George van Houts

Het lijkt een opdracht die onmogelijk te verwezenlijken is: schrijf een spannend toneelstuk dat gaat over de vastgoedfraude. Over de vastgoedfraude? Ja, u hebt het toch gehóórd? En maak daarin ook nog even inzichtelijk hoe frauduleuze financiële constructies precies werken. Bovendien moet het gaan over de fraudeur in ons allemaal. Onmogelijk. Echt onmogelijk. Maar George van Houts (54) lukte het.

Van Houts schreef het bejubelde toneelstuk De verleiders, waarin hij samen met zijn voormalige cabaretpartner Tom de Ket en met Pierre Bokma, Leopold Witte en Victor Löw in twee uur tijd het universum van de fraudeur van een meeslepende en humoristische handleiding voorziet. De verleiders werd bekroond met de Toneel Publieksprijs en Pierre Bokma kreeg voor zijn rol de Louis d’Or. Na De verleiders staan er nog drie soortgelijke stukken op stapel. Er komt nog een deel over Ahold, een over de DSB Bank ‘en de VVD’ers daaromheen’ en een laatste deel over ‘de zorg en de farmaceutische maffia’. ‘We zijn dus nog lang niet klaar.’

Vier jaar geleden stopten Van Houts en De Ket met cabaret. Ze hadden tien jaar lang veelgeprezen programma’s gemaakt, maar na acht voorstellingen begon het genre ze te vervelen. Daar kwam bij dat het publiek merkbaar begon te veranderen. ‘Theater is er sinds de oude Grieken om de dilemma’s van de tijd met elkaar te bespreken. We merkten dat het cabaretpubliek daar totaal geen boodschap aan heeft. Die mensen willen alleen maar lachen. Bovendien is cabaretpubliek oerconservatief; het wil het liefst steeds hetzelfde programma. Voor je het weet maak je tot je zeventigste dezelfde cabaretprogramma’s. We wilden iets anders. Het leek Tom en mij mooi om shakespeareaanse komedies te maken over wat zich in de boardroom afspeelt.’

Ze hoopten bovendien op een nieuw publiek. Het zou mooi zijn als er weer eens mannen naar de schouwburg zouden komen. Van Houts: ‘De kunsten zijn gekaapt door de grijze dames van Nederland. Het operapubliek, het schouwburgpubliek, het zijn per definitie dames op leeftijd. Als er al een man naast zit omdat-ie mee moest van zijn vrouw, zit-ie te slapen. Terwijl wij ook de hoogopgeleide man op het puntje van zijn stoel wilden hebben. We wachtten alleen op een aanleiding.’

Die aanleiding kwam toen Van Houts De vastgoedfraude las van Vasco van der Boon en Gerben van der Marel. Hij las het in één nacht uit en zat de volgende dag al bij de uitgever. ‘Want dit wilde ik op toneel brengen. Ik zag het als keihard aanklaagtheater: nu pakken we ze.’

De hoofdrolspeler van de vastgoedfraude, Nico Vijsma, kon volgens Van Houts maar door één acteur in Nederland worden gespeeld: Pierre Bokma. ‘Maar ja, Bokma vragen voor je toneelstuk is hetzelfde als aan Johan Cruijff vragen of-ie aan je straatvoetbaltoernooi mee wil doen.’ Maar de Cruijff van het toneel zei ‘ja’. ‘Hij vond het boek geweldig en zag direct iets in het project.’ Dat gold niet voor de meeste schouwburgen. Die aarzelden om de voorstelling in hun programmering op te nemen. Want wie zou er in vredesnaam zin hebben om een hele avond naar mannen in pakken te kijken, in een stuk over zo’n gecompliceerd onderwerp? ‘Ze zeiden: “Je mag komen spelen, maar het risico ligt geheel bij jullie.” We hebben op die basis toch een tournee in elkaar gezet. In de voorverkoop bleek de telefoon al roodgloeiend te staan.’

