Dit voorjaar streken achttien Eritrese vluchtelingen neer in een Zuid-Hollands stadje. Op zichzelf niet zo bijzonder, maar ditmaal ging het om een compleet voetbalelftal. Twee jaar na hun vlucht zijn ze nog steeds bij elkaar. Wijkagent Sjaak Pellikaan en zijn vrienden staan ‘Dutch Soccer Team Eritrea’ bij.

Op een waterkoude middag in Gorinchem fietst een tengere zwarte jongen de straat van een nieuwbouwwijk in. Hermon heet hij, sterspeler van het Eritrese nationale voetbalelftal. Hij slingert een beetje en zwaait naar de mensen die op hem staan te wachten – de jonge, donkere Feben en haar oer-Hollandse schoonvader Leen. Zij, met Eritrese achtergrond, komt op bezoek namens VluchtelingenWerk, om Hermon te helpen met het invullen van papieren. Hij heeft zijn gereedschapskist meegebracht, en gordijnroedes. Dat flatje kan vast wel een kleine opknapbeurt gebruiken, vermoedt hij.

‘Ik merkte al snel dat ze een stuk beter waren dan ik had gedacht. En dat ik ze niks meer kon leren’

Terwijl Feben losbarst in het Tigrinya, de hoge, zangerige Eritrese taal, wijst Leen op de rode Ajax-trainingsbroek die Hermon draagt. ‘Dat is niet goed hè,’ zegt hij lachend. We zijn hier tenslotte in Zuid-Holland, waar je voor Feyenoord dient te zijn. Willem II of NAC kunnen eventueel ook nog door de beugel, maar Ajax zeker niet. Hermon controleert eerst of er soms een vlek op zijn broek zit, en kijkt de man dan niet-begrijpend aan. ‘Yes,’ zegt hij met een grote grijns. ‘Ajax. Toekomst!’

Hermon is een van de achttien Eritrese vluchtelingen die dit voorjaar na een verblijf van anderhalf jaar in kampen in Oeganda en Roemenië neerstreken in Gorinchem. Op zichzelf niet heel bijzonder, er zijn wereldwijd al een kleine tweehonderdduizend mensen het regime in Asmara ontvlucht. En alleen al dit jaar vroegen 3760 Eritreërs asiel aan in Nederland.

Maar ditmaal ging het om een compleet voetbalelftal dat lange tijd ook zonder bal bij elkaar bleef, daarna weer wedstrijden speelde en die meestal nog won ook. Het was een even wrang als mooi jongensboek, dat internationale media waaronder The New York Times naar het Zuid-Hollandse provincieplaatsje lokte. Twee jaar na hun vlucht zijn de zestien spelers, het zusje van een van hen en de zelfbenoemde teamarts nog steeds bij elkaar. Ze trainen minstens drie keer in de week en spelen veel wedstrijden – alle clubs willen wel oefenen tegen dit team, waarvan de grootste talenten volgens kenners kunnen meedraaien in de Nederlandse eredivisie. Maar voorlopig zijn de jongens – de meesten waren een jaar of achttien toen ze de beslissing namen om te vluchten – onafscheidelijk.

'Als deze jongens straks een mooi baantje kunnen krijgen en niemand heeft last van ze, dan is het toch goed?’ Foto: Jan Rosseel
‘Als deze jongens straks een mooi baantje kunnen krijgen en niemand heeft last van ze, dan is het toch goed?’ Foto: Jan Rosseel

Op van die waterschoentjes

Je zult het hem niet horen zeggen, maar de kiem van het succesverhaal van ‘Dutch Soccer Team Eritrea’ ligt bij wijkagent Sjaak Pellikaan. Op de koude tribune van tweedeklasser Leerdam Sport, waar ook een vast clubje Eritrese supporters aanwezig is, zit hij lachend te vitten op de trainer van het elftal, zijn boezemvriend Robertino Lotto. ‘Nee Tino, mán, je wisselt toch niet al vóór de rust je beste speler!’ klinkt het wanneer Lotto spelverdeler Hermon uit het veld haalt.

