Senegalezen vormen een van de grootste groepen migranten uit Afrika. Deze week gaat minister Koenders erheen om te praten over terugdringing van de migratie. Maar is dat wel mogelijk?

Aan de promenade strijden gerookte vis en geroosterde maïskolven om de gunst van de koper. Op het strand voetbalt een groepje mannen in T-shirts van bekende Europese voetbalclubs. Anderen zoeken beschutting tegen de brandende zon in de schaduw van hun sloepen. De zee is nagenoeg leeg. Honderden bontgekleurde vissersboten liggen in het zand.

Kayar, een pittoresk vissersdorp ten noorden van de Senegalese hoofdstad Dakar, roept op het eerste gezicht geen associaties op met massamigratie. Tien jaar geleden was dat nog anders: in 2006 was het dorp een van de belangrijkste punten van vertrek vanuit West-Afrika voor de illegale overtocht naar de Canarische Eilanden. Honderden jongens verzamelden zich op het strand van Kayar voor een reis naar het beloofde continent: Europa. ‘Europa of de dood,’ zeiden ze tegen elkaar. Iedereen wilde weg uit Kayar, echt iedereen.

Mor Mbengue was 23 toen hij in augustus 2006 in het holst van de nacht met 75 anderen koers zette naar de Canarische Eilanden. In een opgelapte vissersboot gevuld met jerrycans benzine en eten zouden ze de oversteek van ruim 1.500 kilometer maken.

Mor en zijn dorpsgenoten, als jonge vissers opgegroeid met de grillen van de golven, wisten wat je op zee kon verwachten, maar een aantal medereizigers had nog niet eerder gevaren. ‘Je moet je voorstellen, meer dan een week zie je niets anders dan de lucht en de zee. Je wordt gek!’ zegt Mor, rillend bij de herinnering aan de negendaagse bootreis. ‘Sommigen raakten ervan overtuigd dat ze op zee konden lopen. We moesten ze vastbinden om te voorkomen dat ze van boord zouden springen.’

Het strand van Kayar. Foto: Saskia Houttuin

In Europese huiskamers zag men de beelden van uitgeputte jongemannen die na dagen van zoute zee en brandende zon voet zetten op de Canarische Eilanden. Verward, uitgehongerd maar euforisch dat ze het hadden gehaald met hun gammele vissersboten.

2006 was een piekjaar voor de toch al omvangrijke West-Afrikaanse migratie naar Europa: volgens de Spaanse autoriteiten vertrokken dat jaar ruim 30.000 ‘gelukszoekers’ uit onder meer Senegal, Guinee, Mali, Nigeria, Ivoorkust en Ghana. Zo’n 6.000 Afrikanen kwamen bij deze tocht om door verdrinking of van de honger en dorst. In paniek riep Spanje de hulp in van de Europese Unie, waarop grensagentschap Frontex een speciale missie begon. Een zwaar arsenaal aan maatregelen, zoals intensieve patrouilles en versnelde repatriëringsvluchten, sloot de lange zeeroute hermetisch af. Bijna niemand waagt zich er tegenwoordig nog aan.

Maar de migrantenstroom naar Europa is niet gestopt. Want hoe ver de arm van de EU inmiddels ook in Afrika reikt, dromen over een beter leven zijn lastig weg te nemen. Het aangescherpte beleid aan de West-Afrikaanse kust heeft geleid tot een waterbed-effect, aldus Henk van Houtum, hoofd van het Nijmegen Centre for Border Research aan de Radboud Universiteit. Na de maatregelen van Frontex en de val van de Libische leider Khadaffi raakte al snel een andere route in zwang: tienduizenden migranten reizen dwars door de Sahara, via Libië naar Italië of Malta.

Vertekend ideaalbeeld

Vorig jaar vormden de Senegalezen die het Italiaanse eiland Lampedusa bereikten een van de grootste groepen economische migranten uit Afrika. Dat is opvallend, voor een land dat sinds de onafhankelijkheid in 1960 geen oorlog heeft gekend en bekendstaat om haar politieke stabiliteit en economische voorspoed.

