Liever luisteren? Jonah leest zijn reportage zelf voor.

Immerloo is de armste wijk van Arnhem. In zes flats wonen zo’n zevenhonderd gezinnen. Ze staan mooi in het groen aan de rand van de stad, maar vlak achter de bomen ligt een snelweg. Driekwart van de bewoners is immigrant in de bijstand, de helft heeft schulden. Met maatschappelijk werker Hans van Heijningen van welzijnsorganisatie Achter de voordeur loop ik richting de flats. Het geluid van de snelweg is niet te negeren, en dan beginnen er ook nog honden te huilen. ‘Misschien zijn het wolven,’ zegt Hans grijnzend.

We passeren een bankje met een puisterig meisje en een slungelige jongen die aan het eind van deze ochtend een fles rosé delen. Verderop, in het groen, loopt een man in zichzelf te schreeuwen. Op het plein voor een flat speelt een jongen met een basketbal en verjaagt een ander kind met een stok de vogels in een boom. Verder zie je niemand.

‘Men leeft hier vooral binnen, want buiten kost alles geld,’ zegt Hans. ‘Ik kom soms ook moeilijk binnen. Dat zijn deels cultuurgedragingen. Veel vrouwen mogen niet naar buiten, en als een vrouw mij binnenlaat, maakt iedereen haar daarna voor hoer uit. Mij zien ze vaak eerst als iemand van de overheid. In de landen waar ze vandaan komen, is de overheid vaak de grootste boef.’

Advertentie

Advertentie

Neerwaartse spiraal

Begin dit jaar verbleef ik voor Vrij Nederland vier dagen in een asielzoekerscentrum. Aan het slot van die reportage liep ik door een vinexwijk en ik vroeg me af: is dit voor hen de gedroomde toekomst, een vinexwijk?

In Immerloo is geen mens op straat en de meeste gordijnen zijn gesloten. Ik vertel Hans dat de mensen in het azc zo veel zin hadden om aan een nieuw leven te beginnen. Hij zegt: ‘Hier zijn ze die sprankeling een beetje kwijtgeraakt. Er is een missende link tussen VluchtelingenWerk Nederland en zorgen dat mensen onderdeel worden van de samenleving.’ Ter illustratie voegt hij toe: ‘Als we morgen een brief in de bus gooien dat we de flats over een week gaan slopen, krijgen we geen reactie. Je moet naar de mensen toe als je ze wilt bereiken.’

Hans legt uit dat de cruciale factor om te voorkomen dat iemand in armoede terecht komt niet de overheid, maar een sociaal netwerk is. ‘Het euvel is dat de mensen hier allemaal dezelfde problemen hebben, dus elkaar niet even kunnen helpen. Zo komen ze in een neerwaartse spiraal terecht.’

‘Ik kom van alles tegen. Schulden, armoede, wietplantages, vervuiling, psychoses, overlast en eenzaamheid’

Hans wordt als zzp’er ingehuurd door de woningcorporatie om handtekeningen op te halen voor het doorvoeren van de verduurzaming van de flats. Als 70 procent van de bewoners akkoord gaat, mag het verduurzamen beginnen. Zijn bijvangst lijkt essentiëler: hij belt aan en vraagt om een handtekening én biedt hulp, met wat dan ook, als daar behoefte aan is.

In Arnhem zijn tal van organisaties en instanties die hulp bieden en daar ook in slagen, maar Achter de voordeur wacht niet op hulpvragen en klopt niet pas aan als er een schuld is. ‘Mijn werk bestaat eruit te voorkomen dat je situaties als in de Parijse voorsteden krijgt. Het is signaleren en vervolgens aankaarten bij de juiste partijen en hopen dat ze daarop aanhaken. Ik kom van alles tegen. Schulden, armoede, gezondheidsproblemen, wietplantages, vervuiling, verwaarlozing, psychoses, overlast, taalbarrières en eenzaamheid.’