Eritrea staat met 0-2 voor en zal uitlopen naar 0-6, de wedstrijd is gespeeld, en dus neemt Pellikaan uitgebreid de tijd om te vertellen hoe hij met de jonge voetballers in aanraking kwam. De appartementen die de Eritreëers in Gorinchem kregen toegewezen, liggen midden in de multiculturele en ooit beruchte Haarwijk, waar vijf jaar geleden nog regelmatig rellen waren tussen Marokkaanse jongeren en de politie. ‘Marokkaans tuig valt politie aan’, kopte De Telegraaf in die dagen. ‘Wij proberen het negativisme te doorbreken. Ik houd van die wijk,’ zegt Pellikaan, die er is geboren en getogen. Hij is er al vijfendertig jaar wijkagent, en van de zestienjarigen van nu heeft hij de vaders als jochie al gekend. ‘Ik zag die Eritreërs een beetje doelloos op straat hangen, dus ik vroeg: willen jullie voetballen? Nou: ja, natúúrlijk. Maar ze kwamen net uit Roemenië en hadden helemaal niks. Ze liepen op van die waterschoentjes.’

Pellikaan, zelf voormalig voetbaltrainer, kocht zestien paar kicksen en benaderde de plaatselijke club SVW (Steeds Voorwaarts Wilhelmina). Het was zomer, geen competitie, ze konden gratis het kunstgrasveld gebruiken. ‘Ik merkte al snel dat ze een stuk beter waren dan ik had gedacht. En dat ik ze niks meer kon leren.’ En dus belde hij met Lotto, die ooit nog onder hem had gespeeld en het later tot een voorselectie van Jong Oranje had geschopt: ‘Tino, heb je zin om bondscoach van Eritrea te worden?’ Aan de andere kant van de lijn werd gelachen. ‘Eritrea? Natuurlijk!’ zei Lotto, die een zoon is van Italiaanse immigranten. ‘Dat was ooit een Italiaanse kolonie, daar heeft mijn opa nog gevochten, in de tijd van Mussolini. Hij had het vaak over Asmara.’

WInnen van Jong Sparta

Een half jaar later vormen Pellikaan en Lotto, in het dagelijks leven bedrijfsleider bij een taxifirma, de kern van een netwerk dat de spelers heeft opgevangen. Ook teambegeleider en kledingsponsor Henk de Jong hoort daarbij, net als pr-man Ronald Tukker (schade-expert bij een verzekeraar) en vaste assistent-scheidsrechter Jafaar El Haddioui, een jongen uit de Haarwijk. En voetballer en bankemployé Mohammed Boukrouche, roepnaam Boekie, die als een van de eersten hoorde dat het Eritrese team in de wijk was komen wonen. ‘Als er in de buurt iets gebeurt, krijg ik meteen een seintje van de jongens daar.’ Als Gorcums Sportman van het Jaar heeft hij een voorbeeldfunctie, maar dat is het niet alleen waarom hij in actie kwam. Zijn ouders emigreerden in de jaren tachtig uit het Marokkaanse Nador naar Gorinchem. ‘Je hebt daardoor automatisch een zwak voor die jongens. Mijn vrienden en ik weten heel goed dat onze ouders of grootouders afhankelijk waren van de manier waarop ze werden ontvangen.’

In het verleden was de Haarwijk een ruige buurt, maar dat is verbeterd sinds er straatcoaches zijn aangesteld, vertelt Boukrouche, en sinds het buurthuis Turkse en Marokkaanse beheerders kreeg. In Gorinchem worden nu buurtcafé’s georganiseerd waar de politie, jongeren en ouders bij elkaar komen om problemen te bespreken. De moslims mogen er niet goed op staan in de media, in de buurt is niets te merken van spanningen zoals in de Haagse Schilderswijk. De Eritrese spelers zijn trouwens orthodox-christelijk, op één na, die moslim is. ‘Hij is de hele Ramadan bij ons in de moskee geweest,’ zegt Boukrouche. ‘Hij werd overal bij betrokken, ook al spreekt hij de taal nauwelijks. Ik vind: zo dien je met elkaar om te gaan.’ ‘Boekie’ nodigde Eritrea meteen uit voor een wedstrijd van zijn eigen team, de tweedeklasser Unitas. ‘We dachten dat we kans maakten, maar man, ze speelden ons met 9-0 van het veld.’