Doodgewone mannen

Van Houts schreef drie jaar aan het scenario. In het begin werd hij gekweld door volledigheidsdrang. ‘Ik had wel dertien financiële constructies en negenentwintig personages.’ Ruim vijftig dagen woonde hij de rechtszittingen tegen de verdachten van de vastgoedfraude bij. ‘Ik leerde die mensen en hun verhalen kennen. Dat zorgde voor een kentering. Langzaamaan veranderde mijn visie. Mijn moraal raakte in de war. Waar ik eerst dacht: we pakken ze, raakte ik de koers juist kwijt. Want bij sommige verhalen van verdachten dacht ik: hier zou ik zelf ook met boter en suiker ingelopen zijn. De meeste van die mannen zijn namelijk helemaal geen Hells Angels of Satudarah-leden; het zijn doodgewone mannen. Ik realiseerde me dat ik zelf ook regelmatig fraudeer. In de acteurswereld werk je met losse contracten die elkaar in tijdsduur vaak overlappen. De repetities van de ene productie vallen soms in de speelperiode van een volgende productie. Meestal trek je die contracten uit elkaar; neem me liever een maandje later in dienst, dat komt mij handiger uit. Dat is pure fraude, valsheid in geschrifte. Vervolgens dringt de vraag zich op: als dit schurken zijn, wat ben ik zelf dan?’

‘Het rare is dat er bij zo’n vastgoedfraude eigenlijk geen slachtoffers zijn. Als zo’n toren aan de Zuidas in plaats van 320 miljoen euro opeens 340 miljoen kost, dupeer je daar niemand mee. Er zijn mensen in de bankensector geweest die structureel afrondingsverschillen van vier cijfers achter de komma naar hun privérekening sluisden. Die verschillen zouden anders in het girale systeem verdwenen zijn. Met al die kleine beetjes spaarden ze miljoenen bij elkaar. Van wie steel je dan? Waarom mag je wel graanschepen opkopen, dat graan vervolgens opslaan en een jaar later voor tien keer de prijs verkopen?’

De grondtoon van De verleiders is volgens Van Houts uiteindelijk ‘menselijkheid’. En ook verontwaardiging over een te gemakkelijk oordeel. ‘Het is goed dat fraudeurs gepakt worden. Maar ik wil het ook hebben over de fraudeur in onszelf, en over de vele varianten van integriteit. Een integere Hells Angel verschilt fundamenteel van een integere kleuterjuf.’

De scheidslijn tussen ‘fraude’ en ‘fatsoen’ is diffuus. Neem nou die verkoop van een auto die in De verleiders wordt besproken. Iemand wil zijn auto van de hand doen voor een bedrag van 5000 euro. Omdat hij opziet tegen onderhandelingen vraagt hij een vriend de verkoop op zich te nemen. Wanneer die de auto verkoopt, mag hij 10 procent in eigen zak steken. ‘Dan vangt de opdrachtgever dus 4500 euro en zijn vriend 500.’ Maar de ingeschakelde vriend blijkt over een waar verkoperstalent te beschikken: het lukt hem om de auto voor 8000 euro te verkopen. ‘Tegen zijn opdrachtgever zegt hij: “We hebben mazzel; ik heb de auto voor 6000 verkocht. Je krijgt nu dus zelfs meer dan je had gedacht. En ik ook.” Is dat bedrog? Wie heeft er in dit voorbeeld wat te klagen? Zo werkt handel. De grote vraag is: waar eindigt handel en waar begint diefstal?’

Geen ruzie meer

Het werken aan De verleiders viel samen met een drama in Van Houts privéleven: zijn vrouw, actrice Leonoor Pauw, werd ernstig ziek. Ze had tien jaar daarvoor al borstkanker gehad. In de loop van 2010 ging haar conditie langzaam achteruit. Pauw werd steeds sneller moe. De dokter kon aanvankelijk niets vinden. Uiteindelijk werden er longfoto’s gemaakt. Toen hoorde ze dat de ziekte terug was, nu in haar longen. Deze keer was er niets meer aan te doen. ‘Het was te laat voor behandeling.’

Ze hebben later nooit gedacht: waren we maar eerder naar de dokter gegaan, benadrukt Van Houts. ‘Leonoor zei: “Het heeft geen zin om spijt te hebben of kwaad te worden. Ik wil zo goed mogelijk omgaan met het doodvonnis.” Ons contact werd in die periode nog warmer dan het al was. Je krijgt op slag geen ruzie meer over wie de vuilniszakken buiten moet zetten. Het enige wat ik heel moeilijk vond, is dat haar zo vroeg gezegd is dat ze geen kansen meer had. Daardoor word je in een dodencel gezet. Haar psychisch lijden was een hel. Niets minder dan dat. Een belangrijke factor van de condition humaine is dat we illusies nodig hebben. Anders kun je niet leven. Nu heeft ze drie jaar moeten leven met het vooruitzicht dat ze dood zou gaan. Drie jaar deze marteling is totaal onzinnig en onmenselijk.’

Was dat doodvonnis in die drie jaar dan nooit even uit jullie hoofd?