‘Hoge werkloosheid en een vertekend ideaalbeeld van Europa als paradijs maken dat nog altijd veel jonge mensen vertrekken,’ verklaart Jo-Lind Roberts. Als directeur van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) in West-Afrika werkt ze samen met de Senegalese overheid om de migratieproblematiek aan te pakken, door bijvoorbeeld trainingen te organiseren die potentiële migranten er van moeten weerhouden hun thuisland te verlaten. Daarnaast helpt het IOM met het optuigen van een beter gecontroleerd immigratie- en grensbeleid en regelt de organisatie vrijwillige repatriëringsmissies voor gestrande migranten. ‘Helaas is er opnieuw een groot gevoel van uitzichtloosheid onder de Senegalezen. Toen de nieuwe president in 2012 aantrad, kreeg men weer hoop en vertrouwen in de toekomst. Maar dat gevoel is snel weggeëbd. Er is in Senegal veel armoede en een belangrijke migratietraditie: als je dichtbij huis geen werk vindt, dan ga je elders op zoek.’

Een recente studie in opdracht van de Europese Commissie ondersteunt dit beeld: bijna driekwart van de Senegalese jongeren zegt binnen vijf jaar te willen emigreren. De belangrijkste reden? Werk. ‘Er zijn hier te weinig banen,’ beaamt Papa Diop, hoge ambtenaar bij de migratieafdeling van het Senegalese ministerie van Buitenlandse Zaken. In tegenstelling tot andere opkomende Afrikaanse landen worstelt Senegal al jaren met tegenvallende groeicijfers. De economische groei, gemiddeld 3,6% per jaar, is maar net hoger dan de bevolkingsgroei.

De zee is leeg

‘Een, twee, drie! Kracht! Kracht!’ brult een groepje vissers terwijl ze een tien meter lange sloep het zand op zeulen. Aan boord ligt een groot net waarin enkele vissen spartelen. Een ezelskar rijdt de vangst naar het dorp.

De 23-jarige tweeling Ousseynou en Assane Mbaye kijkt vanaf een afstandje toe. Hun boot ligt, net als honderden andere vissersboten, onaangeroerd op het strand. Op sommige dagen heeft het weinig zin uit te varen, vindt Ousseynou, een modebewuste jongen met gebloemd basketbalshirt. Hij kauwt nonchalant op een luciferhoutje dat dienst doet als tandenstoker. ‘Je moet ’s ochtends heel vroeg opstaan, en dan is het nog maar afwachten of je geluk hebt.’

De tweeling Assane (links) en Ousseynou Mbaye spaart voor Europa. Hier op het strand van Kayar. Foto: Saskia Houttuin

‘Je werkt heel hard voor heel weinig,’ vult zijn broer Assane aan. Net als Ousseynou heeft hij een plukje haar geblondeerd. ‘En dan nog kun je van alleen visserij niet meer rondkomen. De zee is leeg. Je moet er andere klusjes bij nemen.’

De massale uittocht in 2006 is vaak in verband gebracht met de crisis in de Senegalese visserij, een van de belangrijkste sectoren van het land en goed voor eenvijfde van de werkgelegenheid. De werkloosheid is na het drastisch slinken van de visvangst in hoog tempo opgelopen. ‘Voor een visser die niet op zee is, valt hier niets te doen,’ zegt Mor. Wel bleken de houten vissersboten ideale vaartuigen voor de oversteek. Zo ontstond voor de werkloze vissers plots een lucratieve handel als smokkelaar of kapitein.

Een catastrofe

De migratiecrisis en alarmerende rapporten over de leeggeviste zee trokken in het vorige decennium veel aandacht. In 1979 was Senegal het eerste Afrikaanse land dat een visserijcontract sloot met Europa. Daar kwam in 2006 een einde aan: het al meermaals vernieuwde akkoord, in de periode 2002-2006 goed voor 64 miljoen euro, werd voor het eerst in ruim 25 jaar niet verlengd. De onderhandelingen liepen stuk, met name omdat Senegal vanwege zijn nijpende visserijcrisis een harder standpunt innam en meer geld eiste. Maar ook voor de Europese Unie waren de Senegalese wateren niet zo aanlokkelijk meer: hoewel dit akkoord toegang bood aan 125 Europese vissersboten visten slechts enkele tientallen schepen voor de Senegalese kust.

Voor werkloze vissers ontstond lucratieve handel als smokkelaar of kapitein op een oversteekboot.

Nadat de Europese Commissie haar visserijbeleid onder handen had genomen, sloten Senegal en de EU na een pauze van acht jaar in 2014 toch een nieuw akkoord: 38 Europese boten mogen nu voor de kust van Senegal vissen op tonijn en zwarte heek.