‘Mijn vrienden en ik weten heel goed dat onze ouders of grootouders afhankelijk waren van de manier waarop ze werden ontvangen’

Daarna ging het alleen maar beter met het elftal. Ze wonnen van Jong Sparta, met op de tribune een paar honderd enthousiaste Eritreërs die zwaaiden met de groen-rood-blauwe vlag. In augustus speelden ze mee in het Z-Press toernooi in Barendrecht, vertelt Sjaak Pellikaan. ‘De tegenstanders werden gebracht door ouders in Mercedessen en liepen rechtstreeks de kantine in. Onze jongens gingen naar het speeltuintje. Beetje schommelen, op de wipkip. En uiteindelijk wonnen we het toernooi, en zevenhonderdvijftig euro. Prachtig toch?’

Het meest memorabel was de partij tegen Al Wasl uit de Verenigde Arabische Emiraten, dat toen nog getraind werd door Braziliaanse ex-international Jorginho. Een ‘wereldpartij’ was het volgens Pellikaan, die ze verloren door twee tegengoals in de laatste drie minuten, maar goed: wel tegen een team waarvan de spelers allemaal ruim anderhalf miljoen verdienen. Zoals aanvaller Ahmed glimlachend zegt: ‘It was a shame for them’.

‘Het echte doel van Sjaak en mij is om die jongens hier te laten integreren. Rond het woord vluchtelingen hangt een bepaalde negativiteit.' Foto: Jan Rosseel‘Het echte doel van Sjaak en mij is om die jongens hier te laten integreren. Rond het woord vluchtelingen hangt een bepaalde negativiteit.’ Foto: Jan Rosseel

Wat terugdoen

Ook al speelden de Eritrese voetballers de sterren van de hemel, toch was niet iedereen blij met hun komst. De PVV stelde al snel Kamervragen over de ‘zeer domme actie’. Waarom, vroegen Kamerleden Wilders en Fritsma zich af, moest ons land deze jongens opvangen, ‘terwijl ze veilig in Roemenië leefden’? In Gorinchem zelf was ook kritiek te horen. ‘Toen we een paar van die jongens stonden te helpen tijdens een verhuizing kwam er een boze uit zo’n rijtjeshuis,’ zegt Robertino Lotto. ‘Gelijk tekeergaan, niet normaal gewoon. “Zij wél, terwijl mijn zoon al vier jaar op een woning wacht!” Sjaak riep gevat: “Nou, in Eritrea weet ik nog wel wat leeg staan, probeer het daar eens.” Sjaak, zei ik, dat kan je niet maken joh! Maar hij vindt: als je zo’n toon aanslaat, kun je het krijgen ook.’

Ook bij voetbalclub SVW werden aanvankelijk wat wenkbrauwen opgetrokken. ‘Ik nam in het begin bananen mee naar trainingen,’ zegt Pellikaan. ‘Die vinden ze het lekkerst en je krijgt er energie van. In de zomer zaten ze die dan buiten op te eten, en dan hoorde je sommige van die tokkies zeggen: kijk, ze worden gevoerd. Dus daar ben ik maar een tijdje mee gestopt, want probeer zoiets maar eens uit te leggen aan die jongens.’

Inmiddels neemt Pellikaan wél weer bananen mee. De relatie met de club is goed. De wedstijden van de Eritreërs trekken veel bekijks en de spelers doen ook wat terug. Doelman Daniël, een van de meer ervaren spelers, verzorgt de keeperstraining bij SVW. De anderen fluiten in de weekends bij als scheidsrechter bij jeugdwedstrijden. Dat heeft trainer Lotto verplicht gesteld. ‘Ik heb gezegd: op die manier kun je lekker integreren en creëer je wederzijds begrip. Maar ze vinden het ook gewoon leuk.’