‘Nee. Heel soms, als ze naar een film keek of een boek las. Maar uiteindelijk vond ze het ruw opgeschrikt worden door de realiteit daarna bijna nog erger. Dus hield ze die moordende wetenschap maar liever continu bij zich. Zodat de waarheid haar niet keihard zou overvallen.’

Direct onontkoombaar

Ondanks de wanhoop en het verdriet bleef Van Houts ondertussen doorwerken aan zijn toneelstuk. Het schrijfproces van De verleiders liep vrijwel synchroon met haar ziekteproces. ‘Door hoe het hier thuis ging, gaf ik mezelf de opdracht: wat je nu maakt moet dus echt wel héél goed worden. Daardoor werd ik eerlijker, ook ten aanzien van mezelf. Ik heb van nature de neiging om de grapjurk uit te hangen, maar dat wist ik nu te bedwingen. Ik heb geprobeerd het allerbeste dat ik in me heb te stoppen in dit stuk. Hoe wrang het ook klinkt: ik ben ervan overtuigd dat haar ziekte en dood mijn lat enorm omhoog gedreven hebben.’

Ze leerden elkaar kennen in 1987 bij toneelgroep De Zaak. Het was niet bepaald meteen ráák. ‘Het eerste jaar vond ik haar een ongelofelijke trut. Een actreutel, met typisch actricegedrag. “Stoor me niet, want ik ben me aan het inleven in mijn rol.” Maar toen we elkaar eenmaal vonden was het direct onontkoombaar. Hoezeer we ook verschilden. Leonoor was enorm sterk en sociaal associatief. Ik stak daar nogal slap bij af, vond mezelf een zwak mannetje. Iedereen dacht ook: dit is een bidsprinkhaanrelatie; zij vreet ’m helemaal op. Maar uiteindelijk maakte ik haar zachter en zij mij sterker.’

Leonoor schreef op haar blog: ‘Kanker heb je samen, vooral met je partner.’

‘Zo was het precies. Aan de ene kant werd onze liefde dieper, aan de andere kant werd ik gek van machteloosheid en angst. Ik liet het haar niet merken, maar ik ben ’s nachts zo vaak in wilde paniek wakker geworden. “Hoe moet het nou verder als zij er straks niet meer is? Dat kán ik helemaal niet. Zonder Leonoor word ik vast weer dat zwakke mannetje.” De spoken van de nacht. Maar Leonoor zei steeds: “Onzin George, dat kun je best.”’

Onder de vijftig kilo

Aanvankelijk was Van Houts tijdens de ziekte van zijn vrouw nog gewoon op tournee. ‘’s Avonds spelen leidde toch op een prettige manier af.’ De laatste vier maanden was hij onafgebroken thuis. Dicht bij haar. ‘Tot in de dood heb ik haar kunnen begeleiden. Ik denk dat ik het heel goed gedaan heb. Ik ben mezelf enorm meegevallen, hoe slopend het vaak ook was. Ik werd ’s nachts om de anderhalf uur wakker. Dan keek ik hoe het met haar ging, en of ze nog wel ademde. Toen ze net dood was, sliep ik opeens zo ongelofelijk goed. Toen merkte ik pas hoe móé ik was.’

‘Ze heeft tweeënhalf jaar gezegd: “Maak je geen zorgen; zodra ik onder de vijftig kilo kom, ga ik met de huisarts praten. Dan neem ik een yoghurtje met jullie om me heen en ga ik rustig slapen.” Toch heeft ze dat niet gekund. Ze durfde niet over die laatste rand heen te stappen. Ik wist hoezeer ze daarover in zichzelf teleurgesteld was. Die gedachte doet me nog steeds verdriet. De laatste week zei ze: “Er moet een engel komen; iets moet me overweldigen zodat ik het wél durf.” Vervolgens zei ze: “George, jij moet het maar beslissen.” De dag van haar overlijden was verschrikkelijk. Toch zei de dokter: “We kunnen de dosis niet zomaar verhogen. Dan wordt het alsnog euthanasie.” Toen dacht ik: dan zit er niets anders op; ik moet haar nu dan maar een kussen op haar gezicht drukken. Niet wetende dat ze die middag zou overlijden.

De laatste uren voor haar dood waren gruwelijk. Ze kreeg plotseling een delier, werd een soort zombie. Terwijl ze aan allerlei slangen lag, begon ze opeens te vechten om uit bed te komen. Ik schrok me werkelijk een ongeluk, heb letterlijk met haar geworsteld. Ondertussen tegen mijn dochter Robijn roepend dat ze de Dormicum-spuit moest pakken. Onze andere dochter Merel moest op dat moment naar haar eindexamen. Lijkbleek stond ze toe te kijken. De dag na de dood van Leonoor had ze wiskunde-examen. Dat heeft ze dus wel mooi gehaald. Onvoorstelbaar.’