De Senegalese kleinschalige visserij werd niet direct betrokken bij de onderhandelingen. ‘Maar diens belangen zijn op verschillende manieren meegewogen,’ zegt een woordvoerder van de Europese Commissie. Zo is vis die belangrijk is voor lokale consumptie uit het akkoord gelaten, evenals overbeviste vissoorten. Ook is er 750.000 euro per jaar vrijgemaakt om de leef- en werkomstandigheden van kleinschalige visserijgemeenschappen te bevorderen.

Veel vissers voelen zich ronduit bedrogen. Ook Mor is sceptisch. Volgens hem is met het nieuwe Europese visserijbeleid niet veel veranderd. Als lid van de lokale organisatie voor kleinschalige visserij komt hij op voor de vissers in Kayar. ‘Ik denk dat de Europese Unie goede bedoelingen heeft. Maar dat geldt helaas niet voor Senegal. Het ministerie heeft geen verstand van visserij, het wil alleen maar snel geld verdienen.’

Op Mors verwassen T-shirt prijkt het portret van de huidige president, Macky Sall. Hij heeft het speciaal laten maken toen het staatshoofd vorig jaar een bezoek bracht aan Kayar. ‘Welkom, meneer de president’ staat eronder in kapitalen. De uitkomst van dat bezoek was teleurstellend. ‘Hij is zijn beloftes nooit nagekomen. We zijn een van de belangrijkste vissersgemeenschappen van het land, maar we worden helemaal nergens bij betrokken.’

‘Het is een catastrofe,’ zegt Marie-Suzanne Traoré, hoofd Greenpeace in West-Afrika, over het nieuwe visserijakkoord met de EU. ‘Al jaren zien we hoe Senegal toelaat dat buitenlandse schepen de zee leegplunderen en daarmee de mensen die de vis het hardst nodig hebben aan hun lot overlaten.’

Niet zo vreemd dat nog altijd veel Senegalezen hun biezen pakken en de reis naar Europa maken, vindt Traoré. ‘Visserij is een van de belangrijkste sectoren van het land, mensen worden nu gedwongen hun heil elders te zoeken.’

Geen zicht op verbetering

Bij het Senegalese ministerie van Buitenlandse Zaken geven ze liever buitenlandse partijen de schuld. ‘Door de schepen uit het buitenland is er minder vis, dat zorgt voor problemen,’ zegt Papa Diop. ‘De EU, China, Rusland: allemaal sluiten ze akkoorden met onze regering. Maar eenmaal op zee houden ze zich niet aan de afspraken. Nee, ook de EU niet.’

Vissers zeulen een boot op het zand. Een klus die nogal wat energie vergt. Foto: Saskia Houttuin

‘Dat kapitaalkrachtige Europese landen, inclusief Nederland, hun handelsvoordelen in bepaalde sectoren , zoals visserij, zo sterk kunnen beschermen en afdwingen, heeft nadelige gevolgen voor een land als Senegal, waar visvangst van levensbelang is,’ zegt migratiedeskundige Henk van Houtum. ‘Als dat betekent dat lokaal de werkgelegenheid verdwijnt, wordt de drang om te migreren naar elders verder gevoed.’

Nu er in de visserij al jaren geen zicht is op verbetering, volgen visserszonen in Kayar niet meer vanzelfsprekend hun vaders op. Niets houdt hen tegen, lijkt het, om net zoals tien jaar geleden hun geluk in Europa te beproeven. Deze groep jongeren, nog kinderen tijdens de migratiecrisis van 2006, heeft grote dromen. Zo ook de tweeling Ousseynou en Assane. ‘We zijn al begonnen met sparen,’ zegt Ousseynou, friemelend aan het blonde plukje in zijn kroeshaar. Hij heeft gehoord dat je in Duitsland makkelijk werk vindt. Ze willen met de bus, dwars door de Sahara.

Motor voor groei

Duizenden Senegalezen gingen hun vorig jaar al voor, en het worden er mogelijk al snel meer. Volgens ramingen van de Verenigde Naties vindt tussen nu en 2050 meer dan de helft van de bevolkingsgroei plaats in Afrika. De verwachting is dat het continent in het jaar 2100 goed is voor 39% van de wereldpopulatie.