Fulltime coach

Een week later staat Lotto in zijn met Italiaanse parafernalia verfraaide huis grote plastic zakken vol te stouwen. Het zijn tweedehands jassen voor de spelers, die Sjaak Pellikaan heeft losgepraat van een goedgeefse buurman. De tenues en trainingspakken waren al eerder verzorgd door teambegeleider Henk de Jong, maar nu staat de winter voor de deur – de eerste die de Eritreërs ooit zullen meemaken. Robertino kan zich als immigrantenzoon goed verplaatsten in mensen die in een vreemde wereld terechtkomen, zegt hij. ‘Mijn vader kwam hier in de jaren zestig vanuit Cagliari op Sardinië. Hij vertelde me vaak hoe moeizaam dat ging, hoeveel discriminatie er was. Hij wilde de taal leren, maar zijn bazen zeiden: ach joh, dat is niet belangrijk, ga maar gewoon hard werken. En toen hij een jaar of zestig was, wilde zijn werkgever hem ontslaan omdat hij de taal niet machtig was. Dat verhaal heb ik altijd onthouden.

Nederland nodigt vluchtelingen uit, en ja, wat dan? Het gaat om de invulling die er aan gegeven wordt.’ Hij is zo ongeveer fulltime coach van het elftal, maar voetbal is niet meer dan een middel, zegt hij. ‘Het echte doel van Sjaak en mij is om die jongens hier te laten integreren. Rond het woord vluchtelingen hangt een bepaalde negativiteit. “Ze pikken mijn baan in” – dat idee. Maar als deze jongens straks een mooi baantje kunnen krijgen en niemand heeft last van ze, dan is het toch goed?’

 ‘Yes,’ zegt hij met een grote grijns. ‘Ajax. Toekomst!’ Foto: Jan Rosseel
‘Yes,’ zegt hij met een grote grijns. ‘Ajax. Toekomst!’ Foto: Jan Rosseel

Tegen een boom staan pissen

Vooralsnog verloopt de inburgering voorspoedig. De spelers gaan drie keer in de week naar cursus, sommigen in Gorinchem, de meer gevorderden naar Utrecht. De meesten hebben daarnaast een eigen taalcoach. Burgemeester Anton Barske heeft eerder die middag al verteld dat hij blij is met zijn nieuwe inwoners. ‘Soms zie ik een van de jongens voorbijfietsen en dan zwaaien we vrolijk naar elkaar.’ De GroenLinkser was pas een paar maanden benoemd in ‘de meest gemiddelde stad van Nederland’ toen hij werd gebeld door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers. ‘Of we bereid waren het complete Eritrese elftal in onze gemeente op te nemen.’ Na enig overleg besloot Gorinchem in te stemmen. ‘Het was een mooi verhaal en bovendien zouden we er relatief weinig woningen aan kwijt zijn, omdat de spelers graag in groepjes wilden samenwonen.’ In één klap zou daarmee zowat de hele jaarlijkse taakstelling voor de opvang van asielzoekers met een verblijfsvergunning zijn vervuld, zegt Barske.

Maar hij deed meer: ‘Ze hadden niets dan een paraplu en de kleren aan hun lijf. VluchtelingenWerk had de appartementen basic ingericht maar ik vond dat er per huis ook een pc met internet moest komen. Ze krijgen een uitkering van dertig euro per week voor eten en drinken, dat is krap, dus schuift een lokale grootgrutter iedere week een doos met elementaire etenswaren door de deur. En ik heb gezegd: we geven ze allemaal een tweedehands fiets.’

‘Ze zijn bevoorrecht vergeleken met andere asielzoekers,’ zegt Sjaak Pellikaan, die inmiddels ook bij Robertino Lotto thuis gearriveerd is. ‘En dat begrijpen ze heel goed.’ Pellikaan ziet het als zijn taak om de jongens in te wijden in de ongeschreven wetten van ons land. ‘De jongens dachten dat Nederland een land was zonder racisme en zonder criminaliteit,’ zegt hij. ‘Ze lieten al hun deuren openstaan. Waarom zou iemand iets stelen, iedereen is hier toch al rijk? Ik heb ze moeten uitleggen dat het net even anders ligt.’ De wijkagent leert ze dat juist zij niet de geringste misstap moeten maken.

