling in mijn groep toen ik op Beverweerd zat en altijd bij Hilsley in het Torentje. F. was toen huisvader van het B huis, sloot je op in de “kofferkamer” om ’s nachts langs te komen… Bij mij zonder succes evenwel. Hielp ook altijd vriendelijk bij het douchen. Als je dan uit de school wilde klappen werd je van school geschopt (omdat je homofiel was volgens hen nota bene). Beverweerd had zeker zijn zwarte kanten.’

F. en Ian G. – ik initialiseerde hun namen – zijn de andere leraren die genoemd worden in deze twee bijdragen. Ik heb ze kunnen identificeren. De eerste, die later directeur van de school werd, kreeg na zijn pensionering een lintje voor zijn verdiensten. De tweede – ook uit de Frommel-kring – geeft nog altijd les op internationale kostscholen. [3]

Een monsterlijke planeet

De oorsprong van al deze verhalen ligt uiteindelijk bij Wolfgang Frommel. Hij is nu al lang dood. Ik was een van de dragers van zijn kist bij zijn begrafenis op het kerkhofje in Spaarnwoude in 1986 op een koude zwaarbewolkte decemberdag. Frommel had een schijnbaar mooie wereld gecreëerd, die misschien ooit oprechte idealen had vertegenwoordigd, maar die uiteindelijk voor velen een monsterlijke planeet bleek, waarin seksueel verkeer met of misbruik van jongens en mannen het achterliggende doel leek te zijn geworden.

Frommel had een schijnbaar mooie wereld gecreëerd, die misschien ooit oprechte idealen had vertegenwoordigd, maar die uiteindelijk voor velen een monsterlijke planeet bleekJoke Haverkorn van Rijsewijk, die Frommel als minnares, als vriendin, als reisgenote en als echtgenote van Frommels neef van zeer dichtbij heeft leren kennen, geeft een scherpe karakteristiek van hem in Entfernte Erinnnerungen an W., haar in 2013 verschenen herinneringsboek: ‘Zijn eeuwige zoektocht naar nieuwe jonge mensen voor zijn kring hield hem gaande. Het ging hem daarbij niet alleen om leden voor een door zijn Meister gedroomde staat te vinden, maar ook om nog iets anders. Ook wanneer hij met de woorden van de dichter zijn bedoelingen probeerde te verhullen, zijn onverzadigbare erotische verlangen naar een naaste, naar een ‘Du’ was niet te verbergen.’ [Vertaling van mij, FL]

In haar boek beschrijft ze de on-Georgiaanse lotgevallen met een vermoedelijk twaalfjarige Berberse herdersjongen, Achmed, op wie Frommel in Marokko verliefd werd. Hij werd naar Nederland gehaald en viel vanzelfsprekend niet tot Grieks-Duitse goddelijkheid op te voeden. Het werd een gênante vertoning toen een andere minnaar van Achmed, een heer uit Engeland, zich aandiende. De jongen werd tenslotte terug naar Marokko gebracht.

Twee voorbeelden

Hoe schadelijk Frommels ideologie en gedrag waren voor menigeen uit zijn kring laten de volgende twee voorbeelden zien.

De vader van Alexander Drescher geloofde heilig in de pädagogische Eros.  Alexander werd in 1970 rond zijn dertiende anderhalf jaar lang misbruikt door George-bewonderaar Wolfgang Held. Hij was muziekleraar aan de Odenwaldschule, een kostschool ten zuiden van Frankfurt, die verantwoordelijk bleek voor zo’n dertig andere slachtoffers. Alexanders ouders gingen vriendschappelijk  met Held om. De vader bezag de relatie zelfs met welgevallen omdat hij zelf een Georgianer was: ‘Hij zag zijn George-idee bevestigd en zijn zoon eindelijk als op de juiste plek beland,’ volgens Alexander. De moeder wist beter, maar zweeg. Veertig jaar later dwong Alexander zijn moeder – zijn vader was inmiddels gestorven – een excuusbrief te schrijven. Die brief bracht hij in de openbaarheid; hij verscheen op 15 april 2010 in Die Zeit. Alexanders vader was Paul Otto Drescher. Hij was een van de oudste vrienden van Wolfgang Frommel en behoorde tot diens kring. Het bericht drong niet door in Nederland.

Het tweede voorbeeld komt van een andere voormalige bewoner van Frommels planeet. Hij liet me weten dat hij zijn verwerking, of beter zijn niet-verwerking van zijn misbruik vergeleek: ‘mit dem, wie ehemalige deutsche Wehrmachtsoldaten nach dem Krieg ihr Trauma verarbeitet haben: Der Krieg war Scheisse, und Hitler war ein Verbrecher, aber warum sollen wir uns für den Rest unseres Lebens mit der Frage herumschlagen, warum wir uns so viele Jahre haben verführen lassen? Das macht keinen wieder lebendig.’