Alle organisaties zijn volgens Hans zo met hun eigen stukje hulpverlening bezig dat ze het geheel niet overzien. ‘Er moet een keten worden opgebouwd. Anders heeft het eigenlijk geen zin. Iemand heeft nooit één probleem.’ Toen de wijkteams (loketten waar mensen met vragen zich kunnen melden) een jaar of vijf geleden werden opgericht, is zijn soort werk – bemoeizorg − grotendeels verdwenen. Toen heeft hij Achter de voordeur opgericht.

(tekst loopt door onder afbeelding)Tweeluik van foto's van Arnhemse flat respectievelijk een vrouw met boodschappentassen

Alle kamers zijn leeg

We gaan een flat van dertien verdiepingen binnen. Als je nog niet depressief was, dan word je het hier wel. Het lijkt net een gevangenis. Alles is hufterproof: van glas, ijzer en beton. Het trappenhuis ruikt naar uitwerpselen. ‘Soms pissen ze van boven naar beneden of gebruiken honden het als toilet.’

Hans belt aan op de zevende verdieping. Een alleenstaande Turkse man van 69 jaar doet open. Alle kamers zijn leeg, hij slaapt op de grond en heeft slechts één stoel. Op de vloer geen tapijt, maar tientallen plastic deurmatten. ‘Hoe is het met u?’ ‘Gaat wel,’ zegt de man bedeesd. ‘Met jullie?’

Al maanden heeft hij geen huurtoeslag ontvangen. ‘Ik kan niet leven, ik heb geen geld.’ De man had een medehuurder en ontving daarom geen toeslag. ‘Die man is doorgedraaid.’ Hij wijst naar de lege kamer waar het gebeurde. Hans stelt voor om naar een sociaal raadslid te gaan en een bezwaarschift aan te vragen.

‘Gaan we samen?’

Hans knikt en vraagt of er nog andere problemen spelen. ‘Ik las dat u de woning ooit onder water hebt gezet.’
‘Ik had last van warmte uit de vloer. Lang geleden. Ik was agressief, te warm in mijn hoofd.’
‘Wilt u in contact komen met ouderenzorg?’
‘Nee, ik ben niet altijd agressief of nerveus. Ik ben normaal.’
‘Je bent volkomen normaal, ik kan gewoon met je praten.’
‘Over drie jaar heb ik mijn schulden afbetaald, dan is de corona over en komt de mooie tijd. Dan ga ik terug naar Turkije.’
Vorige week wilde deze man nog verhuizen binnen Arnhem. Hans vraagt of hij geholpen wil worden met zijn terugkeer naar Turkije. ‘Zodat je niet zo lang hoeft te wachten.’ De man knikt, maar lijkt niet te geloven dat het systeem buigzaam is. ‘Ik heb toch schulden?’
Ik vraag hoe lang hij al in Nederland is. ‘Op 12 februari 1977 kwam ik hier met mijn ouders. 43 jaar.’
‘Heeft u familie in Turkije?’
‘Klein beetje. Soms bel ik met mijn broer.’

Als we weer buiten staan, zegt Hans: ‘Die man heeft geen leven waarin hij zich thuis voelt. Misschien is hij verstoten door de gemeenschap. Elke keer hoor ik een stukje van zijn verhaal.’
‘Blijft zo’n man ongezien als jij er niet aanbelt?’ Hans knikt en belt alweer aan bij de volgende. Tegen een vrouw zegt hij dat ze naar de kledingbank kan voor een winterjas. ‘Ik ga met je mee. Vergeet je ID niet.’ Ze glimlacht haar gouden voortanden bloot en bedankt hem met een hand op haar borst.

In de tang

Hans pleit ervoor om de meeste schulden kwijt te schelden. ‘De overheid, energieleveranciers, zorgverzekeraars houden mensen voor jaren in de tang. Hoe kun je van 75 euro per week eten en kleren kopen én aflossen? En dan ook nog verwachten dat ze de wijk vooruit helpen? Iemand die tot zijn nek in de schulden zit, gaat echt geen buurtbarbecue organiseren.’