‘Ze lieten al hun deuren openstaan. Waarom zou iemand iets stelen, iedereen is hier toch al rijk?’

‘Ik zei: “Als jij als zwarte jongen rood licht negeert, houden ze je aan. Als een blond vrouwtje het doet, zeggen ze: we zien het voor één keer door de vingers.” En ze hebben zelf al gemerkt dat ze altijd een ID op zak moeten hebben, als ze de stad ingaan worden ze veel vaker gecontroleerd dan anderen.’ Zijn lessen beginnen vruchten af te werpen, merkt Pellikaan. ‘In het begin kwam zo’n jongen aanzetten met een CJIB-bekeuring. Hij had geen idee waarvoor dat was. Bleek dat hij ergens tegen een boom had staan pissen – dat kostte mij weer honderdveertig euro. Maar nu, zelfs als we ergens langs de snelweg geparkeerd staan, durven ze geen boom meer uit te zoeken.’

Lekker veel nieuwbouw

‘Ja. Trainer hier. Dertig minuten. Ik naar jouw huis.’ Als Robertino Lotto heeft opgehangen, stapt het duo met de plastic zakken in de auto voor een ronde langs de verschillende appartementen. Er ontstaat wat verwarring over de volgorde. Sjaak Pellikaan kan de echte namen van de spelers maar niet onthouden, en dus moet Lotto een vertaalslag maken met de bijnamen die als vanzelf zijn ontstaan. Er is Tarzan, die klein en beweeglijk is, Big John, Roadrunner en Frankenstein. ‘Die is niet lelijk hoor,’ haast Lotto zich te zeggen. ‘Hij heeft gewoon een vierkante kop.’

Besloten wordt om eerst de flat van Ahmed aan te doen, ofwel: ‘Bruine Sok’. Daar aangekomen lopen de aanvaller en zijn flatgenoot Merhawi nog rond in hun pyjamabroeken. Het is loeiheet in het appartement. Er hangt een kaal peertje in de hal, een deken doet dienst als gordijn. Het is drie uur ’s middags. Ahmed klikt de enorme, stokoude televisie aan. ‘Als ze dat doen, betekent het dat je welkom bent,’ zegt Lotto. ‘Tja, ik vind het ook heel apart.’

Zodra de jongens uit de plastic zakken allebei een geschikte jas hebben gekozen, duikt Merhawi het keukentje in om spaghetti voor het onverwachte bezoek te bereiden. Tegenstribbelen heeft geen zin. ‘You have to eat,’ zegt hij. ‘It’s prepared by Eritreans. Niet Holland spaghetti.’ Binnen liggen de cursusboeken op tafel. Op het computerscherm flikkert een pagina met Nederlandse les. Ahmed draagt een voetbalshirt van Der Mannschaft – Schweinsteiger, nr 7 – en lacht graag en veel. Hij vindt Gorinchem prachtig. Lekker veel nieuwbouw, niet die oude zooi, de mensen zijn er allemaal vriendelijk. En het Nederlandse voetbal is geweldig, vooral PSV. ‘Die winger, wat is zijn naam… Depay? I like him.’

 ‘Die winger, wat is zijn naam… Depay? I like him.’ Foto: Jan Rosseel
‘Die winger, wat is zijn naam… Depay? I like him.’ Foto: Jan Rosseel

We have chocolate girls

Bij vragen over zijn verleden, hoe onschuldig bedoeld ook, zijn Ahmed en zijn huisgenoten meteen op hun hoede. Lotto had het al van tevoren gezegd: de redenen van hun vlucht, de politieke situatie in Eritrea – niet een van de jongens wil erover praten. Ze vrezen voor repercussies voor hun families in het thuisland. Niet dat Ahmed niet graag over zijn vaderland vertelt. Integendeel, op de vraag waar hij vandaan komt, klimt hij meteen enthousiast achter de computer. Google/zoekterm ‘Eritrea’/ afbeeldingen, en daar komt een wereld tevoorschijn die tot precies twee jaar geleden zijn thuis was. Hij klikt van landkaarten naar plaatjes van feeërieke berglandschappen en drukke stadstaferelen, en vertelt uitgebreid over de eetgewoonten en de verschillen tussen de Eritrese regio’s. Hij kent ze allemaal, want zijn club, Al Naser, speelde in de landelijke competitie. Als hij een foto ziet van mooie Eritrese meisjes in bikini’s op het strand, verschijnt er een glimlach op zijn gezicht. ‘You see? We have chocolate girls.’