Mijn losmakingsproces

Ik werd in 1982 gelukkig verliefd op een man die me losweekte van de Frommelkring. Ik moest eerst van dichtbij meemaken wat anderen eerder was overkomen en zien wat ik voordien niet zag, voor ik me kon overgeven aan wat nu al meer dan drieëndertig jaar de liefde van mijn leven is. De traumatiserende betasting van een jongetje. Een criminele, onbestrafte poging tot rekrutering van degene die mij het dierbaarst is. Een verkrachting.

De ellendige loyaliteit die ik als sektelid had ontwikkeld, eerst aan mijn oudere vrienden en daarna aan Frommel en zijn kring, ging ten koste van de loyaliteit aan mijn man en dat maakte mijn losmakingproces een langdurige en pijnlijke geschiedenis, die ons leven samen onder voortdurende hoogspanning zette. Die ellendige loyaliteit maakte me ziende blind: ik zag heel lang niet wat mijn man was overkomen. Ik vraag me soms angstig af of volledig ‘genezen’ van een sekte mogelijk is. [4]

Die ellendige loyaliteit maakte me ziende blind: ik zag heel lang niet wat mijn man was overkomen.Ik heb me verzet tegen de gedachte dat we slachtoffers zijn van de Frommelsekte. Dat verzet heb ik opgegeven. We zijn het.

Het heeft ook lang geduurd voordat ik enigszins begreep wat er eigenlijk met mij gebeurd was. In plaats van vriendschap of liefde te ontvangen die gebaseerd was op wie ik was, werd ik ‘opgevoed’ om te worden wie ik niet was. Stapje voor stapje werd genormaliseerd wat mij vreemd was. Gedicht na gedicht werd me een wereld voorgetoverd die hoger en nobeler zou zijn dan die van de anderen, van de niet-verlichten. Ik was een van de uitverkorenen. De afstand tussen mij en mijn oude omgeving werd groter en groter, totdat er alleen nog de sekte overbleef. Mijn contacten met de buitenwereld, eerst op de universiteit en later in mijn werk, werden perifeer en moesten dat ook zijn. Ik functioneerde trouwens goed in de buitenwereld; ik denk dat niet veel van mijn studiegenoten, mijn ‘gewone’ vrienden en later mijn collega’s merkten dat ik een masker droeg. Ik was trots op dat masker, op mijn antimaatschappelijkheid achter mijn maatschappelijke succes. Niemand kende me echt. Niemand wist van de hogere erotiek die mij dreef, van de seksualiteit die niet gewoon seks was, maar een rite de passage naar Plato’s Idee.

Niemand kende me echt. Niemand wist van de hogere erotiek die mij dreef, van de seksualiteit die niet gewoon seks wasMisschien is de beste vergelijking van wat er met me gebeurde die met de historische praktijk van de Chinese voetinbinding. Het schoonheidsideaal vereiste kleine voetjes, hoe kleiner hoe mooier. Het rigoureuze en vreeslijk pijnlijke omzwachtelen wist groei te beperken en ook de gewenste misgroei te sturen: een gouden lotusvoetje was het kleinst en het mooist, daarna volgden zilveren en ijzeren voetjes.  De misgroei kan nooit ongedaan gemaakt worden. En het wegnemen van de omzwachteling – zoals tijdens de Culturele Revolutie werd vereist – leidde opnieuw tot ondragelijke pijn.

De erotische opvoeding die het uitgangspunt van alles was, heeft me, net als mijn lotgenoten, veel kwaad gedaan. Ik ben me al dertig jaar moeizaam aan het ontdoen van wat me in iets meer dan tien jaar is overkomen. Dat is twee derde van mijn leven. En dat van mijn man.

Ik ben me al dertig jaar moeizaam aan het ontdoen van wat me in iets meer dan tien jaar is overkomen.Maar ook in het algemeen heeft de pedagogische eros van Frommel – net als die van George trouwens – weinig blijvends teweeggebracht. In mijn generatie zijn het alleen degenen die zich afgekeerd hebben van de kring, die succes hebben, een succes dat ze zonder Frommel op eigen kracht ook wel hadden bereikt. Ten slotte: de pedagogische eros heeft Frommel ook niks opgeleverd. Zijn werk is verdwenen, zijn reputatie is verkruimeld, zijn vriendenkring is uiteengevallen in steeds minder vurig strijdende facties en zijn Castrum is Gisèles Castrum geworden.