Hoewel vooruitgang niet makkelijk is, wordt Hans niet moedeloos. ‘Ik verwonder me elke keer over iemands situatie, in plaats van dat ik het kwalificeer.’ Hierin zit het succes van Achter de voordeur: 80 procent van de mensen gaat met ze in gesprek en aanvaardt hun hulp. Hans is ook geen bedreiging, maar een kalme rokende missionaris in een blauwe regenjas.

‘Soms voel ik me een roepende in de woestijn, want het hele systeem draait gewoon door.’

In Immerloo zie je de striae van de ‘vooruitgang’. De snelle groei veroorzaakt scheuren. De wereld is ingewikkelder en bureaucratischer geworden en niet iedereen kan mee. ‘Vroeger kwam vervuiling bijvoorbeeld minder voor. Vuilniszakken zette je aan de straat. Maar daar heb je nu allerlei systeempjes voor. Een afvalpas. Ze hebben geen pas, kunnen hem niet meer vinden of weten niet hoe ze hem moeten aanvragen dus flikkeren ze hun troep in de berm of van het balkon. Zo zijn er tal van dingen die nieuwe problemen creëren. Soms voel ik me een roepende in de woestijn, want het hele systeem draait gewoon door.’

De coronacrisis heeft hier zo goed als niets veranderd. Van de veertig mensen die Hans deze week bezocht, werken er drie. ‘Velen staan in een overlevingsmodus. Een alleenstaande moeder weet niet wanneer ze kán werken. Vandaag en morgen. Maar volgende week? Dat ziet ze dan wel weer. Je ziet dat ze zich in een heel klein wereldje terugtrekken. Deze mensen zijn meestal niet dom, lichamelijk of geestelijk mankeert er iets waardoor ze niet aan de bak komen. Maar iedereen kan wel wát.’

Hans hamert op meer bemoeizorg, kwijtscheldingen, betere communicatie, scholing en uiteindelijk werk. ‘Als wij drie mensen aan het werk krijgen in het jaar, hoeven die geen uitkering meer te ontvangen. Met dat geld kun je ons makkelijk betalen om de wijk in te gaan en problemen te voorkomen.’ Lees ook van Jonah Falke:De slag om Arnhem: hoe burgemeester Marcouch de stad voor zich probeert te winnen23 september 2019

Altijd koffie en soms koekjes

Na tal van pogingen de afgelopen maanden doet de man achter de volgende deur voor het eerst open. In zijn woonkamer staan een bankstel en een eettafel en ligt een bidmatje. Hij is begin zestig en kwam als kind met zijn ouders vanuit Marokko naar Nederland. ‘Toen was ik nog zonder zorgen. Een hele leuke tijd. Alleen maar spelen, drinken, friet eten, flipperen en films kijken. Ik heb productiewerk gedaan, maar wilde profvoetballer worden. Ik heb hoog gevoetbald. In 1973 zat ik in het C-team van NEC.’

De man spreekt een zorgvuldig Nederlands, op het bekakte af. Waar ging het mis? ‘Ik ben gescheiden en afgekeurd… Ik zal het maar zo zeggen: ik heb de problemen niet gezocht. Ieder mens ontmoet het lot. Dit is mijn leven. Allah zegt dat je zelf iets moet doen, niet afwachten. Maar soms word je gehinderd.’

We zijn nog geen kwartier binnen en hij stelt een vraag die zijn hele wezen in de waagschaal legt.

Vroeger had deze man een dressoir, een eethoek en een salontafel, maar hij heeft alles uit het raam gegooid. ‘Het was tijd voor verandering,’ zegt hij guitig. ‘Dat dressoir beviel niet. Ik had alles gekregen. Ik ben oud genoeg om het zelf te kopen, maar dat lukt voorlopig nog niet.’ Of zijn levensgeluk afhangt van een nieuwe salontafel valt te bezien, maar het is allicht een begin. De man vindt zichzelf geen klikker of klager, maar als de bovenburen praten, lijkt het alsof ze in zijn kamer zitten. ‘Daar barst mijn hoofd van. Overdag vlucht ik naar buiten. Het lijkt soms alsof je wordt weggepest. Ik neem medicijnen van de psychiater. Ik heb geen diagnose, alles is ontstaan door stress.’