Maar als er een nors kijkende man in legeruniform opduikt in ‘afbeeldingen’, klinkt het afgemeten: ‘That’s the president.’ Even later duikt er een foto van een paar van zijn medespelers op, overduidelijk in actie op een Hollands knollenveld. ‘Who put this here?’ zegt Ahmed verstoord. ‘Why is it here? This is not good.’ Als hij daarna stuit op een elftalfoto van de Red Sea Boys, zoals het nationale Eritrese elftal wordt genoemd, valt Ahmed even stil. Op de bovenste rij staat hij zelf en kijk, daar heb je zijn roommate Merhawi. Ze poseren op een droog veld in een groot, halfgevuld stadion in de Oegandese hoofdstad Kampala. Het is vlak voor het begin van hun laatste officiële wedstrijd.

And then we left

De verwachtingen voor de CECAFA Cup, de strijd tussen landenteams uit Oost- en Centraal-Afrika, waren niet hooggespannen. Zanzibar moesten ze kunnen hebben, maar Rwanda en Malawi stonden een stuk hoger op de wereldranglijst. De Red Sea Boys was – op de oudere en ervaren keeper Dani na – een heel jong team. Die verjonging ging vanzelf: steeds als Eritrea een voetbalelftal naar het buitenland stuurde, keerden hooguit een paar spelers terug. Inmiddels spelen niet alleen in Gorinchem maar ook in het Australische Adelaide en in Houston, Texas Eritrese oud-internationals.

De spelers kregen voortaan te horen dat het met hun familieleden slecht zou aflopen als ze zouden vluchten. Bovendien moesten ze een flinke borg betalen, tot honderdduizend nafka, zo’n zevenduizend euro en tien keer het gemiddelde Eritrese jaarinkomen. Toch hadden ze het na de teleurstellende 0-0 tegen Zanzibar niet over de volgende ronde, maar wogen ze hun kansen op een succesvolle vlucht. Al wekenlang hadden ze erover gefantaseerd en in Kampala waren ze landgenoten tegengekomen die zeiden: wie weet is dit jullie enige kans.

‘We zaten zes maanden in een kamp met vooral Syriërs en Irakezen. We zaten in één woning met zijn tienen en konden er niet uit’

Tegen Malawi verloren ze met 3-2 en in de laatste groepswedstrijd waren hun gedachten al helemaal niet meer bij tegenstander Rwanda. De afspraak was om de volgende dag te vluchten, als ze even de stad in mochten om te winkelen. Daarna zouden ze zich opsplitsen in groepjes om zo een onderduikadres te bereiken. ‘We verloren met 2-0, maar dat maakte niet meer uit,’ zegt Ahmed. ‘We hadden andere zaken aan ons hoofd. We play. And then we left.’ En dat is alles wat hij erover wil vertellen. ‘Sorry. Past life. Ik wil graag praten over het heden en over de toekomst. Maar het verleden is dood. It is a died time.’

Ook over de tijd dat ze na hun vlucht zaten opgesloten in een vervallen ziekenhuis in Oeganda hebben zijn spelers het niet, zegt trainer Robertino Lotto: ‘Ze maken soms wel grappen. Vraagt de een: hoe ben jij eigenlijk gevlucht? Ik met een brommer. Zegt de ander: ik op een kameel.’ Materiaal voor een speelfilm is het, zegt Lotto, de reis die het team maakte van Asmara naar Kampala naar een kamp in de buurt van het Roemeense Timisoara. ‘We zaten zes maanden in een kamp met vooral Syriërs en Irakezen. We zaten in één woning met zijn tienen en konden er niet uit,’ zegt Merhawi daarover. Het was een tussenstop, wisten ze, want inmiddels was Nederland bereid gevonden de spelers op te nemen.