Waar Europa koortsachtig naar een oplossing zoekt voor de huidige vluchtelingencrisis, staan de economische migranten al in de startblokken. Volgens het jaarlijkse Global Monitoring Report van de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) is grootschalige migratie van arme naar rijke delen van de wereld onvermijdelijk. Die demografische verandering kan volgens beide organisaties ‘een motor zijn voor economische groei. Als vergrijzende landen een manier vinden om vluchtelingen en migranten te laten participeren in de economie, dan levert dat profijt op voor iedereen.’

Europa lijkt zich van de ernst van de zaak bewust: afgelopen najaar kwamen tientallen staatshoofden uit Europa en Afrika bijeen op Malta om de migratieproblematiek te bespreken. Maar volgens Henk van Houtum is bij deze top nauwelijks vooruitgang geboekt: ‘Het ging nauwelijks over die groep, veel te weinig. Het huidige beleid is nu vooral gericht op asielaanvragen en de opvang van vluchtelingen, terwijl je als continent juist gericht moet kijken welke migranten we nodig hebben en waar we ze op de arbeidsmarkt kunnen inzetten.’

Investeer omdat we een wereldgemeenschap zijn, niet om migratie te verminderen.

Wel is op de migratietop een Europees investeringsfonds in het leven geroepen dat er toe moet bijdragen dat 3,6 miljard euro wordt geïnvesteerd in de Afrikaanse economieën. De Europese Commissie heeft 1,8 miljard euro ingelegd, en wacht nu op vrijwillige bijdragen van Europese lidstaten, die de andere helft moeten aanvullen. Tot op heden is slechts 81 miljoen euro in het fonds gestort, Nederland is vooralsnog met 15 miljoen euro de grootste financier.

Volgens Van Houtum zijn investeringen zeker nuttig, maar niet in de zin van handelsrelaties – die moet je aan de markt overlaten. ‘Investeer vooral in het bieden van sociale zekerheid aan kwetsbare bevolkingsgroepen en het helpen voorkomen of sneller herstellen van rampen en crises,’ zegt Van Houtum. ‘En investeer uit mondiale rechtvaardigheid, omdat we een wereldgemeenschap zijn, niet uit liefdadigheid of uit eigenbelang om migratie te verminderen. Want ontwikkelingshulp vermindert de migratie niet. Op korte termijn neemt die dan zelfs toe. Pas bij een hoog ontwikkelingsniveau daalt het niveau van de migratie weer.’

Ook het verder afsluiten van grenzen, zoals tien jaar geleden aan de West-Afrikaanse kust is gedaan, heeft volgens Van Houtum geen zin. ‘Ze komen toch. Doordat ze niet legaal mogen komen, want ze krijgen geen visum van de EU uit angst dat ze ongedocumenteerd blijven, is de enige mogelijke weg voor mensen uit Afrika de illegale weg. De legale weg naar de EU is voor velen op aarde afgesloten, want de EU hanteert een visumbeleid op basis van geboorte. Als je in een van de 135 landen op de wereld bent geboren die op de “negatieve” Schengen-lijst staan – en dat zijn voornamelijk moslim- en armere landen – is je kans op een Schengen-visum heel klein. Je geboortegrond bepaalt daarmee je internationale mobiliteit. Met als gevolg dat migranten heimelijk moeten komen en door het kat-en-muis-spel met de grensbewaking steeds gevaarlijker, soms zelfs dodelijke routes nemen. Het werkt bovendien een vreemdelingenfobie in de hand. Het is niet alleen technisch falend beleid maar ook normatief falend beleid. De Europese Unie wordt zo een fobische eenheid, door haar eigen grensbeleid.’

Barre tocht

Seydina Limamou Laye heette de vissersboot waarmee Mor op 15 augustus 2006 aanmeerde op de Canarische Eilanden. De boot was vernoemd naar een belangrijke Senegalese soefi-geleerde, die het gezelschap bescherming moest bieden tegen het gevaar op zee. Na een barre tocht waren hij en zijn maten uitzinnig van vreugde: iedereen had het overleefd. ‘De Europese zee is nog blauwer dan de onze,’ herinnert Mor zich. Hun geluk bleek van korte duur. Verder dan het detentiecentrum van Las Palmas zijn ze niet gekomen en na een paar weken zaten ze weer op het vliegtuig terug.