‘Ben je weleens opgenomen geweest?’
‘Ja. Ik zou u willen vragen: hoe kom ik over? Ben ik normaal? Reëel?’

We zijn nog geen kwartier binnen en hij stelt een vraag die zijn hele wezen in de waagschaal legt. Hoopvol kijkt hij naar Hans en die zegt: ‘Ja, zeker.’ Opgelucht begint de man een dun shagje te draaien.

Er zal snel werk gemaakt moeten worden van zijn huur- en zorgachterstand om dakloosheid te voorkomen. Maar dan blijkt er ook nog een schuld bij een energiemaatschappij te zijn. ‘Het klikte niet tussen mij en Budget Energie, laat ik maar zeggen,’ lacht de man.

‘Goed dat je het even meldt,’ zegt Hans.
‘Ik kom van goeden huize. Mag ik u alstublieft om een kleine bijdrage vragen? Nee, ik ben te trots om op straat te leven.’
‘Voelt u zich eenzaam?’ vraag ik.
‘Je wordt gedwongen om eenzaam te leven, jongen. Je kunt haast niemand meer vertrouwen. Je gaat ook aan jezelf twijfelen. Ik ben niet paranoïde, maar ik weet niet wat waar is. Ook met die overlast. Ik ben toch niet gek? Ik gebruik mijn medicijnen, maar die bovenburen vallen mij lastig. Waarom? Overal heb je goede en slechte mensen, snap je? Hopelijk ben ik goed.’
‘Dat ben je,’ zegt Hans. ‘Maar je maakt ook de indruk dat je er alleen voorstaat.’
‘Ik heb niks nodig. Allah helpt iedereen.’
‘Je hebt ook hulp op aarde nodig.’
‘Jullie zijn altijd van harte welkom. Ik heb altijd koffie en soms koekjes.’

‘Mondige mensen weten de weg naar hulp te vinden, maar dat is slechts het topje’

Tot slot laat hij de kinderkamer voor zijn zoontje zien. Het ziet er niet uit alsof er wel eens een kind logeert. Zijn koelkast is bijna leeg, maar naar de voedselbank wil hij niet. Koken komt er niet meer van, want met het meubilair heeft hij alle pannen weggegooid. Hij pakt een fles multivitaminensap en staat erop dat we wat nemen. ‘Ik ben niet gierig. Half glaasje? Ik rook toch meer dan ik drink en eet.’ Hij kijkt tevreden toe als we wat drinken en zegt: ‘Met één ding ben ik blij, Hans: dat ik mezelf niets heb aangedaan. Materiële dingen kun je vervangen.’

(tekst loopt door onder afbeelding)Tweeluik van foto's van een kaalgesnoeide boom bij een flat respectievelijk een voorbijganger in trainingsbroek en slippers

Gedumpte dingen

De voordeur slaat achter ons dicht en Hans zegt: ‘Zo’n leeg huis tref je vaak aan bij mensen die stilvallen. Er is een acceptatie van hun situatie. Hij zegt niks nodig te hebben, al denk ik: je hebt álles nodig. Hij had niet eens een deken. Of slaapt hij in dat kinderbedje? Ik moet mezelf bedwingen, anders raak ik hem kwijt. Hij moet het gevoel hebben dat ik oké ben. Eerst de schulden en dan de rest. Zolang de deur maar opengaat, gebeurt er altijd wel iets.’