Volgens de afspraken met het UNHCR komen jaarlijks vijfhonderd vluchtelingen in aanmerking voor hervestiging in Nederland. Dus vloog het elftal dit voorjaar vanuit Roemenië via Londen naar Schiphol en vandaar ging het per bus naar Gorinchem. De zestien spelers, de dokter en het meisje werden opgevangen door VluchtelingenWerk, kregen in groepjes van drie een appartement toegewezen, basaal ingericht maar een grote vooruitgang na anderhalf jaar bivakkeren in opvangcentra.

De spelers kregen te horen dat het met hun familieleden slecht zou aflopen als ze zouden vluchten. Foto: Jan RosseelDe spelers kregen te horen dat het met hun familieleden slecht zou aflopen als ze zouden vluchten. Foto: Jan Rosseel

Best beklagenswaardig

De avond voor de volgende wedstrijd zit sterspeler Hermon thuis bij Lotto op de bank, terwijl zijn trainer in een grote pan pasta al tonno roert. ‘Dat is beter dan Eritrees eten. Behangpannekoek noemen Sjaak en ik dat.’ Hermon is vaker op bezoek, hij deelt zijn flat met middenvelder Mohammed, die familie heeft in Nederland en vaak weg is. ‘Dan is hij eenzaam en belt op: trainer, mag ik bij jou komen?’ zegt Lotto. ‘Zit-ie hier met mijn kinderen op de bank computerspelletjes te spelen en te lachen.’

Vanavond is er geen tijd voor games want ook Taoufik Ameziane is langsgekomen. Hij is oud-speler van Willem II en Queens Park Rangers. Tegenwoordig is hij als jongerencoach en coördinator in de voormalige probleembuurt Haarwijk betrokken bij de Eritrese jongens. ‘Helaas is juist nu besloten om zwaar te bezuinigen op het jongerenwerk in Gorinchem.’ Met behulp van een whiteboard met gekleurde magneetjes probeert hij Hermon tactisch een beetje bij te scholen. ‘You play this: risk, risk, risk! No! In balbezit altijd zoeken naar die driehoekjes. Als je naast elkaar gaat spelen, krijg je steeds die steekbal.’

Met zijn bord op schoot zit wijkagent Sjaak Pellikaan het tafereel met enige vertedering aan te kijken. ‘Moet je dat jochie nou zien zitten, zonder vader en moeder. Van de week gaf ik hem even mijn telefoon zodat hij zijn zuster in Birmingham kon bellen. Dan loop ik even weg, want de springen de tranen me in de ogen.’ Binnenkort, heeft de wijkagent beloofd, vliegt hij met Hermon een paar dagen naar haar toe. ‘Duik ik een hotelletje in. Kan ik Birmingham ook eens zien. Dat kost geen drol meer tegenwoordig.’

‘Sorry. Past life. Ik wil graag praten over het heden en over de toekomst. Maar het verleden is dood’

Goed, alles bij elkaar kosten de jongens hem inmiddels toch een rib uit zijn lijf, zegt Pellikaan. ‘Ik heb een modaal salarisje, ik ben maar gewoon inspecteur van politie.’ Het is dat hij zijn koophuis kort geleden heeft ingeruild voor een huurwoning, dus hij heeft wat te besteden. ‘Ik heb vandaag weer twintig tubes tandpasta voor ze gekocht met tandenborstels erbij. En als ik een paar spelers ophaal voor de wedstrijd, werp ik meestal even een blik in de koelkast. Ligt er niets in, dan vraag ik: hebben jullie nou wat gegeten? En dan rijd ik toch maar weer naar de Lidl en gooi die koelkast vol. Ze hebben nauwelijks geld en moeten zelf koken. Hun tegenstanders wonen voor een groot deel bij pa en moe thuis, die krijgen goed te eten.’