Schuldgevoel en gevoel van medeplichtigheid

Als ik soms met veel moeite, na een eeuwigheid van zwijgen, vertel wat ons is overkomen, hoor ik soms goedbedoelend dat ‘je er toch ook iets positiefs aan over hebt gehouden’. Ja zeker, ik spreek en lees voor een gemiddelde Nederlander geweldig goed Duits, ik ken het werk van Stefan George, ik heb de verzamelde werken van Goethe angelesen in de kast staan, ik ontdekte de gedichten van Hölderlin, en, het belangrijkst: ik heb drie Duitse vrienden gemaakt.

Wat ik echt aan die tien jaar heb overgehouden is schuldgevoel en een gevoel van medeplichtigheid. Allereerst ten opzichte van mijn man, die ik probeerde deze perverse wereld in te slepen en die mij er goddank uitsleepte. Maar ook in minder persoonlijke zin. Ik had kunnen zien wat er echt op de Frommel-planeet plaatsvond. Ik had ‘ideologisch’ misbruik en ordinair misbruik kunnen voorkomen. Erger nog, door mijn aanwezigheid legitimeerde ik dat criminele gedrag. Ik denk vaak naar aanleiding van die legitimatie aan Gisèle, de schutspatrones van de huidige Castrum playground. Wist zij dat zij, een upperclass, welgestelde katholieke vrouw die op een dag zelfs met de voormalige burgemeester van Amsterdam Arnold D’Ailly trouwde, ruimte bood niet aan een mooie wereld, maar aan een duistere planeet, geregeerd door een Meester-oplichter? Ik hoop het niet, ik denk het niet. Meesteroplichters zijn meesters omdat je niet kan geloven dat ze oplichters zijn.

Natuurlijk zou ik nu graag schrijven dat ik een verterende woede in mijn ziel voel branden om wat ons en al die anderen is aangedaan. Dat kan ik helaas niet. Ik kijk koud naar ons verleden. Dat is niet omdat ik die woede niet wil voelen, maar omdat ik hem niet kan voelen. En ik zie niet uit naar de dag dat ik dat wel geleerd zal hebben.

Er zijn nog altijd mannen die in George en Frommel, in de pedagogische eros en in de opvoeding van de knaap door de oudere man tot het hogere geloven. Zij komen, hoor ik, nog steeds bijeen. Dat zijn de gelovigen. Dan zijn er mannen die het prettig vinden deel uit te maken van een mannenclub. Dat zijn de gebruikers. Er waren mannen als Hilsley en Frommel die van de kring gebruik maakten om jongens te misbruiken. Ik weet niet of er nu nog misbruikers actief zijn. Hoe het ook zij, de vraag rijst of de gelovigen en de gebruikers begrijpen of hebben begrepen dat ze dat misbruik mogelijk hebben gemaakt en dat ze voor het gedrag van de misbruikers mede verantwoordelijk zijn.

In de eerste plaats dank ik Nanne Dekking, mijn man, voor zijn liefderijke geduld en zijn hulp bij het uitdenken van dit stuk en het vinden van de juiste formuleringen. Ik dank verder Joke Haverkorn van Rijsewijk, die met haar boek Entfernte Erinnerungen an W. (2013) de weg heeft bereid voor de ontmythologisering van Wolfgang Frommel en zijn kring. En ik dank Thomas Karlauf evenzeer, die hetzelfde deed met George en zijn kring in zijn biografie Stefan George. Die Entdeckung des Charisma (2007). Naast hen bedank ik Christiane Kuby, Annet Mooij (die aan een in 2018 verschijnende biografie van Gisèle van Waterschoot van der Gracht werkt), Maarten Asscher, mr. G.J.T.M. van den Bergh, advocaat, Constantijn Tilanus, en mijn broer Pim Ligtvoet voor hun hulp bij het schrijven en publiceren van dit stuk.

Frank Ligtvoet (1954) studeerde Nederlands in Amsterdam en had verschillende functies in de literaire wereld. In 1996 verhuisde hij voor werk naar New York, waar hij nu met zijn man en twee kinderen woont. Hij publiceert zo af en toe in Amerikaanse media over adoptie, onderwijs en culturele diversiteit. Hij werkt aan een boek over zijn ervaringen in de Frommelkring. Hij is bereikbaar via email: ContactFLCP@gmail.com.

Noten

[1] Claus Victor Bock, Untergetaucht unter Freunden. Ein Bericht,Amsterdam 1942-1945, Amsterdam, 1985.

[2] Friedrich W. Buri, Ich gab dir die Fackel Im Sprunge. W.F. Ein Erinnerungsbericht, Berlin, 2009, p.177.