We roken een sigaret op de balustrade. Op nieuwjaarsnacht vloog hier een gedumpt bankstel in een portiek in brand en kwam een gezin vast te zitten in de lift. Vader en zoon overleden. Hans wijst op de flat waar het gebeurde. Het is september en men is nog steeds bezig met het renoveren van de lift. ‘Wij hebben ze nog aangesproken om die bank weg te halen. Zoiets kan hier elke dag gebeuren. Er liggen altijd gedumpte dingen rondom de panden, maar vandaag is het eigenlijk wel netjes.’

Dan valt hij even stil en zegt: ‘Mondige mensen weten de weg naar hulp te vinden, maar dat is slechts het topje. Ik doe dit werk al vijftien jaar en dit soort situaties verwacht ik in de toekomst alleen maar meer, omdat niks erop wijst dat het makkelijker wordt voor mensen.’

Hij zegt het veelzeggend gelaten. Het is de ervaring van een hulpverlener die weet dat hij niet de hele wereld kan redden, maar ook beseft dat je de toekomst niet moet uitstellen en een paar mensen de ondergang kunt besparen. Dan drukt Hans zijn sigaret uit, glimlacht en belt aan bij de volgende.

Nieuwe armen

Vanuit buurthuis De Hobbit kun je de flats in de verte zien. ‘Op plekken als deze liggen in potentie de kansen voor mensen die zonder meubilair “op beton leven”: om ergens op aan te haken, om een eerste stap te zetten naar een ander leven, een netwerk, werk, enzovoorts,’ zegt Hanspaul Maarseveen, die werkt bij een maatschappelijke organisatie op het gebied van welzijn en hulpverlening. Alles begint in de wijk, de stap naar buiten is groot. Er wonen hier gezinnen waarvan de kinderen nog nooit de brug over zijn geweest naar het centrum in Arnhem, slechts een paar honderd meter verderop.

‘Ik ken werkende ouders die hun kinderen zonder ontbijt naar school moeten laten gaan’

De vloer van het buurthuis trilt van de bejaardengym in een andere ruimte. Er klinkt dof gestommel en soms geschreeuw. Deze les wordt gerund door een hippe sportschool uit de stad. Hanspaul zegt: ‘Die sportschool heeft daar zo’n grote glazen wand. Maar als je je in armoede bevindt, ga je zo’n sportschool in het centrum echt niet binnen, ook niet met korting. De stap om tussen “de gewone mensen” te gaan staan is enorm. Ik vind het heel goed dat ze hier les komen geven, in De Hobbit, waar het niet zo gelikt is, en je uit plastic bekertjes drinkt.’
Maar dit pand zal gesloopt worden en er zal vlekkeloze nieuwbouw verrijzen. ‘We moeten extra ons best doen om in een nieuw wijkcentrum ook de reuring van het oude wijkgebouw te realiseren.’

Hanspaul heeft dubbele gevoelens: afscheid nemen van iets ouds en karakteristieks en het weer opbouwen van de sfeer is een uitdaging. Het klinkt als de goedbedoelde vooruitgang van de overheid die niet altijd correspondeert met de praktijk: striae. ‘We zullen ons best doen om het credo van De Hobbit ook in het nieuwe pand te bereiken,’ zegt Hanspaul: ‘mensen op een zo laagdrempelig mogelijke manier mee laten doen met de wereld. Natuurlijk zou je met meer professionals de wijk in willen gaan om mensen uit de flats op sleeptouw te nemen en hen te laten deelnemen aan activiteiten. Maar we zijn blij met de ondersteuning van vrijwilligers die de wijk in gaan. Het blijft zoeken naar een goede balans tussen wat kan en wat nodig is.’

Agogisch medewerkster Bircan Yildrim is bij ons komen zitten en zegt: ‘Je hebt een basis nodig waar professionals blijvend zijn. Niet van buitenaf organisaties inhuren die na een jaar weer vertrekken. Want zo ga je problemen niet oplossen. Via via komen de mensen hier, ze moeten je kennen en vertrouwen. Mensen denken vaak dat ze de enige zijn die in armoede leven, in álle culturen is armoede taboe.’