Bijna duizend Kayarois waagden in 2006 de oversteek naar de Canarische Eilanden, meer dan 1 op de 20 inwoners van het kustdorp. Ruim de helft van hen is teruggestuurd, elf mensen overleefden de reis niet. De rest had geluk en kon in Europa blijven. Hoewel Spanje in samenwerking met Senegal een aantal repatriëringsvluchten uitvoerde, zijn de meeste aangekomen migranten naar het Spaanse vasteland gevlogen. Volgens de Spaanse autoriteiten op de Canarische Eilanden is uiteindelijk minder dan 10% naar huis gestuurd.

Daouda Mbaye (36) was een van hen. Hij woont nu tien jaar in de Spaanse stad Huelva en is, nu hij een verblijfsvergunning op zak heeft, even op familiebezoek in Kayar. Een vast inkomen heeft hij niet in Spanje, hij grijpt elke klus aan die zich aandient. ‘Soms ben ik straatverkoper, als ik geluk heb mag ik op het land werken,’ zegt hij in gebroken Spaans. Het is sappelen en aanmodderen, maar toch piekert Daouda er niet over terug te keren naar Kayar. Hij haalt een gloednieuwe smartphone uit zijn broekzak. ‘Europa is geen eldorado, maar als ik was blijven vissen, had ik dit niet kunnen betalen.’

‘Dat willen wij ook!’

Op een enkeling na zijn in de afgelopen tien jaar maar weinig vissers uit Kayar naar Europa vertrokken. Gedesillusioneerd door het trauma van de mislukte bootreis en de verscherpte controle op zee willen de Kayarois niet opnieuw zo’n gevaarlijke overtocht riskeren. Veel gerepatrieerde Kayarois hebben net als Mor hun leven als visser weer opgepakt, ook al levert de visserij maar net genoeg op om van rond te komen. Anderen zijn naar de hoofdstad Dakar verhuisd.

De nieuwe generatie in Kayar denkt anders. Mor hoort de Europese plannen van zijn jonge dorpsgenoten ontredderd aan. Hij probeert ze ervan te overtuigen niet te vertrekken. ‘Je leven riskeren in de woestijn en op zee om op het vliegtuig weer naar huis te worden gezet, waarom zou je dat doen?’ Maar zijn argumenten vallen in het niet bij het droombeeld dat jongeren van Europa hebben. ‘De nieuwe generatie heeft de Canarische Eilanden niet meegemaakt. Zij willen weg.’

Bij het Senegalese ministerie van Buitenlandse Zaken willen ze de jongens in de kustdorpen beter in de gaten houden. Ze doen dit in samenwerking met het ministerie van Visserij, dat door het organiseren van workshops en het subsidiëren van netten en boten probeert de werkloosheid onder vissers in te perken. ‘In potentie vormen vissers een groep die zomaar weer massaal kan migreren,’ zegt Papa Diop, ‘we moeten dat voor zijn.’

De tweeling haalt de schouders op. Assane: ‘Ze kunnen zeggen wat ze willen, maar als je ziet waar de jongens die in Europa wonen mee terug komen: ze laten grote huizen bouwen, hebben een auto en een mooie vrouw, en op feestdagen komen ze met de dikste schapen.’

‘Dat willen wij ook!’ zegt zijn broer Ousseynou. ‘Want van de zee worden we toch nooit rijk.’

Koenders naar West-Afrika

Minister van Buitenlandse Zaken Bert Koenders bezoekt tussen 14 en 17 april drie landen in West-Afrika: Mali, Senegal en Ghana. Dit doet hij in opdracht van EU-buitenlandchef Federica Mogherini, die de migratiestroom vanuit het Afrikaans continent met een speciaal Europees investeringsfonds wil terugdringen. Als huidig voorzitter van de EU voert Koenders namens Brussel het gesprek hierover met zijn Afrikaanse collega’s. Behalve het bestrijden van mensensmokkel, het versterken van grensbewaking en het ontwikkelen van migratiebeleid wil de Europese Commissie de belangrijkste oorzaken van migratie aanpakken door te investeren in onder meer voedselveiligheid en gezondheidszorg, bevordering van goed bestuur en conflictpreventie. Ook hoopt Brussel de economische ontwikkeling te bevorderen en bij te dragen aan meer banen ter plaatse.