Ze zijn best beklagenswaardig, die jonge jongens in een vreemd land die hun familie in Eritrea nooit meer zullen zien, zegt de wijkagent. ‘Ze hebben alleen elkaar. Zitten ze met zijn allen op mijn zespersoons hoekbankstel, elkaar mandarijntjes te voeren en aan elkaars haar te krullen. Het is te zielig om naar te kijken.’

‘Ze hebben alleen elkaar.' Foto: Jan Rosseel
‘Ze hebben alleen elkaar.’ Foto: Jan Rosseel

Een soort dans

Een paar uur later verzamelt het team zich op het SVW-terrein voor een thuiswedstrijd tegen de Waardenburg-Neerijnen-Combinatie. Tijdens de warming up schuiven ze als één lange rij over het kunstgrasveld, synchroon bewegend op de klanken van de Venga Boys. Een soort dans, waar de warmlopende WNC’ers wat houterig bij afsteken.

Robertino Lotto is boos. Er waren een paar spelers te laat, en daar houdt hij niet van, van die sterallures. Op tijd komen hoort bij de inburgering, maar hij eist het ook als coach. Wellicht dat hij daarom eerder Makda, een meisje dat in de dug-out was gaan zitten, naar de tribune heeft gestuurd. Makda, in Nederland geboren als dochter van Eritrese ouders, helpt de jongens met het vertalen van documenten en nodigt ze soms uit bij haar familie. Allemaal mooi en aardig, vindt Lotto, maar nu zat ze de boel behoorlijk af te leiden. Sjaak Pellikaan lacht. Hij snapt het wel. ‘Het is een mooi ding natuurlijk. En het zijn allemaal jonge knapen. Ze zijn niet gevoelloos.’

Iedereen is er vanavond. Teambegeleider Henk de Jong, pr-man Ronald Tukker, assistent-grensrechter Jafaar El Haddioui. Zelfs burgemeester Anton Barske en zijn wethouder sportzaken staan langs de lijn. Het is de eerste wedstrijd die de burgemeester van de Red Sea Boys ziet, en hij is nogal onder de indruk. ‘Ik ben zelf meer een hockeyer, en deze jongens kunnen dingen met hun voeten die ik niet eens kan bedenken.’

Als er eentje straks een contract verdient, zal het geld voor een groot deel in de gezamenlijke pot gaan’

Terwijl Eritrea moeizaam op 2-0 komt, blikt wijkagent Sjaak Pellikaan alvast vooruit naar volgend jaar. Hoe moet het verder met die jongens die zo aan elkaar gehecht zijn geraakt, maar ook allemaal hopen op een profcontract? ‘Mijn droom is dat ik ooit in de Kuip zit bij een wedstrijd van Feyenoord,’ zegt de wijkagent. Hij steekt zijn duim omhoog. ‘En dat ik even zó kan doen tegen een van die jongens.’ Het grote talent van het elftal is Hermon, daar is iedereen het wel over eens. Voor hem en nog één à twee spelers is concrete belangstelling van eredivisieclubs. Maar stel dat zo’n club het torenhoge salaris wil betalen dat een speler van buiten de EU moet verdienen. Valt het team dan uit elkaar? ‘Ze gaan op en buiten het veld voor elkaar door het vuur,’ zegt Pellikaan. ‘Als er eentje straks een contract verdient, zal het geld voor een groot deel in de gezamenlijke pot gaan.’

Voor Pellikaan en Lotto is het avontuur na dit seizoen wel afgelopen. ‘We rijden die jongens in onze vrije tijd rond, we trainen ze vier keer in de week, we wassen om beurten hun shirtjes en sokken,’ zegt Sjaak Pellikaan na afloop van de wedstrijd. ‘Het is het allemaal meer dan waard, maar we kunnen het niet nog een seizoen opbrengen.’ Robertino Lotto weet wel beter. ‘Sjaak zegt steeds: in mei stoppen we, dan hebben we eindelijk rust. En dan zeg ik: welnee man, dan komen er weer nieuwe vluchtelingen. En wie weet zit daar de Syrische handbalploeg bij. Of de Noord-Koreaanse volleyballers.’