De nieuwe armen zijn hoogopgeleiden en zzp’ers. Die schamen zich nog meer.

Bircan betwijfelt of werk dé oplossing biedt. ‘Soms hebben mensen met een uitkering veel meer te besteden en kansen om verder te komen dan mensen die werken. Met een loon zonder toeslagen houd je sommigen ook in een isolement. Ik ken werkende ouders die hun kinderen zonder ontbijt naar school moeten laten gaan.’

De nabije toekomst ziet ze somber in. De nieuwe armen zijn hoogopgeleiden en zzp’ers. Die schamen zich nog meer en stellen hun hulpvraag uit omdat ze denken dat ze het zelf wel kunnen oplossen. ‘Laatst sprak ik iemand van het wijkteam en de eerste nieuwe armen melden zich al. Er komen ontzettend grote en andere problemen bij.’

Criminaliteit is misschien de snelste manier van armoedebestrijding. Als ik ’s avonds rond De Hobbit zou gaan kijken, zou ik eerst kinderen zien spelen, dan jongens op scooters zien hangen. Hoe later het wordt, hoe meer grote auto’s en zwaardere jongens. ‘Bijna iedereen krijgt hier het aanbod om die kant op te gaan. Gelukkig zijn er actieve ambulant jongerenwerkers die het nodige tegenwicht bieden,’ zegt Hanspaul.

De mens waar het niet bij lukt

Zelfs de jonge, vrolijke dominee Dirk-Jan Riphagen is sceptisch over de toekomst. Zes jaar geleden streek hij neer in een andere Arnhemse achterstandsbuurt: Geitenkamp. 46 procent van de kinderen groeit er in armoede op, problemen worden er vaak op een fysieke manier opgelost, het gros heeft een uitkering en de PVV is er populair. Dirk-Jan wilde onder de mensen zijn en ze activeren met werken in zijn moestuin. ‘Sommige mensen zitten dag in dag uit voor de tv. Van die gedachte kan ik depressief raken. De tv die hard aanstaat en daarbij van alles eten en drinken om je pijnlijke gevoel te verdoven.’

De meeste mensen die in zijn tuin aan het werk zijn, dragen een legging of een joggingbroek. Het is inderdaad alsof ze net van de bank zijn opgestaan of er zo weer op zullen kruipen. Op de vraag of je echt iets aan armoede, eenzaamheid en passiviteit kunt doen, zegt hij: ‘Eerlijk gezegd denk ik weleens van niet. Aan de andere kant zie ik wel wat deze tuin betekent. Mensen worden stabiel, hun stress slinkt, en dat is al heel wat. Maar die veranderingen gaan zo traag. Ik zou willen dat de gemeente iets meer traagheid zou toestaan. De overheid legt de verantwoordelijkheid altijd bij de mensen zelf. Daar gaat een idee vanuit dat ik niet helemaal eerlijk vind. Mensen aanspreken op hun eigen verantwoordelijkheid, de mantra van Rutte, is mooi want je zet mensen in hun kracht – behalve bij die onderste groepen, daar lukt dat niet.’

Ik vraag wat de toegevoegde waarde is om hier als dominee mensen te helpen. ‘Ik hoef niks met deze mensen, en zij niet met mij. Dat is de toegevoegde waarde. Als ze met iemand van de gemeente praten, is er een afhankelijkheidsrelatie.’

Net als Jezus wil Dirk-Jan de wereld mooier maken. Zodat mensen tot bloei komen. ‘Hun geest, ziel en lichaam.’ ‘Dat ambieert de overheid toch ook?’ vraag ik. ‘Op een bepaalde manier, al kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat de knaken bepalend zijn. Het is aantrekkelijk om naar de wereld te kijken als maakbaar. Wat moeten ze anders? Maar als je met je poten in de klei staat? Zowel succes als falen zijn niet altijd onze eigen verdienste.’

Zijn glimlach camoufleert de tragiek.