Tien dagen goed

In de laatste weken van Leonoors leven viel Van Houts’ oog op een verhaal over thanatopraxie; de zogenoemde lichte balseming van de overledene. Zijn vrouw wilde er eerst niet van weten. ‘Maar uiteindelijk zei ze: als jij dat wilt dan moet je het doen.’ En zo meldde zich kort na Leonoors dood een klein Italiaans vrouwtje aan de deur met twee flightcases bij zich. Van Houts heeft zelden zoiets wonderbaarlijks zien gebeuren. ‘Er ging een metalen staaf bij Leonoor naar binnen. Het bloed werd eruit gepompt, en formaldehyde erin. Ondertussen kreeg ze een soort intensieve sportmassage waardoor de vloeistof goed kon intrekken. Echt, het was Frankenstein, met al die pompen, slangen en klokken.’ Na een kleine drie uur had het wonder zich voltrokken. Daar lag de Leonoor van drie jaar daarvoor, van vóór ze ziek werd. De kanker en het lijden waren geweken. ‘Het ontroerde me enorm. Ook door de opluchting dat de pijn eindelijk weg was. Die vrouw zei: “Als u het wilt kan ze eventueel bij u in bed liggen.’ Want het lichaam blijft tien dagen goed. Het verstijft niet, wordt ook niet kouder dan huiskamertemperatuur.’

‘Ik heb acht dagen met de dode Leonoor in bed gelegen. Als je dat vooraf tegen me had gezegd, dan had ik je voor gek verklaard. Ik had een gezonde angst voor de dood en had zeker gedacht: dan slaap ik wel op de bank. En toch is het zo gegaan. Sommige uitvaartondernemers zeggen: “Zoiets moet je niet doen, want het lichaam wordt er te mooi door. Dat maakt het afscheid alleen maar zwaarder.” Bij mij werkte dat niet zo. Ik vond het juist uitermate prettig.’

Keek u voor uw gevoel naar een dode of naar uw vrouw?

‘Allebei. Ze was ontegenzeggelijk dood; ik had zelf het bloed uit haar zien lopen. Toch dekte ik haar ’s avonds toe, en kletste ik tegen haar. Het was een heel goed afscheid. Ik kon vrede hebben met het feit dat het lijden eindelijk voorbij was.’

De dag na haar overlijden speelde hij weer in De verleiders, in een bomvol Carré. Er stond nou eenmaal een hele week geboekt. En zijn vrouw had erop gehamerd: ‘Denk erom, wat er ook gebeurt: je gaat in Carré spelen!’ ‘Ze was zo trots op het succes van de voorstelling. Ze verwachtte gewoon van me dat ik daar zou stáán. Al had ik het zeker niet gedaan als ze nog stervende was geweest.’

Werd het een goede voorstelling?

‘Het was vooral heel raar. De hele zaal wist wat er aan de hand was. We hebben allemaal enorme fouten gemaakt die avond en per ongeluk hele stukken overgeslagen. Maar de vier avonden erna waren groot feest. Na afloop zat ik thuis, op de rand van ons bed naast Leonoor – glas wijn in de hand – te vertellen hoe het die avond was gegaan.’

Dood te zien

Het lijden en sterven van Leonoor Pauw zal volgend jaar ook in de bioscoop te zien zijn. Vijftien jaar geleden speelde ze in Broos, een film van Mijke de Jong over de gecompliceerde verhoudingen tussen vijf zussen. Nadat de kanker terug bleek te zijn, gingen de opnames van start voor een vervolg: Brozer. Pauw liet zich in allerlei stadia van haar ziekte filmen, in goeddeels geïmproviseerde scènes. Het zal een ongekend dramatische film opleveren, denkt Van Houts. ‘Het wordt misschien de eerste film waarin een actrice na haar dood nog een rol heeft – als dat werkt voor de film als geheel. Het verhaal begint vrolijk en geestig. Ze gaan met elkaar proefliggen in doodskisten. Maar uiteindelijk, als dat werkt, zie je Leonoor dus dood liggen. Haar filmzusters leggen haar voor de camera af.’

U zette na haar overlijden een foto van uw overleden vrouw op Facebook. Straks is ze ook dood te zien in deze film. Wilt u die intimiteit wel delen met de buitenwereld?

‘Dit is een bijzondere situatie: Leonoor was kunstenares, actrice. Die was gewend om naar buiten te treden.’