[3] Beverweerd verdient serieus nader onderzoek naar deze permissieve pedo-cultuur, want er zijn meer leraren die kinderen misbruikten. Een van de oud leerlingen, die tussen 1962 en 1967 op school zat, vertelde me niet alleen een akelig verhaal over Hilsley, maar ook over een gym- en wiskunde leraar, een zekere D.: ‘D. liet op een dag de leerlingen aan het begin van de les rondjes lopen in de gymzaal en was met een leerling in de materiaalruimte. Het duurde en duurde en wij jongens bleven lopen. Ik ging op onderzoek uit en zag de leraar met zijn broek naar beneden en “een stijve lul” met het jongetje. Toen ik werd opgemerkt zei D.: “Ga weg, ga weg.” Het jongetje kwam even later met een rooie kop uit de materiaalkamer, daarna volgde D.’ De school moet van  het misbruik geweten hebben, want D. gaf later alleen nog wiskunde.

[4] In Elisabeth Lockhorns biografie Andres Burnier (2015), over de schrijfster die in de jaren vijftig bij Castrum Peregrini betrokken was en de sleutelroman Een tevreden lach over die periode schreef, komen de ernstige moeilijkheden bij de losmaking van de sekte van andere ex-leden ook aan de orde, p. 155-156.

Reacties

De huidige directie van de stichting Castrum Peregrini reageerde gisteren twee keer openbaar op mijn die morgen in VN gepubliceerde stuk, een essay  dat misbruik over een lange periode rond Frommel en zijn Castrum Peregrini kring beschrijft. Op hun Facebook-pagina verscheen snel, drie uur na publicatie de volgende mededeling: 

Wij, de huidige organisatie Castrum Peregrini, wisten van Frank Ligtvoet dat hij een stuk wilde publiceren over vroegere betrokkenen en bewoners van Castrum Peregrini. In Vrij Nederland lezen wij vandaag voor het eerst van deze moedige openbaarmaking van fysiek en geestelijk misbruik in groepsverband.
Waar mogelijk willen wij Frank Ligtvoet en eventuele andere betrokkenen steun bieden en meewerken aan verder onderzoek en openbaarheid van dit verleden van Castrum Peregrini. – 
Michael, Lars en Frans.’ 

Dat klinkt natuurlijk aardig en serieus. En het is altijd prettig om moedig genoemd te worden. Jammer was alleen dat ze de steun die ze mij en anderen aanboden – ‘betrokkenen’ noemden ze die, niet slachtoffers – niet persoonlijk hadden aangeboden. Ik las er alleen over.

De tweede reactie verscheen gisterenavond op Castrums website. Het is een stuk in het Engels met de titel Vergangenheitsbewältugung, dat ingaat op de problematische Georgiaanse en Frommeliaanse erfenis die het huidige Castrum moet beheren. Het stuk verwijst alleen terzijde naar de VN-publicatie, linkt die niet en gaat niet in op seksueel misbruik.

Het Castrum-stuk gaat niet in op seksueel misbruik, herhaal ik nog maar eens, en mij en andere betrokkenen werd in het echte leven nog steeds geen steun aangeboden.

Het lijkt me dat de directie van Castrum nu voldoende tijd besteed heeft aan Vergangenheitsbewältugung, dat is aan het redden van hun gezicht in de buitenwereld, en dat ze nu het beest recht in de ogen zouden moeten kijken. Het zou fijn zijn wanneer ze duidelijk zouden maken op welke wijze ze steun willen bieden aan de ‘betrokkenen’ en hoe ze het onderzoek naar dit criminele verleden willen inrichten. En ja, het zou fijn zijn ook iets persoonlijk van de directie te horen. – Frank Ligtvoet

Vernieuwend, verdiepend, vooruitstrevend: dat is Vrij Nederland. Maar goede journalistiek kost tijd en aandacht. Om de verhalen te kunnen maken die jij graag leest, vragen we je abonnee te worden.
Word abonnee vanaf € 4,99 Sluit je aan
X
Het zijn tijden voor Vrij Nederland
Het zijn tijden voor VN
Goede journalistiek kost tijd en aandacht. Om de verhalen te kunnen maken die jij graag leest, vragen we je abonnee te worden. Sluit je nu aan.
Goede journalistiek kost tijd en aandacht. Om de verhalen te kunnen maken die jij graag leest, vragen we je abonnee te worden. Sluit je nu aan.
Het platform voor progressief Nederland
Voor cultuurliefhebbers en kritische volgers van de actualiteit
Onafhankelijke journalistiek: van maandblad tot video, van podcast tot blog
Met diepgravende interviews, prikkelende columns en onthullende reportages
En: jaarlijks vier thema-specials

Advertentie

Advertentie