Van Houts staat op om zijn laptop te pakken. Hier, dit zijn beelden uit de trailer die ook op haar uitvaart te zien waren. Even kijken, waar heeft-ie ze? De cursor zoekt zich een weg over het bureaublad. Zijn vrouw woont sinds afgelopen zomer alleen nog maar in digitale mapjes. Met de spatiebalk toetst hij haar tot leven. Daar is Leonoor, rijdend op een scooter door Amsterdam. Ze straalt en blaakt van levenslust. En daar is ze opnieuw, nu al vermagerd door haar ziekte. Ze danst op een zwoele rumba. Gewoon in de kamer waar wij nu praten, naast de tafel waar wij nu zitten. De stoelen, de tafel, de lamp, alles is er nog. Niets is veranderd sinds de opname, een jaar geleden. Alleen zijzelf is er niet meer.

Van Houts kijkt geconcentreerd naar het scherm, gebiologeerd starend naar zijn dansende vrouw. ‘Mooi,’ zegt-ie zacht, wanneer het filmpje afgelopen is. ‘Ja, dat was echt heel mooi.’ Maar het is voor hem ook bitter om naar te kijken. ‘Omdat je het niet begrijpt. Eerst die beelden op die scooter, van die mooie sterke levenslustige vrouw. Hoe zo’n ziekte in drie jaar tijd zo’n immense verwoesting aanricht. Dat dansen doet me echt veel verdriet. Ik kan er woest om worden dat dit moois zo gesloopt moest worden.’

Hij wil de laptop dichtklappen, maar bedenkt zich. ‘Ik laat je toch nog iets anders zien,’ zegt hij dan. ‘Daar zie je hoe krachtig ze bleef tot aan het einde.’ Wat volgt is een hartverscheurend filmpje van zijn vrouw. Ze heeft op dat moment al zeven dagen niet gegeten. Het is één dag voor haar dood, haar dochter zit naast haar op bed. ‘Wat zijn je gedachten over de politiek,’ vraagt Merel. ‘No politics anymore,’ antwoordt Leonoor. ‘Because I’m a dying woman. Why should I think about politics anymore?’ En dan, op haar eigen lichaam wijzend: ‘This is war, completely war at the body. Look, the cancer is killing me.’

‘They are slowly winning?’

‘Yes. It took at least three years. Because I have a strong mind. It’s not always good to have a strong mind. Sometimes it’s good to be weak.’

De beelden vallen Van Houts zwaar, zegt hij. Ook al omdat hij ze al even niet gezien heeft. ‘Je ziet dat de morfine werkt in hoe ze beweegt en praat. Opeens begint ze in het Engels. Dit is het begin van de bewustzijnsverandering.’

Maar ook dit is niet te zeer privé om aan anderen te laten zien. Het maakt onderdeel uit van de opdracht die zijn vrouw en hij zich hebben gesteld. ‘Ik ben het haar en mezelf verplicht om dit aan de buitenwereld te laten zien, en om er heel goed over te vertellen. Er moet méér over sterven en dood gepraat worden. Ik dacht eerst: dat kan ik nooit. Bij het spreken tijdens haar uitvaart ben ik zes keer gebroken. En toch kon ik daarna weer doorgaan. Van tevoren kwel je jezelf met duizend angsten, maar uiteindelijk blijk je het toch te kunnen. Datzelfde geldt voor het praten over haar ziekte. Ik kan en mag dit niet voor mezelf houden, ik wil het delen met andere mensen. Zo zou zij het ook beslist gewild hebben. Delen maakt het lichter. En je geeft daarmee alsnog zin aan het zinloze.’

Bladwijzer

Online bronnen

Uitzendinggemist.nl

Van Houts en de Ket

In 2008, een jaar voor ze er helemaal mee ophouden, spelen Van Houts en de Ket hun jubileumvoorstelling Sterk, zwart en zonder suiker. Een voorstelling met alle sketches waar het publiek het hardst om moest lachen, maar ook waar zij zelf het meest plezier aan hebben beleefd.

Long teaser

De verleiders

De naam van het toneelstuk De verleiders: de casanova’s van de vastgoedfraude wordt helemaal waargemaakt in deze long teaser vol seductie en Don Juans. De clip doet niet onder voor de trailer van een ouderwetse Amerikaanse maffiafilm. Opmaat voor een avond met fraude, casanova’s en humor.

Ga naar

VN.nl/vanhouts

Nee

‘De verleiders’ is van 9 tot en met 12 januari nog te zien in theater Carré in Amsterdam